Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1571

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
16-702039-13 en 16-653604-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 31-jarige man uit Hoorn tot een gevangenisstraf van achttien jaar voor de moord op een medegedetineerde in de PI in Nieuwegein. De man wordt ook veroordeeld voor de zware mishandeling van een medegedetineerde in het huis van bewaring in Zwaag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16-702039-13 en 16-653604-13 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats](Suriname),

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA, Vught, Lunettenlaan 501.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 april 2014 en 10 april 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat van verdachte, mr. W.J. Ausma, naar voren hebben gebracht. Tevens is gehoord mr. Y. Moszkowicz die de nabestaanden van [slachtoffer 2]bijstaat.

De zaken onder parketnummers 16-702039-13 en 16-653604-13 zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering gevoegd.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16-653604-13

op 25 augustus 2012 in een penitentiaire inrichting te Zwaag [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] met een mes in de rug heeft gestoken, hetgeen ten laste is gelegd als:

primair: poging tot doodslag;

subsidiair: zware mishandeling;

meer subsidiair: poging tot zware mishandeling;

Parketnummer 16-702039-13

op 30 juli 2013 in een penitentiaire inrichting te Nieuwegein [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd door hem met een mes met kracht in de borst ter hoogte van het hart te steken, hetgeen ten laste is gelegd als:

impliciet primair: moord;

impliciet subsidiair: doodslag.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 16-653604-13 (Zwaag)

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (hierna te noemen:
[slachtoffer 1]). Door hem met een mes in de rug te steken heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden en heeft hij die kans ook bewust aanvaard.

Parketnummer 16-702039-13 (Nieuwegein)

Volgens de officier van justitie heeft verdachte [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) met vol opzet met een mes gestoken teneinde hem van het leven te beroven. Hij heeft in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] hierdoor zou komen te overlijden. Volgens de officier van justitie heeft verdachte met voorbedachte raad gehandeld.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 16-653604-13 (Zwaag)

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes in de rug gestoken. Op de plek van de steekwond bevinden zich geen vitale organen. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het steekincident een klaplong opgelopen, hetgeen geen levensbedreigend letsel is.

Parketnummer 16-702039-13 (Nieuwegein)

De verdediging heeft gesteld dat van voorbedachte raad geen sprake was, dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag en dat hierbij sprake was van opzet in voorwaardelijke zin.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 16-653604-13 (Zwaag)

4.3.1

De vrijspraak

Primair

Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes in de rug gestoken. Het mes dat daarvoor is gebruikt, betrof een mes dat voor gedetineerden is bestemd om brood te smeren. De rechtbank neemt daarom en om de overige uit het dossier blijkende gegevens omtrent dit mes, aan dat het mes van origine niet zodanig scherp en/of zodanig puntig is, dat kan worden vastgesteld dat door het steken met dat mes in de rug de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] daardoor zou komen te overlijden.
Weliswaar heeft verdachte verklaard dat het mes scherper was gemaakt maar op welke wijze het precies was geprepareerd, is ook ter terechtzitting niet duidelijk geworden. Ook de foto’s van het mes in het dossier bieden geen duidelijkheid daaromtrent. Op een daartoe strekkende vraag van de rechtbank heeft de officier van justitie aangegeven dat het door verdachte gebruikte mes is vernietigd en dus niet nader kan worden onderzocht.

Ook uit het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel kan niet worden afgeleid dat het mes op zodanige wijze was geprepareerd dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] als gevolg van het steken met dit mes zou komen te overlijden. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] als gevolg van de steekwond in zijn rug een klaplong heeft opgelopen en dat zijn medische behandeling bestond uit een opname in het ziekenhuis ter observatie.
Tenslotte kan uit het dossier evenmin worden vastgesteld met welke kracht en snelheid verdachte heeft gestoken.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 1] van het leven zou beroven door hem met een mes in de rug te steken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

4.3.2

De bewijsmiddelen ten aanzien van het steekincident in Zwaag1

Subsidiair

[slachtoffer 1] bevond zich op 25 augustus 2012 omstreeks 11.30 uur in een keuken in het Huis van Bewaring te Zwaag in de gemeente Hoorn.2 [slachtoffer 1] stond ‘face to face’ met [verdachte] in de keuken. [slachtoffer 1] draaide zich om en voelde een klap. Hij voelde dat er iets uit zijn rug spoot. Hij voelde op zijn rug met zijn hand en zag dat zijn hand onder het bloed zat.3

[slachtoffer 1] is op 25 augustus 2012 onderzocht door een arts. Bij hem werd een steekverwonding in de rug en een klaplong aan de rechterkant geconstateerd.4

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] op 25 augustus 2012 in een penitentiaire inrichting in Zwaag heeft gestoken met een mes dat wordt gebruikt voor het smeren van brood. Dit mes was scherper gemaakt. De bijnaam van verdachte is [verdachte].5

[getuige 1], medegedetineerde van verdachte, bevond zich op 25 augustus 2012 in een keuken van de penitentiaire inrichting te Zwaag. [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt telkens: [slachtoffer 1]) en [verdachte] waren daar ook. [getuige 1]zag dat [slachtoffer 1] en [verdachte] elkaar duwden. [verdachte] pakte een mes uit zijn broekzak. Dit was een mes om brood mee te smeren. [slachtoffer 1] draaide met zijn rug. [getuige 1]zag het mes in zijn rug gaan. Er kwam ook gelijk bloed. 6

[getuige 2] medegedetineerde van verdachte, was op 25 augustus 2012 op het moment van het steken in de keuken aanwezig. [getuige 2] kent het slachtoffer als [slachtoffer 1]. Het klopt dat zijn naam [slachtoffer 1](de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) is. De dader kent hij als [verdachte]. [getuige 2] zag [verdachte] en [slachtoffer 1] stoeien. Toen zag hij [verdachte] met een mes. Hij zag dat [slachtoffer 1] bloed op zijn rug had. 7

4.3.3

De bewijsoverweging ten aanzien van het steekincident in Zwaag

Subsidiair

Opzet

Verdachte heeft met een bestekmes, bestemd voor het smeren van brood, in de rug van [slachtoffer 1] gestoken. Dit mes was volgens verdachte scherper gemaakt. [slachtoffer 1] heeft ten gevolge hiervan zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong, opgelopen.

Verdachte heeft zich door met dit geprepareerde mes in de rug van [slachtoffer 1] te steken willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft deze kans met zijn handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.

Parketnummer 16-702039-13

4.3.4

De bewijsmiddelen ten aanzien van het steekincident in Nieuwegein8

Verdachte verklaart dat hij zich op 30 juli 2013 in vleugel B van de penitentiaire inrichting te Nieuwegein bevond. Omstreeks 16.15 uur is verdachte in de cel van [slachtoffer 2] geweest alwaar hij door [slachtoffer 2] in elkaar is geslagen. Verdachte heeft vervolgens een mes uit de keuken gepakt. Hij had dit mes op een eerder moment geprepareerd door het scherper in een punt te schuren met schuurpapier en te voorzien van tape om het handvat, zodat hij een betere grip op het mes zou hebben. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het mes, dat is afgebeeld op de foto’s op de pagina’s 205 tot en met 208 van het dossier, het mes is waarmee hij [slachtoffer 2] heeft gestoken.

Verdachte is, nadat hij dit mes had gepakt, tot 17.30 uur in zijn cel geweest. Verdachte is toen naar de keuken gegaan. Het mes droeg hij bij zich. Hij zat daar met een aantal jongens te praten en iets te drinken. Verdachte zag [slachtoffer 2] naar de keuken komen. [slachtoffer 2] was alleen. Verdachte heeft toen zijn mes getrokken en is naar [slachtoffer 2] gerend. [slachtoffer 2] deed een paar stappen achteruit en kwam met zijn rug tegen een reling aan. Verdachte heeft het mes toen met kracht in de borst van [slachtoffer 2] gestoken. Verdachte heeft vervolgens geprobeerd om [slachtoffer 2] nog een keer te steken, maar dit lukte niet omdat [slachtoffer 2] zich verweerde met een stoel.

Verdachte is na het steekincident in de keuken opgesloten. Verdachte heeft het mes in de keuken door een kiepraam naar buiten gegooid.

Verdachte heeft het geprepareerde mes gepakt omdat hij [slachtoffer 2] wilde terugpakken nadat hij door hem in elkaar was geslagen, aldus verdachte ter terechtzitting.9 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 2] wilde terugpakken… steken of zo. Verdachte is vanuit de keuken een meter of acht achter [slachtoffer 2] aangegaan om hem te steken.10

Op 30 juli 2013 heeft de politie buiten in het gras recht onder de gevel van de bebouwing van de penitentiaire inrichting een mes aangetroffen. Een medewerker van de penitentiaire inrichting deelde mede dat boven deze gevel de keukens van vleugel B zaten. Een raam van één van deze keukens stond op een kierstand. Het mes is in beslag genomen en veilig gesteld.11

Het mes stak voor een groot deel met het lemmet in de grond. Het heft was omwikkeld met textiel. Verbalisant [A] zag, nadat hij het mes uit de grond had getrokken, dat het lemmet van het mes besmeurd was met bloed. Het mes had een totale lengte van ongeveer 21,5 centimeter. Het lemmet had een lengte van ongeveer 9,5 centimeter en over het breedste deel gemeten een breedte van ongeveer 15 millimeter. Aan één zijde was het lemmet voorzien van kartels. Het lemmet was verder voorzien van een aan twee zijden geslepen punt.12

Op 30 juli 2013 is het mes dat de politie op een afgesloten binnenterrein van de penitentiaire inrichting De Liesbosch heeft aangetroffen veiliggesteld voor nader onderzoek. Van dit mes zijn foto’s gemaakt en op een dvd SIN AAGT0002NL gezet.13

[slachtoffer 2] is onderzocht door A. Maes, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut. [slachtoffer 2] is op 30 juli 2013 omstreeks 19.00 uur overleden in penitentiaire inrichting De Biesbosch (de rechtbank begrijpt: De Liesbosch) te Nieuwegein.

Hij is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen inwerkend scherprandig perforerend geweld (een steekverwonding) op het lichaam.14

Op 5 december heeft A. Maes, voornoemd, een vergelijkend onderzoek van morfologische kenmerken inzake een steekwond bij [slachtoffer 2]onderzocht.

Links voor en boven aan de borst was een scherprandige huidperforatie met het aspect van een steekwond van 1,8 x 0,5 centimeter met bloederig wondranden. In relatie hiermee was er een steekkanaal van minimaal 3 centimeter lengte, gericht van voor naar achter en iets voetwaarts tot in de hartholten. Het steekkanaal verliep door de derde rib, bovenkwab van de linker long, het hartzakje, de wortel van de longslagader en de linker boezem.

De steekwond bij de heer [slachtoffer 2] kan qua morfologische eigenschappen veroorzaakt zijn door een mes als aangetoond op de dvd met SIN AAGT0002NL.15

[getuige 3] kent de jongen die is gestoken als [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt telkens: [slachtoffer 2]). Op 30 juli 2013 zag [getuige 3] dat [slachtoffer 2] naar de keuken liep, rondkeek en weer wegging. [verdachte] sprong op en rende direct naar [slachtoffer 2] toe. [verdachte] had een mes in zijn rechterhand. [getuige 3] zag dat [verdachte] op [slachtoffer 2] instak. [verdachte] haalde zijn hand naar achteren en bewoog deze met snelheid en kracht naar voren.16

[getuige 4] was op 30 juli 2013 in de keuken van de penitentiaire inrichting te Nieuwegein aan het koken. Toen hij aan het koken was zat [verdachte] in de keuken. Hij dronk cola. Verder was er een jongen die [B]heet. Er waren nog twee of drie jongens maar die liepen de keuken in voor een kort praatje met [verdachte] en gingen daarna de keuken uit.

[getuige 4] zag [verdachte] de keuken uit rennen. Hij zag dat [verdachte] met zijn arm een zwaaiende beweging maakte voordat hij uit zijn zicht verdween. Toen [verdachte] weer terug in de keuken kwam, sloot een bewaarder [getuige 4] en [verdachte] in de keuken op. [getuige 4] zag toen dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand had.17

4.3.5

De bewijsoverwegingen ten aanzien van het steekincident in Nieuwegein

Voorbedachte raad

Volgens de raadsman heeft verdachte gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die voortkwam uit angstgevoelens. Verdachte was bang om wederom klappen van [slachtoffer 2] te krijgen. Door het korte tijdsbestek waarin het incident zich heeft voltrokken, is volgens de verdediging geen gelegenheid geweest voor kalm beraad en rustig overleg.

Verdachte wilde [slachtoffer 2] de volgende ochtend, op 31 juli 2013, terugpakken onderweg naar de arbeid. Verdachte heeft om die reden het mes uit de keuken gehaald. Hij verwachtte niet dat hij [slachtoffer 2] op 30 juli 2013 nog zou treffen, zodat hij dit incident niet heeft kunnen plannen. Uit de omstandigheid dat verdachte van plan was [slachtoffer 2] op een ander moment te steken kan de voorbedachte raad voor het incident dat op 30 juli 2013 heeft plaatsgevonden niet worden afgeleid.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de bewijsmiddelen blijken de volgende feiten en omstandigheden.

Nadat verdachte tussen 16.15 uur en 16.30 uur in de cel van [slachtoffer 2] was geslagen, heeft hij een door hemzelf geprepareerd mes gepakt alvorens hij om 16.30 uur in zijn cel werd ingesloten. Verdachte heeft dit mes gepakt omdat hij [slachtoffer 2] wilde terugpakken omdat hij door hem in elkaar was geslagen. Hij wilde [slachtoffer 2] steken met het mes. Toen verdachte het mes pakte heeft hij aldus een weloverwogen besluit genomen om [slachtoffer 2] hiermee te gaan steken.

De celdeur van verdachte is een uur, te weten van 16.30 uur tot 17.30 uur gesloten gebleven. Gedurende deze tijd is verdachte niet van gedachten veranderd. Hij wilde [slachtoffer 2] gewoon terugpakken, aldus zijn verklaring ter terechtzitting. Om 17.30 uur ging de celdeur van verdachte open en is hij naar de keuken gegaan. Hij droeg het mes toen bij zich. In de keuken heeft verdachte rustig met medegedetineerden zitten praten. Omstreeks 19.00 uur kwam [slachtoffer 2] naar de keuken. [slachtoffer 2] was alleen. Hij keek rond en ging weer weg. Toen verdachte [slachtoffer 2] bij de keuken zag, ging verdachte direct in de aanval. Hij sprong op, is achter [slachtoffer 2] aan gerend en heeft hem met kracht in de hartstreek gestoken terwijl deze met zijn rug tegen een reling stond.

Verdachte heeft zich aldus gedurende enige tijd kunnen beraden op zijn genomen besluit om [slachtoffer 2] met een mes te steken, te weten vanaf het moment dat hij het mes kort voor 16.30 uur heeft gepakt en het moment dat hij [slachtoffer 2] omstreeks 19.00 uur bij de keuken zag. Hij is echter niet op dit besluit teruggekomen.

Verdachte heeft gesteld dat hij het mes bij zich droeg om zich te verdedigen. Hij was door een Turkse jongen gewaarschuwd dat er een groep tegen hem was gevormd, aldus verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven omschreven situatie waarin verdachte vanuit de keuken op [slachtoffer 2] afging, niet om verdediging van zijn lijf vroeg. Uit de verklaringen van zowel verdachte als [getuige 3] blijkt immers dat [slachtoffer 2] wegliep van de keuken waarin verdachte zich bevond. Bovendien was [slachtoffer 2] alleen en kwam hij niet met een groep naar de keuken.

Uit het handelen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte, op het moment dat hij [slachtoffer 2] omstreeks 19.00 uur zag, een kans zag om zijn plan om [slachtoffer 2] met een mes te steken uit te voeren.

De rechtbank ziet, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zoals door de verdediging is gesteld. Verdachte had immers al enige tijd van tevoren het plan opgevat om [slachtoffer 2] te gaan steken met het eerder al door hem scherper gemaakte mes. Uit de verklaringen van zowel verdachte als van [getuige 4] blijkt bovendien dat verdachte rustig in de keuken zat te praten en iets zat te drinken, kort voordat het steekincident plaatsvond.

Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden op het door hem voorgenomen besluit om [slachtoffer 2]van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen contra-indicaties die tot de conclusie zouden moeten leiden dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Opzet

Verdachte heeft [slachtoffer 2] ter hoogte van het hart in de borst gestoken met een mes. Dit mes heeft verdachte op een eerder moment scherper geslepen in een punt en voorzien van textiel en tape voor een betere grip. Door [slachtoffer 2] met dit mes in de hartstreek te steken heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] hierdoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft deze kans met zijn handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen.

Parketnummer 16-653604-13 (Zwaag) en 16-702039-13 (Nieuwegein)


4.3.6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 tot en met 4.3.5 genoemde bewijsmiddelen en opgenomen bewijsoverwegingen bewezen dat verdachte

Parketnummer 16-653604-13 subsidiair

op 25 augustus 2012 te Zwaag, gemeente Hoorn, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] opzettelijk met een mes, in de rug te steken;

Parketnummer 16-702039-13

op 30 juli 2013 te Nieuwegein opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 2]van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 2] met een geprepareerd mes met kracht in de borst, ter hoogte van het hart, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Parketnummer 16-653604-13 subsidiair

Zware mishandeling;

Parketnummer 16-702039-13

Moord.

6 De strafbaarheid van verdachte

Parketnummer 16-653604-13 subsidiair (Zwaag)

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes gestoken omdat [slachtoffer 1] hem dusdanig bij de keel heeft vastgepakt dat hij geen lucht meer kreeg. Het steken met het mes was proportioneel, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] hem heeft gewurgd. [slachtoffer 1] zou het hoofd van verdachte onder zijn linkerarm hebben vastgehouden. In deze houding zou verdachte [slachtoffer 1] in de rug hebben gestoken. Verdachte wilde ter terechtzitting niet nader verduidelijken hoe hij door [slachtoffer 1] werd gewurgd.

Uit de verklaringen die [slachtoffer 1] en de ooggetuigen [getuige 1] en [getuige 2]van het steekincident hebben afgelegd blijkt niet van een verwurging van verdachte door [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] stond met zijn rug naar verdachte toe toen verdachte hem stak, zo verklaren [slachtoffer 1] en [getuige 1]. Dit sluit aan bij de steekverwonding die [slachtoffer 1] in zijn rug heeft opgelopen.

Deze feiten en omstandigheden duiden niet op een noodweersituatie waarin het voor verdachte geboden was om zich te verdedigen.

Gelet op al het voorgaande is de feitelijke toedracht zoals die door verdachte is geschetst op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond waarin het geboden was om zich te verdedigen met een mes. De rechtbank verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat een lagere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 25 augustus 2012 zijn medegedetineerde [slachtoffer 1] met een geprepareerd mes in zijn rug gestoken. Hierdoor heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong, opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van [slachtoffer 1]. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat hij door de messteek in paniek is geraakt en heeft gedacht dat hij dood zou gaan. Wat de rechtbank daarbij uitdrukkelijk in de straftoemeting in aanmerking neemt is de omstandigheid dat [slachtoffer 1] door verdachte in zijn rug is gestoken; uit zijn verklaring volgt dat hij verrast werd door de klap op zijn rug.

Op 30 juli 2013 heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan het steken met een geprepareerd mes van een medegedetineerde. Verdachte heeft zijn medegedetineerde [slachtoffer 2]in de borststreek gestoken en hem daarbij in het hart geraakt. [slachtoffer 2] is ten gevolge hiervan komen te overlijden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, mede omdat [slachtoffer 2] niet aan hem heeft kunnen ontkomen. [slachtoffer 2] is uit de richting van verdachte gelopen en stond met zijn rug tegen een reling toen verdachte hem stak. Verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van [slachtoffer 2]. Hij heeft de nabestaanden van het slachtoffer enorm veel leed en verdriet toegebracht. Dit is ook gebleken uit de slachtofferverklaringen van een zus en de ouders van het slachtoffer, die ter terechtzitting zijn voorgelezen. Door dit misdrijf is de rechtsorde op zeer ernstige wijze geschokt.

Strafverzwarend acht de rechtbank verder de omstandigheid dat verdachte, op het moment van het steekincident in de penitentiaire inrichting in Zwaag op 25 augustus 2012, in voorarrest zat in verband met een verdenking van een steekpartij in Amsterdam. Op 30 augustus 2012 is verdachte in die zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden wegens poging tot doodslag. Vervolgens heeft verdachte, na overplaatsing naar de penitentiaire inrichting in Nieuwegein, opnieuw iemand gestoken; ditmaal met een dodelijke afloop.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan onderzoek naar zijn geestvermogens door een psychiater of een psycholoog. Om deze reden is hij ter observatie in het Pieter Baan Centrum opgenomen geweest. Ook daar heeft verdachte geen medewerking verleend. Psychiater E.A. Beld en psycholoog I. Schilperoord, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum, hebben geconcludeerd dat zij bij gebrek aan eigen onderzoek als gevolg van de weigering van verdachte om mee te werken, de vraag of bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet kunnen beantwoorden.

Uit de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2014, dat 18 bladzijden beslaat, blijkt dat verdachte op zijn zestiende -een jaar na zijn komst vanuit Suriname naar Nederland- voor het eerst strafrechtelijk is veroordeeld. Sindsdien heeft verdachte een groot deel van zijn leven in detentie doorgebracht als gevolg van veroordelingen wegens diverse strafbare feiten waaronder meerdere geweldsmisdrijven.

Bij de rechtbank bestaat grote vrees voor recidive. De rechtbank heeft hierbij met name gelet op het omvangrijke strafblad van verdachte en de wijze waarop verdachte herhaaldelijk heeft gemeend zijn problemen met andere personen te moeten oplossen, namelijk door met een mes op iemand in te steken. Hoewel hij ter terechtzitting spijt heeft betuigd dat [slachtoffer 2] is komen te overlijden, heeft de rechtbank niet de indruk gekregen dat verdachte daadwerkelijk inziet dat wat hij heeft gedaan, fout is.

Voor het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van een persoon komt slechts een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur in aanmerking. Daarnaast dient verdachte een vrijheidsbenemende straf te worden opgelegd voor de zware mishandeling van [slachtoffer 1].

Alles afwegende, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 18 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen

Parketnummer 16-653604-13 (Zwaag)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 152,- wegens materiële schade en een bedrag van € 1.600,- wegens immateriële schade.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder voormeld parketnummer subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden en de rechtbank is van oordeel dat die voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank begroot de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid op € 700,- en de materiële schade op € 152,-, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2012. De vordering kan dan ook tot een bedrag van € 852,- worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Parketnummer 16-702039-13 (Nieuwegein)

De benadeelde partijen [C], [D], [E], [F], [G]en [H](de vader, de moeder en de zussen en de broers van [slachtoffer 2] hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van hun vorderingen. Hun vorderingen strekken tot vergoeding van immateriële en van materiële schade.

Met betrekking tot de immateriële schade

Naar Nederlands recht hebben nabestaanden van een overleden slachtoffer geen mogelijkheid zich te voegen ter zake van een vordering tot affectieschade. Voor zover de vordering van de nabestaanden daarop betrekking heeft, kan die dan ook niet worden toegewezen.

Voor zover die vordering ziet op een tegemoetkoming wegens shockschade oordeelt de rechtbank als volgt. In het civiele recht wordt shockschade slechts vergoed indien sprake is van werkelijk ernstig, in rechte vast te stellen geestelijk letsel die de naaste van het slachtoffer rechtstreeks is aangedaan. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen [D], [C], [E], [H], [G]en [F] is niet van een dergelijk ziektebeeld gebleken. Reeds om die reden kunnen de vorderingen op die grond evenmin worden toegewezen. De rechtbank ziet bij de huidige stand van de wetgeving en jurisprudentie op dit punt, ook beoordeeld in combinatie met hetgeen door de raadsman van de nabestaanden is aangevoerd, geen rechtsgrond om anders te beslissen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen, voor zover die betrekking hebben op een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade niet ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot de materiële schade

De vorderingen strekkende tot vergoeding van geleden materiële schade houden, voor de benadeelde partijen gezamenlijk, in:

- een bedrag van € 4.045,52 wegens reis- en telefoonkosten;

- een bedrag van € 6.000,- wegens kosten voor lijkbezorging.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder voormeld parketnummer bewezen geachte feit rechtstreeks materiële schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank begroot deze schade als volgt.

De reis- en telefoonkosten:

Uit de stukken ter onderbouwing van de vordering en de toelichting hierop van mr. Y. Moszkowicz is de rechtbank gebleken dat de directe nabestaanden [E], [F] [G]en [H](de twee zussen en twee broers van [slachtoffer 2]) naar Marokko zijn gereisd voor de begrafenis van [slachtoffer 2]. De rechtbank stelt vast dat hiertoe de volgende in productie 1 bij deze toelichting genoemde reiskosten zijn gemaakt.

Ten behoeve van de heen- en terugreis van [G]en [F]

- € 351,83

- € 68,81

- € 200,-

- € 50,-

- € 40,-

- € 40,-

- € 68,81

- € 200,-

- € 50,-

- € 351,83

----------- +

€ 1.421,28

Ten behoeve van de heen- en terugreis van [E]en [H]:

- € 12,90

- € 680,- (2/5 x € 1.700,-)

- € 22,-

- € 42,-

- € 22,-

- €12,90

---------- +

€ 791,80

Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van de reiskosten die voor [I], [J] en [K](drie nichtjes van [slachtoffer 2]) zijn gemaakt zal de rechtbank deze niet ontvankelijk verklaren omdat zij geen directe nabestaanden van het slachtoffer zijn. Om deze reden zal de rechtbank het totaalbedrag van € 1.700,- dat voor vliegtickets van [E] [H] [I], [J]en [K]is betaald voor twee vijfde ([E]en [H]) toewijzen. Dit komt neer op een bedrag van € 680,-.

Het is onduidelijk voor de rechtbank hoe de in de toelichting genoemde reiskosten ten bedrage van € 42,-, € 636,- en € 20,38 zich verhouden tot de hierboven opgesomde reiskosten van [E]en [H]. De rechtbank zal de vordering daarom wat deze kosten betreft niet ontvankelijk verklaren.

Uit de stukken ter onderbouwing van de vordering is de rechtbank niet gebleken dat [D]en [C] reiskosten hebben gemaakt voor de begrafenis van [slachtoffer 2]. Om deze reden zal de rechtbank de door hen gevraagde vergoeding van reiskosten niet toewijzen.

Gelet op het voorgaande, begroot de rechtbank de totale reiskosten op € 2.213,08

(€ 1.421,28 + € 791,80). Het staat niet vast welk lid of welke leden van het gezin deze kosten heeft/hebben betaald. De rechtbank acht het evenwel aannemelijk dat deze kosten door [E] [F], [G]en [H] zijn gemaakt. De rechtbank zal dit bedrag daarom voor een vierde deel aan elk van deze vier benadeelde partijen toewijzen, te weten elk tot een bedrag van € 553,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2013.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de directe familie van [slachtoffer 2], bestaande uit de ouders, de twee zussen en de twee broers, een bedrag van € 114,06 aan telefoonkosten wegens het regelen van de begrafenis heeft gehad. Nu niet vast staat welk lid of welke leden van het gezin deze kosten heeft/hebben betaald zal de rechtbank dit bedrag voor een zesde deel aan elk van de zes benadeelde partijen toewijzen, te weten elk tot een bedrag van
€ 19,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013.

De kosten voor lijkbezorging

De rechtbank begroot de kosten voor lijkbezorging naar redelijkheid en billijkheid op

€ 4.000,-. Nu niet vast staat welk lid of welke leden van het gezin deze kosten heeft/hebben betaald zal de rechtbank dit bedrag voor een zesde deel aan de zes benadeelde partijen toewijzen, te weten elk tot een bedrag van € 666,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013.

Concluderend begroot de rechtbank de totale materiële schade voor:
- [D]en [C]op elk € 685,68 (€ 19,01 + € 666,67), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 en voor
- [E], [F], [G]en [H]op elk
€ 1.238,95 (€ 553,27 + € 19,01 + € 666,67), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 over een bedrag van € 685,68 en vanaf 5 augustus 2013 over een bedrag van
€ 553,27.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

In het belang van de benadeelde partijen voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

Behandeling van het restant van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zijn de benadeelde partijen in dat deel van de vordering niet ontvankelijk. De benadeelde partijen kunnen dat deel nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 289 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 16-653604-13 primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 16-653604-13 subsidiair

Zware mishandeling;

Parketnummer 16-702039-13

Moord.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 852,- (zegge achthonderdtweeënvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2012.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1],
    € 852,- (zegge achthonderdtweeënvijftig euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [D]toe tot een bedrag van € 658,68 (zegge zeshonderdachtenvijftig euro en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [D]voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [D], € 658,68 (zegge zeshonderdachtenvijftig euro en achtenzestig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 13 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [C] toe tot een bedrag van € 658,68 (zegge zeshonderdachtenvijftig euro en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [C] voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [C], € 658,68 (zegge zeshonderdachtenvijftig euro en achtenzestig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 13 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [E]toe tot een bedrag van € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 over een bedrag van € 685,68 en vanaf 5 augustus 2013 over een bedrag van € 553,27.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [E]voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [E], € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [H] toe tot een bedrag van € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 over een bedrag van € 685,68 en vanaf 5 augustus 2013 over een bedrag van € 553,27.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [H] voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [H], € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [G]toe tot een bedrag van € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 over een bedrag van € 685,68 en vanaf 5 augustus 2013 over een bedrag van € 553,27.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [G]voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [G], € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [F]toe tot een bedrag van € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013 over een bedrag van € 685,68 en vanaf 5 augustus 2013 over een bedrag van € 553,27.

  • -

    Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [F]voornoemd.

  • -

    Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

  • -

    Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

  • -

    Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [F] € 1.238,95 (zegge duizend tweehonderdachtendertig euro en vijfennegentig cent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

  • -

    Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mrs. I.P.H.M. Severeijns en V. van Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Parketnummer 16-653604-13

Primair

hij op of omstreeks 25 augustus 2012 te Zwaag, gemeente Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] (meerdere malen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 augustus 2012 te Zwaag, gemeente Hoorn, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een klaplong), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] opzettelijk (meerdere malen) met een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp in de rug te steken;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 augustus 2012 te Zwaag, gemeente Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] (meerdere malen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Parketnummer 16-702039-13

hij op of omstreeks 30 juli 2013 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer 2]van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] met een (geprepareerd) mes althans een scherp voorwerp, (met kracht) in de borst (ter hoogte van het hart) en/of in het hart, althans in het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

1 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Noord-Holland Noord, genummerd PL10HR 2012095700-8, van 5 november 2012, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 70.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], doorgenummerde pagina 8.

3 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1], doorgenummerde pagina 14

4 Een geschrift, inhoudende een geneeskundige verklarting, [slachtoffer 1] betreffende, doorgenummerde pagina 11.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 april 2014.

6 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], doorgenummerde pagina’s 36 en 37.

7 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], doorgenummerde pagina’s 41 en 42.

8 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Noord-Holland Noord, genummerd PL10HR 2012095700-8, van 5 november 2012, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 70.

9 Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 april 2014.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde pagina’s 481, 483 en 491.

11 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 45.

12 Aanvullend proces-verbaal, doorgenummerde pagina 209.

13 Proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige, doorgenummerde pagina 259.

14 Een geschrift, inhoudende een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, doorgenummerde pagina’s 222 en 224.

15 Een geschrift, inhoudende een vergelijkend onderzoek van morfologische kenmerken inzake een steekwond bij de heer [slachtoffer 2], geboren [1990], overleden op 30 juli 2013, opgemaakt door A. Maes, forensisch patholoog NFI, doorgenummerde pagina’s 265 en 266.

16 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3], doorgenummerde pagina’s 326 en 327.

17 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4], doorgenummerde pagina’s 359, 361 en 362.