Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
16-070250-93
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/070250-93

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

In de zaak van de officier van justitie tegen

[veroordeelde],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

verblijvende in FPC de Kijvelanden,

te [woonplaats] aan de [adres],

advocaat: mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht,

heeft de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling gevorderd.

Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

- een afschrift van het vonnis van de Rechtbank Utrecht van 28 januari 1994, waarbij

[veroordeelde] (hierna: [veroordeelde]) ter beschikking werd gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege;

- stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 1 april 1996;

- de beslissing van de Rechtbank Utrecht van 23 juni 2008, waarbij de verpleging van

overheidswege voorwaardelijk is beëindigd;

- de beslissing van de Rechtbank Utrecht van 27 april 2012, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling is verlengd voor de duur van twee jaar;

- de vordering van de officier van justitie d.d. 25 februari 2014, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [veroordeelde] met één jaar;

- een verlengingsadvies d.d. 13 februari 2014, opgemaakt door L. van Wijngaarden-De Ridder, werkzaam als reclasseringsmedewerker bij GGZ Bouman Toezicht;

- het Pro Justitia rapport d.d. 7 januari 2014, opgemaakt door D. van Dam, psychiater;

- het Pro Justitia rapport d.d. 15 januari 2014, opgemaakt door J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut;

- het Pro Justitia rapport d.d. 18 januari 2014, opgemaakt door H.A. Gerritsen, forensisch psychiater.

2 De procesgang

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 27 maart 2014 is de officier van justitie gehoord. Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn advocaat.

Voorts is de deskundige L. van Wijngaarden-De Ridder gehoord, werkzaam als reclasseringsmedewerker bij GGZ Bouman Toezicht.

3 Het standpunt van de gedragsdeskundigen

Het standpunt van de gedragsdeskundigen blijkt uit de door hen opgemaakte, onder

1. genoemde rapporten en luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

De diagnose
[veroordeelde] is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een zwakke persoonlijkheidsstructuur en een persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale- en narcistische trekken en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van ernstige verslavingsproblematiek.

In zijn volwassen leven is [veroordeelde] zelden langdurig abstinent geweest en dit wordt inmiddels geaccepteerd door zowel hemzelf als zijn behandelaren. Abstinentie is geen haalbaar doel.

Het recidiverisico

D. van Dam, psychiater, schat de kans op recidive in als nog niet voldoende laag en vindt de resocialisatiedoelen nog niet voldoende behaald om onvoorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling te kunnen adviseren.

J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog en psychotherapeut, schat met behulp van gestandaardiseerde instrumenten het risico van recidive van gewelddadig gedrag groot in. Middels inschatting op klinische gronden, noemt deze deskundige de recidivekans klein.

H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, geeft in zijn rapport aan dat hij de kans op een nieuw agressief delict, indien de terbeschikkingstelling nu zou worden opgeheven en [veroordeelde] niet zou kunnen terugvallen op de huidige Forensisch Beschermde Woonvorm dan wel een vergelijkbare instelling, op de korte termijn als laag inschat en op de middellange termijn en lange termijn als matig tot hoog. Onder de huidige gestructureerde omstandigheden wordt de kans op een geweldsdelict zowel op de korte als op de middellange en lange termijn als laag ingeschat. Hoewel de kans groot is dat [veroordeelde] middelen zal blijven gebruiken, heeft hij in de afgelopen 20 jaar geen geweldsdelicten meer gepleegd, ook niet onder invloed van middelen en in de periode dat hij zelfstandig probeerde te wonen.

Adviezen

D. van Dam, psychiater, adviseert in voornoemd rapport tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog en psychotherapeut, adviseert in voornoemd rapport tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar, met continuering van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, adviseert in voornoemd rapport:

- opheffing van de terbeschikkingstelling, nu het recidiverisico op een geweldsdelict laag wordt ingeschat. Dit op voorwaarde dat [veroordeelde] binnen de GGZ een goed extern kader krijgt aangeboden, al dan niet met een Rechterlijke Machtiging;

- verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

H.A. Gerritsen heeft aangegeven dat de eerstgenoemde optie verantwoord is, maar dat de tweede optie de meeste zekerheid geeft. Hij heeft dan ook een lichte voorkeur voor laatstgenoemde optie, de verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

4 Het standpunt van de reclassering

Het verloop en het effect van de behandeling en behandeldoelen

Uit voornoemd verlengingsadvies, opgesteld door L. van Wijngaarden-De Ridder, reclasseringsmedewerker bij GGZ Bouman Toezicht, volgt dat [veroordeelde] in de afgelopen periode enige gedragsverandering heeft laten zien door meer dan voorheen het geval was zich begeleidbaar op te stellen. Er was sprake van een verbeterde samenwerking tussen de reclassering en [veroordeelde]. Ondanks dat hebben zich wel incidenten voorgedaan, waarbij [veroordeelde] instrumentele dreigende woorden uitte. Als gevolg van een dergelijk incident eind december 2012 in de Forensische Verslavingskliniek van Bouman GGZ (FVK) is besloten om [veroordeelde] te plaatsen op een IBW van Bouman GGZ. Gekozen is voor IBW de Petristraat waar het is toegestaan om op de locatie alcohol te nuttigen en waar het gebruik van drugs buiten de locatie is toegestaan. Na zijn plaatsing in februari 2013 bleek dat het middelengebruik van [veroordeelde], ondanks afspraken die met hem zijn gemaakt om dit gebruik gecontroleerd te houden, sterk is toegenomen. Gelet op dit toegenomen gebruik alsmede een incident dat op 6 januari 2014 plaatsvond en waarbij [veroordeelde] verbale agressie toonde tegen medewerkers van IBW de Petristraat, is [veroordeelde] niet langer welkom bij voornoemde IBW. [veroordeelde] is daarom overgeplaatst naar een klinische afdeling van de FVK, waar hij momenteel verblijft, abstinent van middelen. [veroordeelde] is daar, mede gelet op het feit dat een van de doelen van de FVK het abstinent blijven van middelen is, niet op de juiste plaats.

De reclassering heeft bemerkt dat [veroordeelde] zich, indien gecontroleerd middelengebruik is toegestaan, beter begeleidbaar opstelt. In de komende periode zal worden toegewerkt naar een plaatsing in een BW van Bouman GGZ, waarbij gecontroleerd middelengebruik is toegestaan. Inmiddels heeft een kennismakingsgesprek bij een RIBW van het

Leger des Heils plaatsgevonden. Dit gesprek is goed verlopen. Het is niet duidelijk wanneer [veroordeelde] bij een RIBW geplaatst kan worden.

Recidiverisico

Gedurende de hele periode van terbeschikkingstelling is [veroordeelde] niet teruggevallen in een gewelddelict. Het recidiverisico wordt door voornoemde reclasseringsmedewerker laag geschat.

Advies

Het advies luidt de terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van één jaar en de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege voort te zetten, met wijziging van de bijzondere voorwaarde:

Betrokkene zal zich onthouden van alcohol- en drugsgebruik en verleent zijn medewerking aan de hiertoe geëigende controles.

in:

Betrokkene mag gecontroleerd harddrugs/softdrugs/alcohol gebruiken en indien nodig meewerken aan urinecontroles.

Daarnaast dient de volgende bijzondere voorwaarde, die naar mening van de reclassering is afgerond, te vervallen:



Behandelverplichting: betrokkene werkt mee aan de behandeling door polikliniek Het Dok.

De overige bijzondere voorwaarden dienen onverkort van kracht te blijven.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen.

De officier van justitie kan zich vinden in voortzetting van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en het laten vervallen van de bijzondere voorwaarde inhoudende een behandelverplichting bij Het Dok. De officier van justitie heeft zich verzet tegen het wijzigen van de bijzondere voorwaarden, in die zin dat het [veroordeelde] wordt toegestaan gecontroleerd alcohol en/of drugs te gebruiken.

6 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling dient te worden afgewezen, nu er kritisch moet worden gekeken naar het gevaarcriterium. Subsidiair is de raadsvrouw van oordeel dat de onder voorwaarden beëindigde terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met 1 jaar, zodat er een vinger aan de pols kan worden gehouden en er over 1 jaar bekeken kan worden of de terbeschikkinggestelde zo spoedig mogelijk doorgeleid wordt naar begeleid wonen. De raadsvrouw heeft gepleit voor wijziging van de bijzondere voorwaarden, zoals is geadviseerd door de reclassering.

7 De beoordeling

De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of er in deze zaak sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. Hiertoe stelt zij vast dat de terbeschikkinggestelde – blijkens de bewezenverklaring en kwalificatie – is veroordeeld wegens doodslag.

Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat in het vonnis van de Rechtbank Utrecht van

28 januari 1994 besloten ligt dat de terbeschikkingstelling onder meer is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De terbeschikkingstelling is dus niet gemaximeerd.

Anders dan de verdediging is de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, eist dat de terbeschikkingstelling wordt verlengd.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden om de terbeschikkingstelling te verlengen is voldaan.

De gedragsdeskundigen – op J.P.M. van der Leeuw na - en de reclassering adviseren de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar. Gelet daarop, de verdere inhoud van de rapportages, de inhoud van de overige stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de termijn van de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met één jaar.

Het ingezette traject van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege dient worden voortgezet. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de voorwaarden, zoals aan [veroordeelde] zijn opgelegd, dienen te worden gewijzigd, zoals geadviseerd door de reclassering en zoals hierna is omschreven. Uitgaande van die gewijzigde voorwaarde kan dan worden toegewerkt naar een begeleide woonvorm zoals door de reclassering wordt geadviseerd.

8 Toepasselijke wetsartikelen.

De rechtbank heeft gelet op artikel 38d, 38e en 38i van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing.

De rechtbank:

- verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [veroordeelde] met één jaar;

- bepaalt dat de voorwaarden betreffende zijn gedrag, zoals gesteld bij beslissing van de Rechtbank Utrecht van 23 juni 2008, aangevuld bij beslissing van de Rechtbank Utrecht van
27 april 2012, worden gewijzigd. Eén voorwaarde vervalt en de wijziging is hierna cursief weergegeven.

- bepaalt dat de overige voorwaarden gesteld bij beslissing van de Rechtbank Utrecht van
23 juni 2008, aangevuld bij beslissing van de Rechtbank Utrecht van 27 april 2012, onverkort van kracht blijven.

De voorwaarden betreffende het gedrag van [veroordeelde] komen als volgt te luiden:

  • -

    Betrokkene houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen hem gegeven door de Bouman GGZ Reclassering;

  • -

    Betrokkene onthoudt zicht van recidive en het plegen van andere strafbare feiten;

  • -

    Betrokkene houdt zich aan de afspraken met en aanwijzingen (incl. huisregels enz) van Bouman GGZ, of een soortgelijke instelling;

  • -

    Betrokkene mag gecontroleerd harddrugs/softdrugs/alcohol gebruiken en dient, indien nodig, mee te werken aan urinecontroles;

  • -

    Indien daar aanleiding toe is, zal betrokkene zijn medewerking verlenen aan een klinische detoxificatie binnen Bouman GGZ, of een soortgelijke instelling;

  • -

    Betrokkene zal voorgeschreven medicatie innemen en de aanwijzingen van de behandelende psychiater en/of arts opvolgen;

  • -

    Betrokkene doet zijn best (vrijwilligers)werk te behouden en zal niet zonder toestemming van de reclassering van baan veranderen. Bij eventuele problemen neemt hij contact op met behandelaars binnen Bouman GGZ of reclassering;

  • -

    Betrokkene is bereid zijn dagelijks functioneren en het aangaan van relaties bespreekbaar en inzichtelijk te maken;

  • -

    Betrokkene stelt zich behandel- en begeleidbaar op;

  • -

    Betrokkene verandert niet van adres zonder toestemming van de reclassering;

  • -

    Betrokkene dient in afwachting van een plaats in een beschermde woonvorm zijn medewerking te verlenen aan een opname in een kliniek van Bouman GGZ en zich aldaar te houden aan de aanwijzingen die hem gegeven worden door of namens de reclassering van Bouman GGZ.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.P. Glerum, voorzitter, en mrs. J. Ebbens en
C.S.K. Fung Fen Chung rechters, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. D.A. Groenevelt-Timmer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op
10 april 2014.