Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1485

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
AWB-13_3416
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het persoonlijk belang van eiser om een wapenverlof te hebben minder zwaar weegt dan het door verweerder te beschermen algemeen belang van de veiligheid in de samenleving. De rechtbank overweegt daarbij dat eiser ter zitting heeft verklaard wel gebruik te mogen maken van een vuurwapen van de schietvereniging voor schietwedstrijden alsmede gebruik te mogen maken van een wapen van de kazerne waar hij werkzaam is en dat hem enkel een wapenverlof wordt geweigerd voor het thuis voorhanden hebben van een wapen.

Trefwoorden: geringe twijfel, verlof vuurwapen, veiligheid samenleving, artikel 7 Wwm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/3416

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.H. Sloof),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. R. van den Boom).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2012 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de politieregio Flevoland (de korpschef) de aanvraag van eiser voor het verlenen van verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van de categorie III ten behoeve van de uitoefening van de schietsport afgewezen. Eiser heeft hiertegen administratief beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit vernietigd voor zover deze gebaseerd is op de betrokkenheid van eiser bij brandstichting op 25 juni 1989 en de overlast die eiser veroorzaakt zou hebben door het ongelijnd uitlaten van honden op 26 september 2006. Voor het overige handhaaft verweerder het primaire besluit.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het verlenen van verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van de categorie III ten behoeve van de uitoefening van de schietsport.

2.

Volgens verweerder, beslissend op het administratief beroep van eiser, heeft de korpschef terecht geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat eiser het voorhanden hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd, dan wel dat er reden is te vrezen dat eiser van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken. Verweerder heeft daartoe overwogen dat uit een mutatierapport met het nummer PL2543 2009091417-1, opgemaakt door de regiopolitie Flevoland op 15 december 2009, blijkt dat eiser op 15 december 2009 zijn ex-vrouw tegen een muur in de woning heeft geduwd. Dit mutatierapport bestaat uit verklaringen van de ex-vrouw van eiser, haar zoon en de indrukken van de politieambtenaren die op 15 december 2009 bij eiser thuis zijn geweest naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld. De zoon van de ex-vrouw van eiser heeft verklaard dat zijn moeder al eens eerder mishandeld is door eiser. Bij de desbetreffende politieambtenaren is de indruk ontstaan dat eiser er een erg negatief beeld van vrouwen op nahield, dat eiser weinig bereid was met de politie mee te werken en dat eiser zich erg denigrerend opstelde. Ook blijkt uit het proces-verbaal van aangifte van 10 januari 2012 met het nummer PL2543 2012001992-1 dat eiser op 31 december 2011 zijn ex-vrouw heeft mishandeld door haar keel meerdere malen dicht te knijpen. Overmatig alcoholgebruik speelde een rol bij deze mishandeling. Hoewel de door eiser op 27 september 2002 aangegane transactie met de Officier van Justitie ter zake van overtreding van artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (eenvoudige mishandeling) als gevolg van het tijdsverloop sindsdien geen zelfstandige grondslag vormt voor de weigering van het door eiser aangevraagde verlof, draagt deze wel bij aan de beeldvorming over hoe eiser met geweld omgaat. De afwijzing van de aanvraag is voorts gebaseerd op eisers psychische gesteldheid. Verweerder heeft op basis van het voornoemde mutatierapport en het proces-verbaal van aangifte overwogen dat eiser onder een sterke psychische druk heeft gestaan, wat tot uitdrukking kwam in een onvoorspelbaar gedragspatroon waarbij eiser zichzelf niet meer in de hand had. Nu er als gevolg van relationele problemen sprake was van stressvolle omstandigheden en er verdenkingen van mishandeling bestaan, lijkt eisers psychische gemoedstoestand hiermee niet een dusdanige stabiliteit te vertonen die men mag verwachten bij een wapenverlofhouder. Verweerder heeft in het bestreden besluit eveneens overwogen dat de omstandigheden dat eiser al twintig jaar ervaring heeft met de schietsport, een goede reputatie heeft als sportschutter, al jarenlang dient bij de Koninklijke Landmacht, en dat hij zich door de weigering van het verlof in zijn eer en goede naam voelt aangetast, niet af doen aan het feit dat er op grond van eerdergenoemde proces-verbaal en het mutatierapport op zijn minst geringe twijfel is gerezen aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering op het algemene wettelijke verbod wapens en munitie voorhanden te hebben. Ook het persoonlijk belang van eiser dat hij graag zelf een vuurwapen zou willen aanschaffen voor wedstrijden en dat het hebben van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie daartoe van belang is, leidt voor verweerder evenmin tot het verlenen van een wapenverlof.

3.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (Wwm), voor zover thans van belang, worden de in deze wet genoemde verloven geweigerd indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd.

4.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wwm wordt een verlof geweigerd indien er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik wordt gemaakt.

5.

Bij de toepassing van artikel 7 van de Wwm wordt het beleid gehanteerd dat is neergelegd in de Circulaire wapens en munitie 2013 (Cwm 2013), hiervoor Cwm 2012 II.

6.

Blijkens onderdeel B/1.2 van de Cwm 2013 vormen wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft. Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

7.

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’. Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

8.

De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt procesverbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid. Een geval waarin een proces-verbaal (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is (kan zijn) geweest.

Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn. Uit het feit dat – in afwachting van een eventuele veroordeling – door de korpschef positief op de aanvraag wordt beslist, zou de betrokkene kunnen (en wellicht ook mogen) afleiden dat de korpschef de zaak niet zo ernstig neemt. Deze omstandigheid zal in bestuursrechtelijk opzicht op een later moment een hindernis kunnen vormen bij een beslissing tot intrekking, namelijk op het moment dat de veroordeling (alsnog) een feit is geworden. De bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren en in te trekken is dan ook een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.

9.

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens.

10.

Eiser heeft aangevoerd dat hij de inhoud van het mutatierapport en de aangifte bestrijdt, omdat de daarin opgenomen verklaringen zijn afgelegd door zijn ex-vrouw. De ex-vrouw van eiser is een psychisch labiel persoon met een neiging tot het verkondigen van onwaarheden. Dit blijkt eveneens uit de verklaring van advocaat mr. M. Ras van 2 juli 2013 die eiser ten tijde van zijn echtscheidingsprocedure bijstond. Ook is eiser niet veroordeeld naar aanleiding van de verklaringen van zijn ex-vrouw. Om deze reden kan niet geconcludeerd worden dat de verklaringen van de ex-vrouw van eiser moeten worden beschouwd als bekende feiten.

11.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat volgens onderdeel B/1.2 van de Cwm 2013 en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (ECLI:NL:RVS:2011:BQ4079 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ7551) geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een wapenverlof reeds voldoende reden is om dit verlof niet te verlenen, mits deze twijfel objectief toetsbaar is. De aangifte en het mutatierapport bevatten objectief toetsbare motivering omdat deze niet alleen gebaseerd zijn op de verklaring van de ex-vrouw van eiser, maar ook op een verklaring van de zoon van de ex-vrouw en op de indrukken van de politieambtenaren die bij eiser thuis zijn geweest naar aanleiding van de melding van huiselijk geweld. De stelling van eiser dat zijn ex-vrouw labiel is, met een neiging tot het verkondigen van onwaarheden, doet daarmee niet af aan het gegeven dat verklaringen van verschillende personen de conclusie dat gevreesd moet worden voor misbruik van wapens en munitie onderbouwen. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat in beginsel uitgegaan mag worden van de juistheid van een op ambtseed of ambtsgelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de ABRvS van 29 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5991). Ditzelfde geldt voor hetgeen in een mutatierapport is vastgelegd, zoals blijkt uit de uitspraak van de ABRvS van

31 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR6338). Dat eiser niet is veroordeeld is niet van doorslaggevend belang, nu volgens de Cwm 2013 ook een proces-verbaal en/of een mutatierapport dat niet tot een veroordeling heeft geleid, vrees voor misbruik kan opleveren. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt.

12.

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij het transactievoorstel van € 220,- in 2002 heeft geaccepteerd. Hij heeft deze transactie enkel geaccepteerd omdat de politie hem heeft voorgehouden dat het geschil dan minnelijk zou zijn opgelost. Hij is derhalve door de politie onjuist geïnformeerd. Voorts dateert deze transactie van 10 jaar geleden en wordt hij door het weigeren van het wapenverlof daarvoor buitenproportioneel gestraft.

13.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de transactie van 2002 op zichzelf geen grondslag vormt voor de weigering van het gevraagde verlof. Echter, dit justitieel gegeven schetst wel een beeld over hoe eiser met geweld omgaat. Derhalve is het niet buitenproportioneel om deze transactie bij de beoordeling van de aanvraag van eiser mee te nemen. De motieven van eiser om destijds de transactie te aanvaarden doen daar niet aan af. Van een buitenproportionele bestraffing kan reeds geen sprake zijn, omdat weigering om een wapenverlof te verlenen een bestuursrechtelijk preventief instrument is. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de ABRvS van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7551). De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt.

14.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat er geen twijfel dient te bestaan over de vraag of wapens hem wel kunnen worden toevertrouwd en dat er geen reden is om te vrezen dat hij misbruik zal maken van het verleende verlof. Eiser heeft al 15 jaar een onberispelijke staat van dienst bij het Ministerie van Defensie, zoals blijkt uit de verklaring van Kapitein S.S. Visser van 6 augustus 2013. In zijn functie als korporaal eerste klasse wordt eiser ingezet bij rampenbestrijdingen, evenementen en ceremoniële aangelegenheden als inhuldigingen en herdenkingen. Tijdens zijn werk staan alle aanwezige wapens en munitie op de kazerne tot zijn beschikking. Het kunnen bedienen van een wapen is voor de uitoefening van zijn functie van groot belang. Om zijn vaardigheden te oefenen, doet eiser regelmatig mee aan schietwedstrijden, waarvoor een privé-wapenverlof nodig is. Hierbij zijn nimmer incidenten geweest. Ter onderbouwing hiervan legt eiser enerzijds een verklaring over van de heer

[A], een militair die regelmatig met eiser heeft gewerkt en anderzijds een verklaring van [X], de secretaris van schietvereniging [naam] te [woonplaats], waar eiser lid van is.

15.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze omstandigheden, inclusief de door eiser overgelegde verklaringen, niet afdoen aan de reeds vastgestelde vrees voor misbruik van wapens en munitie. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het persoonlijk belang van eiser om een wapenverlof te hebben minder zwaar weegt dan het door verweerder te beschermen algemeen belang van de veiligheid in de samenleving. De rechtbank overweegt daarbij dat eiser ter zitting heeft verklaard wel gebruik te mogen maken van een vuurwapen van de schietvereniging voor schietwedstrijden alsmede gebruik te mogen maken van een wapen van de kazerne waar hij werkzaam is en dat hem enkel een wapenverlof wordt geweigerd voor het thuis voorhanden hebben van een wapen. Derhalve kan eiser blijven deelnemen aan schietwedstrijden en zijn schietvaardigheid blijven beoefenen. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser een nieuwe aanvraag voor een wapenverlof kan indienen wanneer zijn privésituatie rustiger is. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt.

16.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Janssens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.