Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1445

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
861962 AC EXPL 13-1645 JH/4064
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/198
JAR 2014/92
AR-Updates.nl 2014-0355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 861962 AC EXPL 13-1645 JH/4064

Vonnis van 29 januari 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.D. van der Heiden,

tegen:

de besloten vennootschap

Herubo Lijmwerken B.V.,

gevestigd te Bunschoten-Spakenburg,

verder ook te noemen Herubo,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W. Tijsseling

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 oktober 2013

  • -

    de akte houdende producties van [eiser]

  • -

    de antwoordakte van Herubo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 9 oktober 2013, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

2.2.

In voornoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter [eiser] opgedragen om te bewijzen dat de heren [A] en/of [B] en/of [C] bij Herubo in dienst zijn gebleven (en dus van de ontslagvergunningen geen gebruik is gemaakt) dan wel dat zij inmiddels weer voor Herubo zijn gaan werken.

2.3.

Om te voldoen aan zijn bewijsopdracht heeft [eiser] onder meer verwezen naar de verklaring van Herubo ter zitting van 6 september 2013, te weten “[A] is mijn neef en die helpt wel eens zijn vader mee in het bedrijf waarvoor hij van zijn vader een vergoeding krijgt.” [eiser] heeft voorts een verklaring van de heer [C] overgelegd. In deze verklaring staat, voor zover van belang, het volgende.

“Januari 2012 heeft mijn toenmalige werkgever Herubo Lijmwerken B.V. mij ontslagen. Dit ontslag was goedgekeurd door het UWV. Ik ben, op advies van mijn ex-werkgevers bij Herubo Lijmwerken, bij K&S Flexwerk terecht gekomen. De werkzaamheden die ik voor K&S uitvoerde, waren dezelfde werkzaamheden als dat ik bij Herubo Lijmwerken uitvoerde, namelijk het verlijmen van blokken.

K&S Flexwerk was vanaf 1 februari 2012 mijn werkgever. Ik ging altijd zelfstandig naar de bouw waar ik mijn werkzaamheden meestal alleen uitvoerde. Ik heb in die periode wel een paar keer gemerkt dat ik voor Herubo Lijmwerken B.V. aan het werk was. In die periode, dat ik werkzaam was voor K&S Flexwerk, heb ik 2 of 3 projecten (per project tussen de 2-3 weken) gehad waar ik werkzaam was voor Herubo Lijmwerken. Dit wist ik omdat de voorman op de bouw een ex-collega van mij was, die wel nog steeds werkzaam was bij Herubo Lijmwerken.”

2.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser] in zijn bewijsopdracht geslaagd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit voornoemde verklaring van [C] volgt dat [C], die op 31 januari 2012 uit dienst is getreden bij Herubo, sedert februari 2012 via K&S Flexwerk voor Herubo heeft gewerkt op een aantal projecten. In het door Herubo bij antwoordakte gestelde ziet de kantonrechter geen aanleiding de verklaring van [C] minder betrouwbaar te achten. [C] heeft weliswaar niets verklaard omtrent het gebruik van materialen en bedrijfsauto’s van Herubo op de projecten, maar [C] heeft wel verklaard dat hij gewerkt heeft met een ex-collega, voorman, die nog steeds bij Herubo werkzaam is. Hiertegenover heeft Herubo slechts gesteld dat het niet denkbeeldig was dat de voorman werkte voor een andere onderneming, zoals [onderneming]. Herubo heeft evenwel nagelaten haar verweer nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen, als gevolg waarvan de kantonrechter niet kan vaststellen dat de voorman in die periode niet slechts werkzaam was voor Herubo, doch tevens werkzaamheden heeft verricht voor een andere onderneming.

Door of namens Herubo is ter zitting van 6 september 2013 bovendien verklaard dat ook [A] wel eens tegen een vergoeding werkzaamheden verricht voor Herubo. Voor zover Herubo met de woorden “wel eens” heeft bedoeld te stellen dat [A] na uitdiensttreding slechts incidenteel door Herubo is ingezet voor het verrichten van werkzaamheden, heeft zij haar stelling onvoldoende onderbouwd.

Zowel voor de inzet van [C], als voor de inzet van [A] geldt dat het gelet op hetgeen was gesteld en gelet op de door [eiser] in het geding gebrachte verklaringen op de weg van Herubo, als werkgever, had gelegen om inzage te geven in haar administratie teneinde de frequentie en de omvang van de door [C] en [A] verrichte werkzaamheden voor Herubo vast te kunnen stellen. Herubo heeft dit evenwel nagelaten.

2.5.

Op grond van het voorgaande neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat Herubo ten tijde van het ontslag van [eiser], alsmede kort nadien, andere ex-werknemers heeft ingezet voor het verrichten van dezelfde werkzaamheden als waarmee [eiser] tijdens zijn dienstverband was belast. Dit is voor de kantonrechter reden om aan te nemen dat ten tijde van het ontslag en ook nadien geen (structureel) tekort aan werk was en dat Herubo om haar moverende redenen andere (ex)werknemers dan [eiser] heeft willen inzetten voor de aanwezige werkzaamheden. Aldus is niet komen vast te staan dat de arbeidsplaats van [eiser] structureel is komen te vervallen. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] is geschied op basis van een valse of voorgewende reden, als gevolg waarvan de opzegging kennelijk onredelijk is.

2.6.

Vervolgens is de gevorderde schadevergoeding aan de orde. De kantonrechter dient de hoogte van de schadevergoeding te bepalen met inachtneming van alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag. De schade die de werknemer geleden heeft als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag moet begroot worden, waarbij de gewone regels omtrent de begroting van schade van toepassing zijn. De hoogte van de toe te kennen vergoeding – bij de begroting waarvan de kantonrechter een grote mate van vrijheid heeft – is gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen, en de daaruit voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen voor de werknemer. Artikel 6:97 BW laat de kantonrechter vrij de hoogte uiteindelijk naar billijkheid op een bedrag te begroten.

2.7.

[eiser] heeft een bedrag van € 30.000,-- netto gevorderd. Hij heeft hiertoe gesteld dat zijn schade onder meer behelst de kosten die verbonden zijn aan een goed outplacementtraject, met individuele ondersteuning en coaching, welke kosten worden geschat op € 10.000,--. Volgens [eiser] bestaat daarnaast recht op een schadevergoeding, welke minstens gelijk is aan de aanvulling van de volledige duur van zijn ZW-uitkering tot zijn bruto jaarinkomen als zijn arbeidsovereenkomst in stand was gebleven, hetgeen neerkomt op € 885,09 bruto per vier weken exclusief vakantiegeld. In de periode waarin een ZW-uitkering wordt genoten, te weten tot en met 4 december 2014, bedraagt het inkomensverlies ruim € 20.000,-- bruto, aldus [eiser].

2.8.

Herubo heeft onder overlegging van een uitdraai van de site “hoelangwerkloos.nl” gesteld dat de verwachte duur van de werkloosheid van [eiser] 371 dagen is en dat er een kans van 65% is op uitstroom naar de arbeidsmarkt. Gelet op het lage uitstroompercentage en het feit dat [eiser] thans arbeidsongeschikt is, schat de kantonrechter in dat [eiser] naar alle waarschijnlijkheid ongeveer 18 maanden werkloos zal blijven.

Het door [eiser] genoemde bedrag aan inkomensverlies ad € 885,09 bruto per vier weken exclusief vakantiegeld, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.035,55 bruto per maand, is door Herubo niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan. De hoogte van de door [eiser] geleden inkomensschade kan derhalve worden gesteld op € 1.035,55 bruto per maand vermenigvuldigd met de te verwachten duur van de werkloosheid van 18 maanden. Dit betekent dat een bedrag van afgerond € 18.640,-- bruto aan [eiser] zal worden toegekend.

De kantonrechter acht uit de door Herubo overgelegde stukken niet aannemelijk geworden dat de financiële positie van Herubo het niet toelaat enige financiële voorziening voor [eiser] te treffen. In zoverre schiet het verweer van Herubo tekort.

2.9.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor outplacement overweegt de kantonrechter dat namens Herubo ter zitting van 6 september 2013 is verklaard dat de inspanningen om [eiser] van werk naar werk te begeleiden zich hebben beperkt tot het informeren bij een paar andere lijmbedrijven. Naar het oordeel van de kantonrechter had, zeker gelet op de arbeidsongeschiktheid van [eiser], Van Herubo meer inspanning mogen worden verwacht, zoals het bekijken van mogelijkheden voor omscholing van [eiser]. Teneinde [eiser] (alsnog) in de gelegenheid te stellen op deskundige wijze te worden begeleid naar een mogelijk andere, passende werkkring, zal een vergoeding voor outplacement worden toegewezen. Onder de gegeven omstandigheden wordt een bedrag van € 5.000,-- netto voor outplacementkosten passend geacht.

2.10.

Nu aan [eiser] een bedrag ter zake van schadevergoeding zal worden toegekend, heeft [eiser] geen zelfstandig belang bij de gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Die vordering wordt dan ook afgewezen.

2.11.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als na te melden.

2.12.

[eiser] heeft voorts een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

[eiser] heeft niet of onvoldoende gesteld, gespecificeerd en/of onderbouwd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en/of moeten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten, reden waarom de kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De kantonrechter zal dit onderdeel van de vordering afwijzen.

2.13.

Herubo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht € 448,00

- salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00)

Totaal € 1.340,82

3 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Herubo om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 18.640,-- bruto en € 5.000,-- netto, met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 januari 2012 tot de voldoening;

veroordeelt Herubo tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.340,82, waarin begrepen € 800,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014.