Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1423

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
C-16-349328 - HA ZA 13-567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank handelt niet onrechtmatig jegens financieel tussenpersoon die openlijk sympathiseert met het nazisme, door elke vorm van samenwerking met hem te verhinderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 3:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/165
JONDR 2014/887
JOR 2014/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/349328 / HA ZA 13-567

Vonnis van 7 mei 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.A.M. de Kerf te Goes,

tegen

de naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. D.M. Brinkman te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en SNS Bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 november 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is vanaf 2001 actief geweest als financieel adviseur door middel van een eenmanszaak. Daarbij verrichtte hij zowel werkzaamheden voor eigen klanten als werkzaamheden in opdracht van andere financiële tussenpersonen. Onderdeel van die werkzaamheden was het aanbrengen van hypotheken bij banken.

2.2.

Op 7 februari 2006 hebben [eiser] en SNS Bank een ‘Bemiddelingsovereenkomst hypotheken SNS Bank’ gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). In het kader hiervan heeft [eiser] in de periode tot mei 2010 niet meer dan één hypotheek bij SNS Bank aangebracht.

2.3.

Artikel 5 van de samenwerkingsovereenkomst luidt als volgt:

“De bemiddelingsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door ieder der partijen tegen het einde van een kalendermaand met inachtneming van een opzegtermijn van één maand schriftelijk worden opgezegd.”

2.4.

Artikel 13 van de samenwerkingsovereenkomst luidt, voor zover in deze zaak relevant, als volgt:

“[…] De bemiddelingsovereenkomst kan door de Bank met onmiddellijke ingang en zonder rechterlijke tussenkomst worden beëindigd indien één van de volgende gevallen zich voordoet:

[…]

5. de publieke uitingen van de bemiddelaar stroken niet met het (gewenste) imago van de Bank; […]”

2.5.

Vanaf het begin van deze eeuw tot 2012 is [eiser] lid geweest van de Nederlandse Volks-Unie. Ook is hij in die periode bestuurslid geweest van de Vereniging van Nederlandse Nationalisten en is hij actief geweest binnen Voorpost en op Stormfront, een internetforum.

2.6.

In juli 2008 is onder de naam [naam]! op de website van de groep die zich Antifascistische Actie Nederland noemt een artikel over [eiser] verschenen. In dat artikel staat het volgende:

“[…] Aan het begin van het nieuwe millennium duikt [eiser] op binnen het extreemrechtse landschap. Vanaf 2000, [eiser] is dan 21, gaat hij deelnemen aan het Stormfront-forum. Via dat forum zoekt hij contact met alle mogelijke extreemrechtse organisaties en loopt hij binnen de kortste keren bijeenkomsten af. Aanvankelijk raakt hij betrokken bij Voorpost en bij de Nieuwe Nationale Partij. Wonderlijk genoeg combineert hij dit vanaf het begin met openlijke interesse voor het Derde Rijk en het nationaalsocialisme. Dat is opmerkelijk, omdat de NNP en Voorpost zich veel burgerlijker en gematigder profileren dan bijvoorbeeld de nationaalsocialistische Nederlandse Volks-Unie. Dat deert [eiser] echter niet. Het zal zelfs de rode draad in zijn politieke activiteiten worden om betrokken te raken bij zoveel mogelijk verschillende organisaties. De eerste twee jaar van zijn carrière is [eiser] een erg actieve, maar verder onopvallende extreemrechtse activist, met hooguit een brede interesse. Van medio 2002 verandert dat wanneer [eiser] betrokken raakt bij het anti-antifawerk. (1) Hij maakt foto’s van vermeende tegenstanders bij NVU-demonstraties. Die foto’s laat hij vervolgens plaatsen op de site van [naam] Nederland. [naam] Nederland was een project van de groep neonazi’s rond [A]. Het betrof een website met een grote hoeveelheid willekeurige foto’s, namen en adressen van vermeende tegenstanders, journalisten, politici en willekeurige joden. Vooral het radicaal antisemitische en gewelddadige karakter van de site was opvallend. […] Naast betrokkenheid bij de NVU, NNP en Voorpost wordt hij ook nog lid van de neonazistische gabber-organisatie Stormfront Nederland (SFN) en bestuurslid van de Vereniging van Nederlandse Nationalisten (VNN). Veel diverser kun je het eigenlijk niet krijgen. SFN stond voor een soort rudimentair neonazisme, gecombineerd met een hoog drugs- en hooligangehalte. De VNN wil het nette gezicht van rechtsextremisme zijn: nationalisme, een beetje xenofobie, Groot-Nederland, gecombineerd met een rustige en nette uitstraling. […] Het werd steeds moeilijker voor de objectieve buitenstaander om een touw vast te knopen aan de loyaliteiten van [eiser]. In 2005 bleek dat niet alleen te gelden voor buitenstaanders, maar ook voor NVU-leider [B]. De NVU plaatste toen een uitgebreid scheldstuk over de VNN in het partijblad en op de website. [eiser], die op dat moment nog steeds NVU-lid is, wordt daarin met de grond gelijk gemaakt:

‘Na 3 [Z] marsen te hebben meegelopen in Wunsiedel vraagt menig NVU partijgenoot zich af wat doet een NVU-er als penningmeester bij de VNN? Hij is de weg even kwijt denk ik. […] De organisatie van de VNN is dan ook antinationaal-socialistisch en daarom is [eiser] zijn lidmaatschap kwijt […].

Dat ‘nooit’ en ‘reactionaire krachten’ bij de NVU relatieve begrippen zijn, blijkt een jaar later wanneer het partijblad een ‘eerherstel’ voor [eiser] plaatst en hem als goedmaker gratis lidmaatschap aanbiedt tot en met 2008.

Noten

(1)Extreemrechts wil politieke tegenstanders in kaart brengen en intimideren. Omdat het hier onder andere om antifascisten gaat wordt hier de term “anti-antifa” voor gebruikt. […]”

2.7.

Op de website van de AIVD is over de NVU het volgende vermeld:

“[…] Traditionele antisemitische neo-nazi’s zijn vooral te vinden bij de Nederlandse Volks-Unie (NVU). Zij zien in Adolf Hitler de onbetwiste Führer en kunnen daarom ook wel als Hitleristen worden gezien. De NVU profileert zich naar buiten als een volksnationalistische of volkssocialistische politieke partij en doet ook regelmatig mee aan verkiezingen. Binnenskamers streeft de NVU de oprichting van een eenpartijstaat in Nederland na, waarin volgens het NSDAP-model de NVU uiteraard die ene partij zal zijn. Daarna zal een gewelddadige afrekening met de huidige politici en politieke klasse volgen. De NVU organiseert vrijwel alle rechts-extremistische publieksdemonstraties in Nederland, waarbij zij het volksnationalistische of volkssocialistische karakter uitdragen. […]”

2.8.

Eind 2008, begin 2009 heeft SNS Bank een verzoek van de heer [X] (hierna: [X] ) en [eiser] tot het aangaan van een franchiseovereenkomst afgewezen. In januari 2009 heeft SNS Bank hierover een gesprek gevoerd met [X] en hem meegedeeld dat bij de afwijzing van het verzoek de persoon van [eiser] een rol heeft gespeeld.

2.9.

[eiser] heeft in opdracht van financieel tussenpersoon [naam] Advies bemiddelingswerkzaamheden verricht. Op 25 januari 2010 hebben twee medewerkers van SNS Bank, mevrouw [A] (hierna: [A]) en mevrouw [B] (hierna: [B]), een bezoek gebracht aan het kantoor van [naam] Advies en daar gesproken met de twee directeur-eigenaren, de heer [M] (hierna: [M]) en de heer [O] (hierna: [O]). In een door [B] opgesteld verslag van die bespreking, weergegeven in een e-mail van voornoemde datum, is het volgende vermeld:

“[…] [A] en [B] zijn 25 januari samen op bezoek geweest bij [naam] Advies te [vestigingsplaats].

Aanwezig: [M], [O], [A] en [B] .

Door zowel [M] als [O] bevestigd dat [eiser] NIET meer werkzaam is bij [naam] Advies te [vestigingsplaats]. […]”

2.10.

Op verzoek van [eiser] is [M] in het kader van een voorlopig getuigenverhoor op 10 januari 2013 als getuige bij de rechtbank Midden-Nederland gehoord. Tijdens dat getuigenverhoor heeft [M] het volgende verklaard:

“[…] SNS heeft mij benaderd medio januari 2010. Ik werd gebeld door mevrouw [A] […] Zij vroeg mij of de heer [eiser] werkzaam was bij ons. Dit was het geval. Ik gaf toentertijd leiding aan [naam] Advies. Ik heb aangegeven dat de heer [eiser] op freelance basis bij ons werkte sinds 2009 en dat dit naar volle tevredenheid ging. Mij werd te kennen gegeven dat ik de samenwerking met [eiser] per direct moest beëindigen. Ik heb aangegeven dat ik dat niet van plan was en vroeg haar waarom ik dat zou moeten doen. […] Uiteindelijk heb ik de vraag gesteld of het zou kunnen komen door de extreemrechtse politieke ideeën van [eiser]. Hierop werd bevestigend geantwoord. Ik gaf aan dat ik dit geen reden vond om de samenwerking op te zeggen omdat ik privé en zakelijk gescheiden houd. Mij werd toen verteld dat als ik niet mee zou werken dat SNS de samenwerking met [naam] Advies eenzijdig zou opzeggen. Toen heb ik aangegeven dat ik het verzoek zou uitvoeren, maar wel met tegenzin. Ik ben met mijn rug tegen de muur gezet. Ik had nog 10 à 12 medewerkers en SNS was een grote partij waar wij veel inkomsten mee genereerden. Ik heb opgehangen en ben naar [eiser] gelopen. Ik heb hem de inhoud van het telefoongesprek medegedeeld. Ik heb uitgelegd dat ik geen andere keuze had dan afscheid van hem te nemen. We werkten op freelance basis, dus ik hoefde hem niet op te zeggen. Ik heb hem daarna niet meer opgeroepen. […] U leest mij de eerste vier zinnen van deze e-mail [rechtbank: zie 2.8] voor. Dit klopt. U vraagt mij hoe ik dit rijm met mijn eerdere verklaring met betrekking tot het telefoongesprek. Wij hebben het hooguit een minuut over [eiser] gehad. Dit betrof dus dat hij niet meer bij ons werkzaam was en dat er nog enkele lopende dossiers waren. Het telefoongesprek waarover ik heb verklaard heeft wel degelijk plaatsgevonden. […]”

2.11.

Door middel van een brief van 20 mei 2010 heeft SNS Bank de samenwerkingsovereenkomst opgezegd tegen 20 juni 2010. SNS Bank heeft deze opzegging herhaald in een brief van 21 mei 2010 aan [eiser].

2.12.

Uit een door SNS Bank overgelegde uitdraai blijkt dat op de website AD.nl op

6 september 2010 het volgende bericht is verschenen:

“[…] De neonazi [eiser] heeft de afgelopen maanden bij verschillende klinieken zijn sperma aangeboden omdat hij een sterk blank ras wil stichten. Hij probeerde bij vier spermabanken zijn zaad aan te bieden en eiste daarbij dat zijn zaad alleen aan blanke stellen mocht worden gegeven. Twee klinieken gingen akkoord met zijn eis. Dat bleek vandaag uit onderzoek van de nieuwe actualiteitenrubriek Uitgesproken VARA en onderzoekscollectief [naam]. […] Hij wil zijn ‘Arische zaad’ doneren om zo tegenwicht te bieden aan het hoge geboortecijfer onder moslims. [eiser] wil dat er zoveel mogelijk Arische kinderen op de wereld komen, schrijft hij op de site van het rechtsextremistische Stormfront. Hij verwees daarbij naar het Lebensbornproject van nazi-Duitsland. Doel was om zoveel mogelijk Arische kinderen op de wereld te zetten. […]”

2.13.

In september 2010 is onder de naam [naam]! op de website van de Antifascistische Actie Nederland opnieuw een artikel over [eiser] verschenen. In dat artikel staat het volgende:

“[…] [eiser] begint langzamerhand een van de meest markante neonazi’s van de huidige tijd te worden. Er is veel over hem geschreven in de loop der jaren. […] Maar wie is deze rechtsextremist en waarom blijft hij de aandacht trekken? [eiser] is duidelijk een manusje van alles. Hij doet anti-antifawerk, loopt demonstraties en memorials af, maakt extreemrechtse bijeenkomsten mogelijk, faciliteert borrels, verspreidt neonazi muziek, […], doneert sperma voor zijn eigen Lebensbornproject, […]. In 2008 verscheen in de [naam]! al een uitgebreid artikel over [eiser] […]. Een blik op hoe het [eiser] is vergaan na het verschijnen van dat artikel, laat zien dat er eigenlijk niets is veranderd. […] Daarnaast is zijn betrokkenheid bij praktisch elke klassiek extreemrechtse club in Nederland, van Voorpost tot Blood & Honour en de Nederlandse Volks-Unie (NVU), onveranderd groot. De laatste jaren heeft [eiser] zich binnen extreemrechts echter vooral geprofileerd als de man die zaaltjes regelt voor neonaziconcerten en bijeenkomsten van extreemrechtse groepen, ongeacht het karakter van de organiserende groep. Opvallend hierbij is dat hij een groot werkterrein heeft; van heel dichtbij - zijn eigen garage was geruime tijd de vaste borrelplek van Voorpost Midland - tot over de grens in Vlaanderen en Duitsland. Bij elk extreemrechts concert of bijeenkomst in deze drie gebieden kun je er donder op zeggen dat [eiser] er op een of andere manier bij betrokken is. Steeds weer duikt hij op als contactpersoon of vaker nog; als de huurder. In tegenstelling tot wat gebruikelijk is binnen extreemrechts gebruikt deze neonazi namelijk steevast zijn eigen naam. […]”

2.14.

SNS Bank heeft een zogenoemd Corporate Due Diligence-beleid (hierna: CDD-beleid). Op grond van dit beleid onderzoekt zij of haar klanten, waaronder zij tevens verstaat financiële tussenpersonen met wie zij bemiddelingsovereenkomsten heeft, haar integriteit (en die van de financiële markten als geheel) kunnen schaden.

2.15.

Eind 2010 heeft [eiser] de Commissie Gelijke Behandeling verzocht te onderzoeken of SNS Bank jegens hem onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. In de beslissing die de Commissie Gelijke Behandeling op 24 oktober 2011 heeft gewezen naar aanleiding van dat verzoek staat, voor zover in deze zaak relevant, het volgende:

“[…] Bevoegdheid

3.2

In artikel 6 van de Algemene Wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is bepaald dat onderscheid op grond van politieke gezindheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep.

3.3

De Commissie heeft eerder geoordeeld dat door de weigering van een zorgverzekeraar om een zorgovereenkomst aan te gaan met een huisarts, er sprake is van beperkingen in het verwerven van inkomsten en daarmee in de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep […]. Verzoeker verricht werkzaamheden als vrijgevestigd hypotheekadviseur en oefent als zodanig een vrij beroep uit in de zin van artikel 6 AWGB. Dat het in deze zaak gaat om de grond politieke gezindheid, maakt het voor de beoordeling niet anders. Verzoeker is voor het afsluiten van hypothecaire financieringen afhankelijk van samenwerkingsovereenkomsten met financiële instellingen zoals verweerster. Zonder deze samenwerkingsovereenkomsten wordt verzoeker beperkt in het verwerven van inkomsten en daarmee in de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep. Dit betekent dat het verzoek kan worden getoetst aan artikel 6 AWGB.

Onderscheid

3.4

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen personen op grond van politieke gezindheid. Het artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid dat rechtstreeks verwijst naar politieke gezindheid. Indirect onderscheid is onderscheid op grond van een neutraal criterium, voorschrift of handelen dat personen bijzonder treft in verband met een of meer in de AWGB genoemde gronden.

3.5

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is van onderscheid niet alleen sprake als een van de in de gelijkebehandelingwetgeving genoemde gronden de enige of doorslaggevende reden vormt voor het bestreden handelen, maar ook als deze daarbij mede een rol speelt.

3.6

Met betrekking tot de bewijslastverdeling tussen partijen geldt ingevolge artikel 10 AWGB dat de verzoekende partij in rechte feiten dient aan te voeren die het gestelde onderscheid kunnen doen vermoeden. Indien de verzoekende partij hierin slaagt, is het aan de verwerende partij om te bewijzen dat niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling is gehandeld. Derhalve zal eerst worden onderzocht of feiten zijn komen vast te staan die onderscheid op grond van politieke gezindheid bij de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst kunnen doen vermoeden.

3.7

Verzoeker stelt dat verweerster de samenwerkingsovereenkomst heeft beëindigd vanwege zijn politieke gezindheid. Hij voert hiertoe aan dat verweerster in haar brief van 21 mei 2010 […] zegt dat zij de samenwerkingsovereenkomst ‘om haar moverende redenen’ beëindigt. Als dit commerciële redenen waren geweest, had verweerster de samenwerkingsovereenkomst al veel eerder moeten beëindigen, aldus verzoeker. Hij bracht immers al ruim drie jaar geen hypotheken meer aan bij verweerster. Daarom moet de politieke gezindheid van verzoeker wel de reden voor de beëindiging zijn geweest.

3.8

Verweerster stelt in haar brief van 13 mei 2011 […] dat zij de samenwerkingsovereenkomst om twee redenen heeft beëindigd. Ten eerste heeft zij deze beëindigd om commerciële redenen: verzoeker bracht al lange tijd geen hypotheken aan bij verweerster. Ten tweede heeft verweerster de samenwerkingsovereenkomst beëindigd op basis van haar CDD beleid […]. Dit beleid moet ervoor zorgen dat de financiële instelling niet misbruikt wordt voor de verkeerde doeleinden. Op grond van wet- en regelgeving moet verweerster als financiële instelling haar cliënten kennen en mag zij geen relaties aangaan met personen die het vertrouwen in haar kunnen schaden. Verweerster heeft de verplichting om de integriteit van een klant te onderzoeken. In het “Integriteitbeleid klant” zijn naast algemene uitgangspunten ook richtlijnen opgenomen met betrekking tot witwassen en financiering van terrorisme.

3.9

Naar de mening van verweerster voldoet verzoeker niet aan de eisen die zij op grond van haar CDD-beleid aan haar samenwerkingspartners stelt. Uit onderzoek is gebleken dat verzoeker zich met rechts-extremistische activiteiten bezighoudt. Verweerster heeft daartoe een mediasearch uitgevoerd. Daarnaast heeft zij diverse, niet nader gespecificeerde “interne en externe bronnen” geraadpleegd.

3.10

De Commissie stelt vast dat verweerster in haar processtukken niet nader is ingegaan op de wet- en regelgeving waarop zij zich beroept en op grond waarvan de rechtsextremistische activiteiten van verzoeker niet te verenigen zijn met haar integriteitbeleid. Tevens is verweerster, alhoewel daartoe op de voorgeschreven wijze opgeroepen niet verschenen op de zitting. De Commissie heeft daardoor verweerster daarover niet kunnen bevragen. De processuele gevolgen van het niet verschijnen komen voor rekening van verweerster.

3.11

Gelet op deze omstandigheden moet verweersters verwijzing naar de rechtsextremistische activiteiten van verzoeker als een van de redenen om de samenwerkingsovereenkomst te beëindigen worden beschouwd. Dit is een feit dat kan doen vermoeden dat verweerster jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond van politieke gezindheid bij die beëindiging. Het is derhalve aan verweerster om te bewijzen dat zij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

3.12

De Commissie stelt vast dat verweerster niet heeft weersproken dat zij jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond van diens politieke gezindheid. Daarmee staat vast dat verweerster het genoemde onderscheid heeft gemaakt. Gelet op de rechtstreekse verwijzing naar het rechts-extremistische karakter van de activiteiten van verzoeker, oordeelt de Commissie dat er sprake is van direct onderscheid.

3.13

Direct onderscheid op grond van politieke gezindheid is verboden, tenzij er een wettelijke uitzondering op het verbod van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke uitzondering van toepassing is.

Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat SNS Bank N.V. jegens [eiser] verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep. […]”

2.16.

[eiser] heeft een schriftelijke verklaring overgelegd van [X]. In deze verklaring, gedateerd 19 november 2011, staat het volgende:

“Januari 2009 hebben wij SNS benaderd in verband met een gesprek voor de franchiseformule. Wij wilden een kantoor beginnen in Rotterdam. SNS kwam met een stapeluitdraai van internet over [eiser] en gaven toen aan dat zij niets met [eiser] te maken wensten te hebben. Een franchise kantoor openen voor ons was deze manier onmogelijk voor ons, [eiser] beschikt immers over de benodige diploma’s (afm papieren). Zonder benodigde papieren was het voor ons niet mogelijk een franchise kantoor te openen. […]”

2.17.

Het eerste lid van artikel 3:10 lid 1 van de Wet financieel toezicht (hierna: Wft ) luidt als volgt:

“Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:

  1. belangenverstrengeling wordt tegengegaan;

  2. wordt tegengegaan dat de financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

  3. wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad, en

  4. wordt tegengegaan dat andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.”

2.18.

Sinds begin 2013 is [eiser] 40 uur per week werkzaam in loondienst bij een taxibedrijf als taxiplanner.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht verklaart dat SNS Bank onrechtmatig handelt/heeft gehandeld jegens [eiser] omdat zij hem discrimineert/heeft gediscrimineerd

  • -

    SNS Bank veroordeelt tot het vergoeden van de schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig handelen lijdt, nader op te maken bij staat

  • -

    SNS Bank veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat SNS Bank jegens hem een verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt respectievelijk maakt bij de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep. In verband daarmee voert [eiser] aan dat SNS Bank vanwege zijn politieke achtergrond geen franchiseovereenkomst met hem is aangegaan, [naam] Advies onder druk heeft gezet om niet meer van de diensten van [eiser] gebruik te maken, de in 2006 met [eiser] gesloten samenwerkingsovereenkomst heeft opgezegd en het hem ook nu nog onmogelijk maakt om te werken als financieel adviseur/hypotheekadviseur.

3.3.

SNS Bank voert verweer en concludeert tot ontzegging van [eiser] in zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] (uitvoerbaar bij voorraad) in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele betaling. Primair neemt SNS Bank het standpunt in dat geen sprake is van een verboden onderscheid op basis van politieke gezindheid. In verband daarmee voert SNS Bank aan dat zij op grond van artikel 3:10 lid 1 Wft verplicht is maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat haar integriteit (en die van de financiële markten als geheel) niet wordt geschaad. Het militante, discriminerende gedachtengoed van [eiser] dat hij actief uitdraagt brengt een dergelijk integriteitsrisico mee. Voorts betoogt SNS Bank dat zij op grond van artikel 4:15 lid 3 in verbinding met lid 2 sub b Wft verplicht is erop toe te zien dat de zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten door de tussenpersoon gewaarborgd is en dat die behandeling bij [eiser] niet gewaarborgd is omdat hij grote groepen consumenten als minderwaardig beschouwt. Ten aanzien van de weigering om met [X] en [eiser] een franchiseovereenkomst aan te gaan voert SNS Bank aan dat hieraan ook ten grondslag heeft gelegen dat zij geen vertrouwen had in de wijze waarop [X] en [eiser] van plan waren hun onderneming te gaan drijven. Met betrekking tot de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst is volgens SNS Bank ook sprake van een beëindigingsgrond als bedoeld in artikel 13 sub 5 van die overeenkomst. Subsidiair betoogt SNS Bank dat haar jegens [eiser] op grond van de Wft uitgevoerde beleid een ondergeschikte rol heeft gespeeld en er overwegend andere redenen waren om de samenwerking niet aan te gaan respectievelijk te beëindigen. Primair en subsidiair neemt SNS Bank ook het standpunt in dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het handelen van SNS Bank schade heeft geleden respectievelijk lijdt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Beoordeeld moet worden of SNS Bank een onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft gepleegd. Daarbij is de rechtbank niet gebonden aan de beslissing van de Commissie Gelijke Behandeling van 24 oktober 2011 (zie 2.15). Ook is van belang dat SNS Bank in deze procedure, in tegenstelling tot de procedure die is gevoerd bij de Commissie Gelijke Behandeling, een beroep heeft gedaan op nader aangeduide wettelijke bepalingen waarop zij de uitvoering van haar beleid jegens [eiser] heeft gebaseerd.

4.2.

Vast staat dat SNS Bank in verband met de extreemrechtse activiteiten van [eiser] elke vorm van (indirecte) samenwerking met hem weigert. Daarmee maakt SNS Bank onderscheid naar politieke gezindheid bij de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep van hypotheekadviseur. Op grond van artikel 6 in verbinding met artikel 1 Algemene Wet Gelijke behandeling is dit verboden.

4.3.

Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht is onrechtmatig, tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 BW). Een rechtvaardigingsgrond kan zijn gelegen in een ander wettelijk voorschrift. Het betoog van SNS Bank komt erop neer dat haar gedragingen ten opzichte van [eiser] gerechtvaardigd zijn op grond van het eerste lid van artikel 3:10 Wft (zie 2.17). Dit betoog slaagt. De rechtbank licht dit hierna toe.

4.4.

Op grond van het op 1 januari 2007 in werking getreden artikel 3:10 lid 1 Wft is SNS Bank verplicht een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt. In onderdeel c van dat artikellid is bepaald dat onder een dergelijk beleid wordt verstaan dat wordt tegengegaan dat ‘wegens haar cliënten’ het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad. Wat is bedoeld met ‘wegens haar cliënten’ is niet meteen duidelijk. In artikel 3:17 lid 1 Wft is bepaald dat een bank de bedrijfsvoering zodanig inricht dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt. In het tweede lid van die bepaling is opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, welke regels onder meer betrekking hebben op integriteit. In onderdeel b, 3 van dat tweede lid is bepaald dat onder integriteit wordt verstaan het tegengaan van relaties met cliënten die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden. Gelet op de omstandigheid dat voornoemde bepalingen vrijwel gelijkluidend zijn en niet is gebleken dat met de afwijkende terminologie in de artikelen 3:10 lid 1 onderdeel c en 3:17 lid 2, onderdeel b,3 Wft een wezenlijk onderscheid is beoogd, gaat de rechtbank er vanuit dat met ‘wegens haar cliënten’ in artikel 3:10 lid 1 onder c Wft is bedoeld dat het voeren van een adequaat integriteitsbeleid omvat het tegengaan van relaties met cliënten die het vertrouwen in de financiële onderneming of de financiële markten kunnen schaden.

4.5.

Het wetsvoorstel Wet actualisering en harmonisatie financiële toezichtswetten uit 2001 (kamerstuknummer 28 373) heeft blijkens de memorie van toelichting tot doel gehad de financiële toezichtswetgeving op een aantal onderdelen te actualiseren en te harmoniseren, onder meer door het in die wetten expliciteren van integriteit als onderwerp van toezicht. Het ging hierbij om de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Wtb), de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992), de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf (Wtn) en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993). De hiervoor genoemde wetten zijn samengevoegd in de Wft en de parlementaire toelichting op de Wet actualisering en harmonisatie financiële toezichtswetten is dus relevant voor de uitleg van de bepalingen in de Wft.

4.6.

In de memorie van toelichting bij de Wet actualisering en harmonisatie financiële toezichtswetten is vermeld:

“[…] Onder integriteit kan worden verstaan:

  1. de persoonlijke integriteit van bestuurders en medewerkers;

  2. de organisatorische integriteit van de financiële instelling;

  3. de relationele integriteit;

  4. e integriteit met betrekking tot het marktgedrag van de financiële instelling.

a) […]

b) […]

c) De relationele integriteit heeft betrekking op het marktgedrag van de financiële instelling in haar relatie tot derden alsmede op het gedrag van derden dat de integriteit van de financiële instelling aantast, zoals verzekeringsfraude. Gedacht kan worden aan de toepassing van het <ken-uw-klant> principe oftewel customer due diligence en de naleving van de meldings- en identificatieplicht door de financiële instellingen in het kader van de Wet melding ongebruikelijke transacties en de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993.

d) […]”

4.7.

Het eerste lid van artikel 3:10 lid 1 Wft maakt onderscheid tussen de financiële onderneming, haar werknemers en haar cliënten. Laatstgenoemde groep is in de Wft niet gedefinieerd. Uit de hiervoor weergegeven parlementaire toelichting blijkt dat onder het begrip relationele integriteit valt het gedrag van derden dat de integriteit van de financiële instelling aantast. Gelet hierop verstaat de rechtbank onder cliënt in de zin van artikel 3:10 lid 1 Wft niet alleen een derde aan wie de financiële onderneming tegen betaling door die derde een dienst verricht, maar ook een derde die door de financiële onderneming wordt ingeschakeld in het kader van haar dienstverlening, zoals een tussenpersoon. Dit brengt mee dat [eiser] gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst een cliënt van SNS Bank was. [naam] Advies, met wie SNS Bank (in ieder geval) begin 2010 een bemiddelingsovereenkomst had, was in die periode ook een cliënt van die bank in de hiervoor bedoelde zin.

4.8.

Gelet op het voorgaande is SNS Bank op grond van artikel 3:10 Wft verplicht relaties tegen te gaan met financiële tussenpersonen die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden.

4.9.

Volgens [eiser] heeft een medewerker van SNS Bank, [A], telefonisch van [naam] Advies geëist dat zij de samenwerking met [eiser] staakte. SNS Bank betwist dit. Gelet op het hierna weergegeven oordeel van de rechtbank kan het antwoord op de vraag of SNS Bank die eis heeft gesteld in het midden blijven en zal de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaan van de door [eiser] in dit verband gestelde gang van zaken.

4.10.

De verschrikkingen die de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog hebben aangericht zijn algemeen bekend. Diverse grondrechten van miljoenen Europese burgers zijn door de nazi’s op de meest grove wijze geschonden. Hun overtuigingen, en daarmee ook de overtuigingen van neonazi’s, vullen het overgrote deel van de Nederlandse bevolking met afschuw. Al uit de berichtgeving die in juli 2008 over [eiser] op internet is verschenen (zie 2.6) kon worden afgeleid dat hij openlijk heeft gesympathiseerd met de ideeën van de nazi’s. In het artikel van [naam]! in juli 2008 is zijn lidmaatschap van de NVU genoemd, een volgens dat artikel nationaalsocialistische partij. Dat dit een juiste kwalificatie is blijkt uit de website van de AIVD (zie 2.7). Verder is in het genoemde artikel in het citaat van de NVU-leider vermeld dat [eiser] heeft meegelopen tijdens drie [Z] marsen. Dat [Z] een nazikopstuk was, is een feit van algemene bekendheid. Ter zitting heeft [eiser] bevestigd dat hij aan dergelijke demonstraties heeft meegedaan. Verder is in het artikel vermeld dat [eiser] foto’s heeft gemaakt van vermeende tegenstanders bij NVU-demonstraties en dat hij die foto’s heeft laten plaatsen op een antisemitische website met een gewelddadig karakter, met als doel politieke tegenstanders te intimideren. Door [eiser] is ter zitting bevestigd dat hij dergelijke foto’s heeft gemaakt en dat die zijn geplaatst op een website. Daarbij heeft hij niet weersproken dat die website antisemitisch is.

4.11.

Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij geen neonazi is maar een volksnationalist en niet vindt dat bepaalde bevolkingsgroepen minderwaardig zijn. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Het bericht op de website AD.nl over het aanbieden van sperma door [eiser] aan ziekenhuizen en de tekst over Arische kinderen die hij daarover op een internetforum heeft gezet (zie 2.12), van welk bericht [eiser] de juistheid tijdens de zitting heeft bevestigd, is daarmee in tegenspraak. Maar zelfs indien zou komen vast te staan dat [eiser] nooit een aanhanger is geweest van het nazisme of dat hij daarvan inmiddels afstand heeft gedaan kan hem dat in dit geval niet baten. Door zijn hierboven beschreven openlijke activiteiten heeft hij op zijn minst de schijn gewekt te sympathiseren met het nazisme. Als dat in strijd is met zijn innerlijke overtuiging is dat een omstandigheid die voor zijn risico komt.

4.12.

Financiële tussenpersonen worden vaak beschouwd als het gezicht van financiële instellingen zoals banken. Wanneer een bank gebruik maakt van een financieel tussenpersoon die openlijk sympathiseert met het nazisme kan dit de reputatie van die bank, en daarmee haar integriteit in de zin van de Wft, schaden. Door het googelen van de naam van een dergelijke tussenpersoon kan een (potentiële) klant immers snel uitkomen bij die berichtgeving en daarvan kennisnemen.

4.13.

Niet ieder bericht op internet is waar. Op internet worden ook leugens verspreid met de bedoeling om anderen in een kwaad daglicht te stellen. Wanneer een bank geconfronteerd wordt met berichten op internet waaruit kan worden afgeleid dat een voor haar bemiddelend financieel tussenpersoon sympathiseert met het nazisme, rechtvaardigt dat daarom op zichzelf nog niet dat elke vorm van samenwerking met die tussenpersoon wordt verbroken dan wel in de toekomst wordt verhinderd. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig. Zoals hieronder zal worden toegelicht is daarvan in dit geval sprake.

4.14.

SNS Bank betoogt dat zij om twee redenen geweigerd heeft om met [X] en [eiser] eind 2008/begin 2009 een franchiseovereenkomst aan te gaan. Eén reden was de hiervoor beschreven berichtgeving op internet over [eiser]. Een andere reden was volgens SNS Bank dat zij geen vertrouwen had in de wijze waarop [X] en [eiser] van plan waren hun onderneming te gaan drijven. [X] had niet de juiste vergunningen (zie ook de schriftelijke verklaring van [X], 2.16) en SNS Bank had de indruk gekregen dat het de bedoeling was dat vooral [X] de onderneming zou drijven en [eiser] alleen betrokken was omdat hij beschikte over de vereiste vergunningen. Dat dit inderdaad de bedoeling was is niet door [eiser] weersproken. Contractsvrijheid is een van onze rechtsbeginselen. Het staat SNS Bank in beginsel vrij om zelf te bepalen met wie zij een overeenkomst wil sluiten. Gelet op dit beginsel en op grond van het gerechtvaardigde gebrek aan vertrouwen in de samenwerking met [X] stond het SNS Bank vrij om geen franchiseovereenkomst met [X] en [eiser] aan te gaan.

4.15.

Vast staat dat SNS Bank in januari 2009 [X] heeft meegedeeld dat bij de afwijzing van het franchiseverzoek de persoon van [eiser] een rol heeft gespeeld, onder meer omdat [eiser] op internet naar voren was gekomen met neonazistische en racistische denkbeelden. Uit de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaring van [X] blijkt dat SNS Bank [X] toen een stapel uitdraaien van internet over [eiser] heeft getoond. Het is aannemelijk dat [X] [eiser] kort na dat gesprek van de inhoud daarvan op de hoogte heeft gesteld. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] vervolgens contact heeft opgenomen met SNS Bank om de aan [X] getoonde en met hem besproken berichtgeving over [eiser] te ontkrachten. Hieruit heeft SNS Bank mogen afleiden dat voornoemde, door haar destijds geraadpleegde berichtgeving over [eiser] geheel of grotendeels juist was. Doordat het nazisme bij veel mensen gevoelens van woede en angst oproept en [eiser] bevoegd was om te bemiddelen in hypotheken van SNS Bank, zowel in het kader van zijn eenmanszaak als via [naam] Advies, kon genoemde berichtgeving de reputatie van SNS Bank, en daarmee haar integriteit, schaden. Dergelijke reputatieschade kan voor een financiële instelling als SNS Bank zulke verstrekkende gevolgen hebben dat die instelling haar belangen zwaarder mag laten wegen dan die van een individuele tussenpersoon, ook al betekent dit dat deze wordt beperkt in de mogelijkheden tot uitoefening van zijn beroep. De conclusie luidt dan ook dat het SNS Bank vrij stond om de samenwerkingsovereenkomst met [eiser] te beëindigen en om van [naam] Advies te eisen dat zij haar samenwerking met [eiser] zou beëindigen. SNS Bank heeft hiermee niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser].

4.16.

Uit het betoog van [eiser] leidt de rechtbank af dat hij het standpunt inneemt dat SNS Bank ook onrechtmatig jegens hem handelt wanneer zij hem in de toekomst verhindert werkzaamheden voor andere financiële tussenpersonen uit te voeren. Gelet op het voorgaande en op de berichtgeving over [eiser] op internet in september 2010 (zie 2.12-2.13), waarvan de juistheid niet door [eiser] is betwist, volgt de rechtbank [eiser] niet in dat standpunt.

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SNS Bank worden begroot op:

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.493,00

De nakosten, waarvan SNS Bank betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van SNS Bank tot op heden begroot op € 1.493,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser], onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door SNS Bank volledig voldoet aan de in 5.2 vermelde veroordeling, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2014.1

1 type: JvdB/4223 coll: RS