Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1349

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
16-653812-13 en 16-654590-12 (tul algemene voorwaarden)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot medeplegen brandstichting - jeugddetentie van 90 dagen waarvan 67 dagen voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar en bijzondere voorwaarden maatregel Hulp en Steun + tenuitvoerlegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/653812-13 en 16/654590-12 (tul algemene voorwaarden) (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 januari 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1996],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. K.R. Koopman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander heeft geprobeerd een auto in brand te steken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft geprobeerd om samen met een ander een auto in brand te steken en verwijst hiervoor naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Allereerst is, naar de mening van de verdediging, er geen enkele aanwijzing dat sprake is geweest van vuur op de plaats delict, laat staan dat er bewijs is dat het verdachte is geweest die betrokken zou zijn bij een eventuele poging tot brandstichting. De feitelijke handeling om brand te stichting kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld, waardoor geen sprake kan zijn van een strafbaar feit. Als er al brand is geweest, is dat een rol papier geweest die gebrand heeft en daarmee is een eventueel delict voltooid. Subsidiair is de verdediging van mening dat er geen begin van uitvoering is geweest, nu niet bewezen kan worden dat de auto is besprenkeld met een brandbare stof. Een gering spoor van motorbenzine op de kleding is ontoereikend bewijs voor een poging brandstichting. De verdediging verwijst naar het Eindhovense brandstichting arrest dat door de Hoge Raad is gewezen. Daar komt bij dat rondom de auto genoeg ruimte was waardoor geen gevaar voor andere goederen kon ontstaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Bewijsmiddelen

Op 29 september 2013 doet [benadeelde]aangifte van een poging tot brandstichting aan zijn auto, een witte Audi Q5 met kenteken [kenteken]. Hij had de auto bij het pand van de Gamma, aan de Vleutensevaart geparkeerd op 28 september 2013 rond 23:00 uur en was later die nacht aangesproken door de politie, die hem vertelde dat was geprobeerd zijn auto in brand te steken.2

De politie was ter plekke omdat [getuige] de politie had gebeld in de nacht van 28 op 29 september 2013. Hij verklaart dat hij in een woning aan het Spinozaplantsoen in Utrecht was en een jongen met een rood-grijze brommer aan zag komen rijden. Even later verscheen nog een jongen. Deze jongen haalde volgens getuige een jerrycan onder het zadel van de scooter vandaan en samen liepen de jongens naar de Gamma achter het Spinozaplantsoen en gingen allebei bij een grote witte auto staan, die als laatste in de rij stond.3 Ze stonden aan de bestuurderskant, direct bij de auto. Hij zag de jongens teruglopen in de richting van de scooter, zag ze vervolgens de scooter starten en teruglopen naar de witte auto, terwijl de motor van de scooter bleef draaien. Toen de politie aan kwam rijden, liepen de jongens weg en verstopte één van de jongens zich tussen de auto’s. De getuige zag dat de politie de jongen die als eerste op de scooter aan was komen rijden aanhield.4 Deze jongen, die door de politie ter plekke wordt aangehouden, blijkt [verdachte] te zijn.5 Verbalisant [A]verklaart dat, op het moment dat de politie aan komt rijden, hij de afstand tussen de witte Audi en de persoon die hij ziet die een helm droeg inschat tussen een halve meter en een meter. Verder verklaart hij op dat moment een sterke benzinelucht te hebben

geroken toen hij [verdachte] staande hield, een lucht die ter hoogte van de witte Audi het sterkst is.6 De politie vindt naast de witte Audi, waarvan het kenteken [kenteken] is,7 papier op de grond, waarvan er gedeeltes verbrand waren. Ook zien ze vloeistof op het dak en aan de achterzijde van de Audi. In de nabijheid van de Audi bevinden zich ook andere auto’s.8 Verdachte wijst als hij wordt aangehouden een scooter aan waarvan hij zegt dat die van hem is.9 In de buddyseat van deze scooter wordt een jerrycan aangetroffen.10 De jerrycan en de sporen van de vloeistof op de auto worden veilig gesteld om door het Nederlands Forensisch Instituut te laten onderzoeken.11 Op de jerrycan (SIN AAGI2598NL) wordt motorbenzine aangetroffen.12 De bemonstering van de vloeistof die op de auto is aangetroffen (SIN AAGI2605NL) bevat tevens benzine.13 Ook op de kleding van verdachte (SIN AAGI2601NL en SIN AAGI2602NL) wordt een kleine hoeveelheid vluchtige stoffen aangetroffen die aanwijzing geven voor de aanwezigheid van motorbenzine.14

Bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 op 29 september 2013 op de plaats delict aanwezig is geweest, maar dat hij een nieuwe discotheek zocht en niets met een poging brandstichting te maken heeft. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk vanwege de uiterlijke verschijningsvorm van de situatie in combinatie met de bovengenoemde bewijsmiddelen.

Dat er geen vuur is waargenomen maakt in dit geval niet dat de poging brandstichting niet bewezen kan worden nu uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte en de medeverdachte door de politie zijn onderbroken in hun handelingen.

Verder blijkt uit het besprenkelen dan wel overgieten van de auto met benzine duidelijk dat de opzet was om de auto in brand te steken en dat de rol papier hiertoe als middel werd gebruikt.

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen. De rechtbank is van oordeel dat wel degelijk sprake was van gemeen gevaar voor goederen, nu in de directe omgeving andere auto’s geparkeerd stonden. Dit is te zien op de foto’s die in de bewijsmiddelen worden genoemd. Door de rechtbank is deze waarneming ter zitting gedaan.

Gezien bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd om een auto in brand te steken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 29 september 2013 te Utrecht, ter uitvoering van het door hem en zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand te stichten in/aan een (nabij het Spinozaplantsoen geparkeerd staande) auto (merk Audi, kleur wit), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet

- voornoemde auto overgoten met benzine en

- een rol papier in de nabijheid van die auto in brand gestoken, zodanig dat deze rol papier zwart geblakerd is geraakt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

het medeplegen van een poging tot brandstichting.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 2 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daarbij als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich in het kader van een maatregel Hulp en Steun moet houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven door de jeugdreclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen vervangende jeugddetentie als deze niet of niet naar behoren wordt verricht, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om te volstaan met enkel de werkstraf die door de officier van justitie is geëist. Daartoe geeft de verdediging aan dat verdachte al bijna vier weken in voorarrest heeft doorgebracht, wat al een hogere straf zou zijn dan hetgeen in de richtlijnen van het OM voor jeugdigen staat. Daar komt bij dat het goed gaat op school en stage. De verdediging verzoekt de rechtbank om niet een proeftijd van drie jaar op te leggen, nu hiervoor geen enkele aanleiding is en de officier van justitie ook geen nadere motivatie heeft gegeven.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft geprobeerd om brand te stichten in een auto, die als gevolg hiervan uit had kunnen branden. Bovendien hadden de andere auto’s en het bedrijfspand die zich in de nabije omgeving bevonden gevaar kunnen lopen. Het is een ernstig feit wat gevoelens van onveiligheid versterkt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 november 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar nooit eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 oktober 2013 en 3 januari 2014. Geadviseerd wordt om verdachte een (deels) voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarde een maatregel Hulp en Steun.

Mevrouw [B] van Bureau Jeugdzorg heeft ter zitting verklaard dat een maatregel Hulp en Steun waarschijnlijk de beste strafafdoening is voor verdachte. Een ITB-maatregel is niet geïndiceerd omdat [verdachte] verbetering heeft laten zien de laatste tijd. Hij heeft zelf, met ondersteuning van mevrouw [B], zijn schoolgang weer op de rit gezet en een stage geregeld. Het is wel nodig dat er enig toezicht is, [verdachte] kan het nog niet alleen. Maar dit toezicht hoeft niet zo intensief te zijn dat een ITB-maatregel opgelegd dient te worden, volgens mevrouw [B].

De rechtbank acht het feit zo ernstig dat hiervoor een deels voorwaardelijke jeugddetentie passend is en zal aan verdachte een jeugddetentie opleggen van 90 dagen waarvan 64 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn eis om aan verdachte een proeftijd van 3 jaren op te leggen, nu uit de wet een proeftijd met een duur van maximaal 2 jaar volgt. De rechtbank volgt wel het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om aan verdachte een maatregel Hulp en Steun op te leggen. De rechtbank acht dit van belang om de positieve lijn die verdachte heeft weten te vinden vast te houden en hem, door middel van de voor hem beschikbare hulpverlening, een steuntje in de rug te geven wanneer dit nodig is.

9 Het beslag

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de volgende spullen die in beslag zijn genomen teruggegeven kunnen worden aan verdachte:

  • -

    Telefoon Samsung wit (goednummer PL0910-2013218485-983004)

  • -

    Vest van het merk Divided (goednummer PL0910-2013218485-982258)

  • -

    Spijkerbroek (goednummer PL0910-2013218485-982259)

  • -

    Jas zwart van het merk H&M (goednummer PL0910-2013218584-982260)

  • -

    Shirt rood/blauw/wit van het merk Hugo Boss (goednummer PL0910-2013218485-982262)

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het standpunt van de officier van justitie.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de volgende goederen kunnen worden teruggegeven aan verdachte:

  • -

    Telefoon Samsung wit (goednummer PL0910-2013218485-983004)

  • -

    Vest van het merk Divided (goednummer PL0910-2013218485-982258)

  • -

    Spijkerbroek (goednummer PL0910-2013218485-982259)

  • -

    Jas zwart van het merk H&M (goednummer PL0910-2013218584-982260)

  • -

    Shirt rood/blauw/wit van het merk Hugo Boss (goednummer PL0910-2013218485-982262)

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 18 oktober 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/654590-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 november 2012 gewezen door de kantonrechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met en proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven door de jeugdreclassering in het kader van een maatregel Hulp en Steun en de aanwijzingen die hem worden gegeven door zijn gezinsvoogd en ten slotte dat hij niet ongeoorloofd school mag verzuimen.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen nu het een andersoortige zaak betreft waarvoor verdachte momenteel terecht staat.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, nu vrijspraak is bepleit. Subsidiair is de verdediging het eens met de officier van justitie, namelijk dat afwijzing dient te volgen omdat dit een andersoortige zaak betreft.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Hiermee heeft verdachte de algemene voorwaarden die gekoppeld waren aan de voorwaardelijk opgelegde straf overtreden. De rechtbank ziet aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf gedeeltelijk te gelasten, te weten voor de duur van 30 uur, te vervangen door 15 dagen jeugddetentie indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht. De rechtbank kiest voor een gedeeltelijke tenuitvoerlegging om te voorkomen dat (bij een volledige tenuitvoerlegging en hoger beroep tegen de hoofdzaak) de begeleiding geheel zou komen stil te liggen, hetgeen onwenselijk zou zijn.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging in vereniging opzettelijk brand te stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een jeugddetentie van 90 dagen waarvan 67 dagen voorwaardelijk;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast

- de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel kan worden gelast, indien veroordeelde zich niet aan de volgende voorwaarden houdt.

- Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

o Zich in het kader van een maatregel Hulp en Steun gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling dat nodig vindt.

- Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie.

Vordering tot tenuitvoerlegging 16/564590-12

- Bepaalt dat de voorwaardelijk opgelegde straf deels ten uitvoer zal worden gelegd, bestaande uit een werkstraf van 30 uur, te vervangen door 15 dagen jeugddetentie indien deze niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd.

Beslag

- Gelast de teruggave aan verdachte van:

o Telefoon Samsung wit (goednummer PL0910-2013218485-983004)

o Vest van het merk Divided (goednummer PL0910-2013218485-982258)

o Spijkerbroek (goednummer PL0910-2013218485-982259)

o Jas zwart van het merk H&M (goednummer PL0910-2013218584-982260)

o Shirt rood/blauw/wit van het merk Hugo Boss (goednummer PL0910-2013218485-982262)

Voorlopige hechtenis

- Heft op de -reeds geschorste- voorlopige hechtenis van verdachte

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J.M. Mol, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. E.A.A. van Kalveen en A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 29 september 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door hem en/of zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/aan een (op of nabij het Spinozaplantsoen geparkeerd staande) auto (merk Audi, kleur wit) en/of een rol, althans een hoeveelheid, papier, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet

- voornoemde auto overgoten, althans besprenkeld, met benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of

- een rol, althans een hoeveelheid, papier in de nabijheid van die auto in brand gestoken, althans geprobeerd in brand te steken (zodanig dat deze rol, althans hoeveelheid, papier zwart geblakerd is geraakt), in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met voornoemde rol, althans hoeveelheid papier, althans met (een) brandbare stof(fen),

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL091A-2013218485, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 22 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 24 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 25 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 26 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 29 en 31 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 31 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

8 Fotomap, pagina 87 en 88 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 29 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 30 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 80 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

12 Rapportage NFI onderzoek, pagina 70 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

13 Rapportage NFI onderzoek, pagina 70 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.

14 Rapportage NFI onderzoek, pagina 75 van het proces-verbaal genoemd onder voetnoot 1.