Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1338

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
UTR 13-5256
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In zijn bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat aan de werkgever ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift in zoverre moet worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om de werkgever een loonsanctie op te leggen. Het bestreden besluit moet in zoverre dan ook worden aangemerkt als primair besluit op die aanvraag. Het beroep van eiser, voor zover dat is gericht tegen de weigering een loonsanctie op te leggen, moet vervolgens worden aangemerkt als bezwaarschrift

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/5256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. van den Os),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiser het primaire besluit herroepen en hem met ingang van 11 maart 2013 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder tevens beslist de werkgever van eiser geen verplichting tot loonbetaling op te leggen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft de middelbare technische school (mts) in de vakrichting elektrotechniek gevolgd en heeft in 1996 zijn diploma behaald. Eiser was als servicemedewerker betaalsystemen voor 40 uur per week werkzaam bij Quarto Plus B.V. (de werkgever). Op 14 maart 2011 viel hij uit vanwege psychische klachten. Eiser heeft verweerder op 25 april 2012 verzocht een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over de vraag of de werkgever ten aanzien van eiser voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht. Nadien heeft ook de werkgever daartoe een verzoek gedaan. Verweerder heeft naar aanleiding van die verzoeken tweemaal een dergelijk deskundigenoordeel gegeven. Op 21 december 2012 heeft eiser een verzoek ingediend om hem tegen het einde van de wettelijke wachttijd per 11 maart 2013 (de datum in geding) een uitkering op grond van de Wet WIA (WIA-uitkering) toe te kennen.

2.

De WIA-uitkering die aan eiser bij het bestreden besluit is toegekend, heeft verweerder berekend naar een verlies aan verdienvermogen van 36,11 % en naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80 %. In het bestreden besluit heeft verweerder verder aangegeven dat er geen aanleiding is om af te wijken van zijn eerdere conclusie dat de

re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende waren.

3.

Het beroep van eiser richt zich zowel tegen de beoordeling door verweerder van zijn arbeidsgeschiktheid als tegen het nalaten door verweerder om aan de werkgever een verlenging van diens loondoorbetalingsverplichting op te leggen.

De beslissing over de WIA-uitkering

4.1.

Eiser voert aan dat hij ten tijde van de datum in geding medisch gezien meer beperkingen ondervond dan die waarvan verweerder op grond van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan. Eiser heeft in bezwaar stukken van behandelaars overgelegd waaruit blijkt dat hij concentratieproblemen heeft, wat volgens hem zou moeten leiden tot het aannemen van psychische beperkingen die verweerder niet heeft meegewogen. Ook wijst hij op zijn lage score die zijn Global Assessment of Functioning (GAF) oplevert. Verder blijkt volgens eiser uit de stukken van de behandelaars dat zijn rugklachten door verweerder niet goed zijn beoordeeld.

4.2.

Verweerder erkent het bestaan van concentratieproblemen en stelt zich op het standpunt dat die ertoe hebben geleid dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid zijn gesteld. Voor het aannemen van beperkingen op het gebied van het verdelen van de aandacht is bij eiser geen aanleiding, aldus verweerder. Ook de rugklachten van eiser worden door verweerder erkend en zijn naar zijn oordeel in voldoende mate meegewogen bij de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen fysieke beperkingen.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat aan rapportages opgesteld door een verzekeringsarts, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een bijzondere waarde toekomt in die zin, dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Daarvoor is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA3794).

4.4.

In de brief van 10 september 2012 van A. van der Gaag, psychiater, wordt onder het kopje ‘psychiatrisch onderzoek’ opgemerkt dat eiser een slechte concentratie heeft. In de brief van 2 april 2013 van M.C. Dekker, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, wordt dit herhaald. In de brief van 25 januari 2013 van S.P.M. van Egeraat, anesthesioloog- pijnbestrijder, wordt geconcludeerd dat eiser aspecifieke pijnklachten heeft in de rug. In de brief van 20 maart 2013 van M. Blom, chiropractor, wordt aangegeven dat eiser rugklachten heeft met uitstraling in het been en dat op een MRI-scan duidelijk een uitstulping van de tussenwervelschijf zichtbaar is, die mogelijk een deel van de uitstralende klacht in het been veroorzaakt. Daarbij merkt de chiropractor op dat hij eiser onlangs niet meer heeft gezien op het spreekuur en dat hij daarom geen objectieve bevindingen kan beschrijven. In de functionele mogelijkhedenlijst (FML), die is opgesteld door de verzekeringsarts ten behoeve van het primaire besluit en waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapportage heeft geoordeeld dat die ongewijzigd diende te blijven, worden de volgende specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid gesteld:

  • -

    de cliënt is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, kan niet flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud;

  • -

    afgebakende taken, geen stressvolle werkomgeving.

In de FML zijn verder als gevolg van de rugklachten van eiser beperkingen aangenomen met betrekking tot dynamische handelingen en statische houdingen.

4.5.

Eiser heeft niet aangevoerd dat de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsistenties bevat of niet concludent is. Hij kan zich echter niet vinden in de conclusies die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verbonden aan de door eiser in bezwaar overgelegde brieven van de (medische) behandelaars, voor wat betreft de psychische problematiek. Nu hij in beroep echter geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd ter staving van dit standpunt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven beoordeling, waarin ook de concentratieproblemen zijn meegewogen, onjuist is en dat in de FML in dit kader meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt bovendien dat de GAF-score slechts een indicatie vormt voor de belastbaarheid van eiser, maar dat de uiteindelijk vastgestelde beperkingen doorslaggevend zijn. De rechtbank overweegt met betrekking tot de rugklachten van eiser dat de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarover is gebaseerd op de diagnose van de anesthesioloog-pijnbestrijder, die uitgaat van aspecifieke rugklachten. De enkele verwijzing naar de brief van de chiropractor is onvoldoende om aannemelijk te maken dat dit oordeel en de op grond daarvan in de FML aangenomen beperkingen onjuist zijn. Daarbij acht de rechtbank van belang dat een chiropractor geen arts is en daarom niet bevoegd is een oordeel te geven over de medische situatie van eiser en daarnaast dat de chiropractor zelf ook reeds heeft aangegeven dat hij geen objectieve bevindingen kan beschrijven. In wat eiser heeft aangevoerd heeft de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1.

Eiser voert verder aan dat het opleidingsniveau waar de arbeidsdeskundige vanuit is gegaan onjuist is, omdat de door hem gevolgde mts-opleiding niet gelijk gesteld kan worden met een mbo-opleiding op niveau 4. Verweerder is van oordeel dat een dergelijke gelijkstelling wel aangewezen is en dat het door de arbeidsdeskundige toegewezen opleidingsniveau 5 daarom juist is.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zich bij de vaststelling van het opleidingsniveau heeft gebaseerd op de in de ‘Basisinformatie CBBS’ (Basisinformatie) daartoe opgenomen tabel. Het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) wordt blijkens vaste rechtspraak aanvaard als ondersteunend systeem bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, een verzekerde arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de Wet WIA en de Basisinformatie is een handleiding voor de verzekeringsartsen bij het beoordelen en vaststellen van beperkingen. De handleiding geeft aanwijzingen aan de verzekeringsartsen hoe om te gaan met het CBBS als ondersteunend systeem en bevat bepaalde uitgangspunten en handvatten. Niet in geschil is dat in de Basisinformatie mbo-opleidingen op niveau 1 en 2 zijn ingedeeld in opleidingsniveau 3, mbo-opleidingen op niveau 3 in opleidingsniveau 4 en mbo-opleidingen op niveau 4 in opleidingsniveau 5. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de door eiser gevolgde mts-opleiding gelijkgesteld kan worden met een mbo-opleiding op

niveau 4. Zij beantwoordt die vraag bevestigend. Daarvoor is van belang dat in de Basisinformatie onder opleidingsniveau 5 voorts zijn ingedeeld ‘opleidingen die toelating geven tot niveau 6 afgesloten met diploma’ en dat opleidingen aan een hogere technische school (hts) zijn ingedeeld in opleidingsniveau 6. De rechtbank overweegt dat van algemene bekendheid is dat een voltooide mts-opleiding toegang gaf tot een opleiding aan een hts. Dit leidt tot het oordeel dat de door eiser afgeronde mts-opleiding in de Basisinformatie moet worden ingedeeld in opleidingsniveau 5. Wat eiser hierover heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

6.

Eiser heeft ten slotte in zijn beroepschrift aangevoerd dat de in het arbeidskundig onderzoek geduide functies – op grond waarvan de theoretische verdiencapaciteit van eiser is vastgesteld – voor hem te belastend en niet passend zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze geduide functies passend zijn, gelet op de op basis van het medisch onderzoek bij eiser vastgestelde beperkingen. Eiser heeft vervolgens ter zitting aangegeven dat de geduide functies inderdaad passend zouden zijn, indien zou worden uitgegaan van de juistheid van de ten aanzien van hem vastgestelde medische beperkingen. Nu de rechtbank in rechtsoverweging 4.5. tot het oordeel is gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling en de daaruit volgende beperkingen onjuist zijn, slaagt deze beroepsgrond evenmin.

De beslissing over de loonsanctie

7.1.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd aan de werkgever een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA (loonsanctie) op te leggen. Volgens eiser heeft verweerder zich onvoldoende ingespannen om hem in zijn functie binnen het bedrijf zijn werkzaamheden te laten hervatten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkgever zich voldoende heeft ingezet om de re-integratie van eiser te bewerkstelligen.

7.2.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak het volgende volgt. Wanneer een verzekerde bij zijn aanvraag om een WIA-uitkering of later in die procedure aan verweerder verzoekt om – in plaats van aansluitend op de wettelijke wachttijd een uitkering toe te kennen – de werkgever een loonsanctie op te leggen, doet hij daarmee een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder dient in dat geval een beslissing te nemen op dat verzoek; die beslissing is dan aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, ook indien het verzoek wordt afgewezen. Tegen een dergelijke beschikking staat afzonderlijk – los van het besluit op de aanvraag om een WIA-uitkering – bezwaar en beroep open. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de CRvB van 6 februari 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BC4481) en

2 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK5131).

7.3.

In zijn bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat aan de werkgever ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift in zoverre moet worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om de werkgever een loonsanctie op te leggen en dat dit verzoek is aan te merken als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb waarop verweerder diende te beslissen.

7.4.

De rechtbank stelt verder vast dat uit de aanvraag van eiser van 21 december 2012 om een WIA-uitkering niet volgt dat hij reeds toen (ook) heeft verzocht de werkgever een loonsanctie op te leggen. Eiser heeft evenmin op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij een dergelijk verzoek heeft gedaan voordat verweerder op 8 maart 2013 het primaire besluit nam. Omdat uit artikel 4:1 van de Awb volgt dat dergelijke verzoeken schriftelijk moeten worden ingediend, maakt de omstandigheid dat eiser, tijdens zijn re-integratietraject of in de procedure die tot zijn WIA-uitkering heeft geleid, er bij verweerder mondeling op heeft aangedrongen een loonsanctie op te leggen dit niet anders. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beoordeling door verweerder in het primaire besluit van de re-integratie-inspanningen en het re-integratieverslag van de werkgever moet worden aangemerkt als ambtshalve beoordeling, zoals verweerder ter zitting ook heeft aangegeven en waartoe hij ook gehouden is.

7.5.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende arbeidskundige beoordeling inhoudelijk is ingegaan op de aanvraag van eiser om een loonsanctie op te leggen, zoals eiser die heeft gedaan gelijktijdig met het indienen van zijn bezwaarschrift. Voor zover verweerder in het bestreden besluit heeft beslist aan verweerder geen loonsanctie op te leggen moet dit naar het oordeel van de rechtbank in zoverre dan ook worden aangemerkt als primair besluit op die aanvraag. Het beroep van eiser, voor zover dat is gericht tegen de weigering een loonsanctie op te leggen, moet vervolgens worden aangemerkt als bezwaarschrift, waarop door verweerder in beginsel een besluit moet worden genomen, voordat daartegen beroep open staat.

7.6.

Zowel eiser als verweerder hebben ter zitting desgevraagd ingestemd met het afzien van de bezwaarprocedure en met de behandeling door de rechtbank van (ook) dit onderdeel van het geschil in beroep, met het oog op finale geschilbeslechting. De rechtbank merkt het verhandelde ter zitting in zoverre aan als een in het bezwaarschrift gedaan verzoek van eiser om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter in de zin van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb en als een besluit tot instemming met dit verzoek door verweerder in de zin van artikel 7:1a, derde lid, van de Awb.

7.7.

De rechtbank dient vervolgens te oordelen over het nu als beroep aan te merken bezwaarschrift tegen de weigering een loonsanctie op te leggen. Daartoe overweegt zij als volgt. Uit artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA volgt dat, nu eiser de aanvraag om een WIA-uitkering tijdig heeft gedaan, verweerder uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd de beschikking over het toepassen van zijn bevoegdheid een loonsanctie op te leggen had moeten geven. Dat betekent dat verweerder een dergelijke beschikking in dit geval uiterlijk had kunnen geven op 27 januari 2013, zijnde zes weken voor 11 maart 2013. De aanvraag om een loonsanctie op te leggen, zoals neergelegd in het bezwaarschrift tegen het primaire besluit over de WIA-uitkering, is ingediend op 21 maart 2013. Verweerder had daarom moeten constateren dat het te laat was om als beslissing op die aanvraag een loonsanctie op te leggen aan de werkgever. Verweerder heeft de aanvraag echter afgewezen op grond van een inhoudelijke beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever. Het bestreden besluit berust daarom op een onjuiste motivering, terwijl de door verweerder gegeven beoordeling door eiser bestreden wordt. De beroepsgrond slaagt.

8.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd om aan de werkgever een loonsanctie op te leggen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om verweerder op te dragen een ander besluit te nemen, omdat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA niet anders kan dan de aanvraag om de loonsanctie afwijzen. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 487,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de aanvraag om aan de werkgever een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA op te leggen is geweigerd;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, rechter, in aanwezigheid van

E. Said, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2014.

(de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.