Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1295

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
16.701817-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van een ander. Ingevolge vaste jurisprudentie dienen ook zeer korte beperkingen van de vrijheid aangemerkt te worden als wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.701817-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 17 december 2013 en op die datum geschorst. Het onderzoek ter terechtzitting is op 7 februari 2014 hervat, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Grijsen, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B. Nitrauw en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Weesp, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] gericht en/of gericht gehouden, althans aan die [slachtoffer] getoond en/of daarbij gezegd dat die [slachtoffer] op de grond moest gaan liggen, althans woorden geuit van gelijke strekking en/of

- die [slachtoffer] vastgepakt en/of vastgehouden en/of vervolgens met een vuurwapen, althans een (hard) voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht en/of op het hoofd en/op het lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, meermalen op/tegen het lichaam van

die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] (aan de armen) vastgepakt en/of meegetrokken/meegenomen naar een steeg en/of daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] gericht en/of gericht gehouden, althans aan die [slachtoffer] getoond en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) op/tegen het lichaam geslagen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) bij de keel vastgepakt en/of (vervolgens) in een auto geduwd en/of gehouden en/of

- in de auto een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] gericht en/of gericht gehouden, althans aan die [slachtoffer] getoond en/of

- (in die auto) meermalen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer]

geslagen/gestompt;

1. Subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Weesp, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders(s) voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen meermalen in/tegen het gezicht en/of hoofd van de [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] met kracht bij de keel heeft/hebben vastgepakt en/of die [slachtoffer] (meermalen) heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of gestompt tegen het hoofd en/of het lichaam (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag), zijnde de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet voltooid

en/of

hij op of omstreeks 10 februari 2013 te Weesp, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (een) vuurwapen(s) op die [slachtoffer] gericht en/of (daarbij) (meermalen) tegen die [slachtoffer] gezegd: "je zult wel zien wat we met je gaan doen.";

2.

hij op of omstreeks 03 september 2013 te Nieuw- en Sint Joosland, gemeente Middelburg, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Hoge Stelle 4 aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3259 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 03 september 2013 te Nieuw- en Sint Joosland, gemeente Middelburg opzettelijk heeft verkocht en / of afgeleverd en / of verstrekt en / of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 882 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging enkele kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 10 februari 2013 deed [slachtoffer] aangifte ter zake van wederrechtelijke vrijheidsberoving door diverse personen, welke vrijheidsberoving diezelfde dag zou hebben plaatsgevonden. Verdachte zou één van de personen zijn geweest die hier volgens aangever voor verantwoordelijk is geweest. Aangever heeft verklaard dat de aanleiding een zakelijk geschil zou zijn tussen hem en verdachte. Verdachte is aangehouden.

De politie heeft vervolgens een onderzoek ingesteld en gedurende dat onderzoek zijn er onder meer diverse getuigen gehoord.

Verdachte wordt er voorts van verdacht dat hij, kort gezegd, heeft gehandeld in hennep en hasjiesj, dan wel dat hij een hoeveelheid hennep en/of een hoeveelheid hasjiesj voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 primair:

De officier van justitie heeft het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen geacht en daartoe het navolgende aangevoerd.

Het is een chaotische situatie geweest, waarbij er met vuurwapens is gedreigd. Gelet op die situatie is het niet vreemd dat de afgelegde verklaringen enigszins van elkaar verschillen. Echter, met betrekking tot het tenlastegelegde is door aangever en een aantal getuigen wel gelijkluidend verklaard en die verklaringen heeft de officier van justitie betrouwbaar geacht. De officier van justitie heeft in dat kader gewezen op de verklaring van aangever en de verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] alsmede op de letselverklaring betreffende aangever. De duur van de wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet bekend, maar het opzet van verdachte is duidelijk, namelijk dat aangever onder druk mee moest in de auto van verdachte, hetgeen daadwerkelijk is gebeurd.

Ten aanzien van feit 2:

De officier van justitie heeft ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte opzettelijk hennep heeft verwerkt en aanwezig heeft gehad en opzettelijk hasjiesj aanwezig heeft gehad, onder meer gelet op zijn eigen verklaring.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrij te spreken, aangezien er geen sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en het opzet van verdachte daar bovendien niet op gericht was. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen van [getuige 5], [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 4] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, aangezien deze verklaringen niet betrouwbaar moeten worden geacht. Deze verklaringen lopen op veel belangrijke punten uiteen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het een achteraf gefabriceerd verhaal betreft tussen diverse getuigen en aangever.

Ook de onder 1 cumulatief tenlastegelegde bedreiging met een vuurwapen kan wegens het uitsluiten van voornoemde verklaringen niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het voorhanden hebben van hasjiesj en hennep.

Het oordeel van de rechtbank1

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

De rechtbank ziet zich primair voor de vraag gesteld of verdachte op 10 februari 2013 te Weesp aangever [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft ontkend aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid te hebben beroofd. Verdachte heeft verklaard over een incident dat de dag ervoor zou hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte door aangever, de oom van aangever en een derde persoon anderhalf uur zou zijn vastgehouden en dat er daarbij door aangever een pistool op het hoofd van verdachte zou zijngezet.

Hier wilde verdachte de aangever op aanspreken. Verdachte is op 10 februari 2013 met drie andere personen naar aangever gegaan. Die andere personen waren mee voor zijn bescherming, voor het geval het uit de hand zou lopen, zo heeft verdachte verklaard. Verdachte werd boos en heeft aangever op zijn hoofd geslagen met een stalen pijp, er kwam toen bloed uit het hoofd van aangever. Aangever is vervolgens vrijwillig in de auto van verdachte gestapt en aangever heeft kort in de auto gezeten. Toen aangever instapte, zaten er in totaal vier personen in de auto. Eén van de vrienden van verdachte stond op dat moment buiten.2 Aangever is volgens verdachte uit vrije wil meegegaan.

Aangever heeft verklaard dat hij met getuige [getuige 2] naar buiten ging en dat verdachte toen met getrokken pistool op hem afkwam. Verdachte heeft met dat pistool hard op zijn gezicht geslagen, waardoor aangever begon te bloeden. Aangever werd bij zijn armen gepakt en meegetrokken. Aangever heeft over drie andere personen verklaard die een rol hebben gespeeld bij het geweld, waarbij hij meermalen is geslagen. Aangever werd met kracht bij zijn keel gepakt en achterin de auto geduwd. Zowel links als rechts van aangever kwam één van die manspersonen, niet zijnde verdachte, zitten. Deze personen hielden beiden een vuurwapen op aangever gericht. Verdachte zat achter het stuur en reed weg, maar werd op enig moment geblokkeerd door het voertuig waarin getuige [getuige 1] reed. Er ontstond een schermutseling op straat. De oom van aangever en de oudere broer van verdachte zouden zich hebben gemeld in de discussie. Aangever heeft toen kans gezien om te vluchten.3

De rechtbank overweegt dat het door aangever omschreven geweld dat op hem zou zijn toegepast, wordt ondersteund door een letselverklaring, waaruit volgt dat er op meerdere plekken letsel op het hoofd en gezicht van aangever was toegebracht, waaronder een wond van ongeveer drie centimeter, welke wond is geplakt.4

Getuige [getuige 1] heeft (onder meer) verklaard over het begin van het incident tussen verdachte en aangever. Vanuit zijn auto zag hij aangever met een man praten. Vervolgens zag hij dat er vier andere personen bij kwamen staan, van wie er drie een vuurwapen hadden. De wapens werden op aangever gericht. Getuige is het nabijgelegen buurthuis binnengegaan en zei tegen getuige [getuige 4] dat aangever werd meegenomen. Getuige [getuige 4] ging met getuige [getuige 1] mee de auto in. Getuige [getuige 1] heeft zijn voertuig voor een voertuig gezet dat uit een steegje kwam rijden, waardoor dit voertuig niet verder kon. Het betreffende voertuig zat vol met personen en aangever zat achterin, tussen twee mensen in.5 Tegenover de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 1] over het begin van het incident in aanvulling op het voorgaande verklaard dat aangever door twee personen werd geslagen en toen door hen werd meegenomen.6

Voornoemde verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 4], die heeft verklaard dat getuige [getuige 1] hem had medegedeeld dat aangever was meegenomen, waarop hij met getuige [getuige 1] was meegereden. Getuige [getuige 1] zette zijn auto voor een Volkswagen Golf, waardoor deze niet weg kon rijden. Bovendien bleef voornoemde Volkswagen Golf (in de sneeuw) vast zitten op een hobbel. Getuige [getuige 4] zag vervolgens drie mannen uit die Volkswagen Golf stappen

- waaronder verdachte - en hij zag aangever in die auto zitten. Aangever werd in de auto vastgehouden door een man met een pistool in zijn handen. Drie van de personen uit de Volkswagen Golf hadden een pistool, waaronder verdachte. Op enig moment kwam aangever uit die auto vandaan en rende weg.7

De rechtbank heeft geconstateerd dat er weliswaar op onderdelen verschillen bestaan in de diverse afgelegde verklaringen, deze betreffen echter vooralhetgeen er gebeurd zou zijn nadat aangever de Volkswagen Golf had verlaten. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde komen de hiervoor opgenomen verklaringen op essentiële punten wel met elkaar overeen en ondersteunen zij elkaar. Het bewijs van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt naar het oordeel van de rechtbank door de aanwezige verschillen in die verklaringen niet ondergraven. De rechtbank acht de verklaringen, zoals hiervoor opgenomen, dan ook betrouwbaar en ziet geen redenen voornoemde verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

De rechtbank heeft daartoe voorts overwogen dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 4] alsmede de verklaring van aangever [slachtoffer], (ten dele) worden ondersteund door de hiervoor opgenomen verklaring van verdachte. Immers, verdachte heeft, kort gezegd, verklaard dat hij met drie personen naar aangever is gegaan, dat hij boos was om wat er de dag ervoor had plaatsgevonden tussen hem en aangever en dat hij aangever met een hard voorwerp heeft geslagen. De verklaring van verdachte dat aangever vervolgens vrijwillig met hem - en de andere personen die met verdachte waren meegekomen - is meegelopen en in de auto heeft plaatsgenomen, acht de rechtbank niet aannemelijk en ook in strijd met de overige bewijsmiddelen. Geen van de personen met wie verdachte die dag in de Volkswagen Golf zat met aangever heeft een verklaring afgelegd. De verklaring van verdachte wordt op dit punt dan ook niet ondersteund. Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat aangever toen hij de auto instapte wel ‘geïmponeerd’ was.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd, zoals hierna omschreven. Immers, aangever is geslagen en meegenomen naar de auto van verdachte, terwijl diverse personen – onder wie verdachte – vuurwapens op hem richtten. Vervolgens werd aangever in die auto geduwd en heeft aangever enige tijd in die auto gezeten, tussen twee personen in (terwijl er een vuurwapen op hem werd gericht). Weliswaar volgt de exacte duur van die vrijheidsberoving niet uit de bewijsmiddelen, maar uit vaste jurisprudentie volgt dat ook zeer korte beperkingen van de vrijheid van beweging als vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt. De rechtbank houdt er rekening mee dat de vrijheidsberoving buiten de wil en invloedssfeer van verdachte korter heeft geduurd doordat de auto van verdachte vast kwam te zitten en bovendien werd klemgezet door een ander voertuig.

Ten aanzien van het onder 1 cumulatief tenlastegelegde:

De rechtbank acht voorts bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 cumulatief tenlastegelegde bedreiging van aangever met een misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend vuurwapens op hem te richten. De rechtbank verwijst daarbij naar de verklaring van aangever [slachtoffer],8 die heeft verklaard dat er drie personen, waaronder verdachte, een vuurwapen op hem hadden gericht en gericht gehouden, waardoor aangever heel erg bang was. Dat er vuurwapens op aangever werden gericht wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1]9 en de verklaring van getuige [getuige 4].10 De rechtbank acht de dreigende woorden die daarbij zouden zijn geuit, niet wettig en overtuigend bewezen, nu die bewoordingen waarover aangever heeft verklaard naar het oordeel van de rechtbank niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 september 2013 te Nieuw- en Sint Joosland opzettelijk ongeveer 3259 gram hennep en ongeveer 882 gram hasjiesj voorhanden heeft gehad, gelet op de (deels) bekennende verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting,11 de verklaring van getuige [getuige 6]12, het ‘Proces-verbaal binnentreden woning’13 en het ‘Proces-verbaal Opiumwet’.14

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het dossier weliswaar indicaties bevat dat verdachte, kort gezegd, heeft gehandeld in hennep en hasjiesj, maar dat er vooreen bewezenverklaring van die handel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

De rechtbank volstaat, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de genoemde bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1. Primair

hij op 10 februari 2013 te Weesp, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en

- die [slachtoffer] met een vuurwapen op het hoofd geslagen en

- die [slachtoffer] (aan de armen) vastgepakt en meegetrokken/meegenomen naar een steeg en daarbij een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en gericht gehouden en

- die [slachtoffer] (meermalen) geslagen en

- die [slachtoffer] met kracht bij de keel vastgepakt en (vervolgens) in een auto geduwd en gehouden en

- in de auto een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en gericht gehouden en

en

hij op 10 februari 2013 te Weesp, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend vuurwapens op die [slachtoffer] gericht;

2.

hij op 03 september 2013 te Nieuw- en Sint Joosland opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Hoge Stelle 4 aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3259 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;;

en

hij op 03 september 2013 te Nieuw- en Sint Joosland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 882 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Van het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf voor de onder 2 tenlastegelegde feiten verzocht een gevangenisstraf op te leggen die de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet overstijgt. Indien de rechtbank komt tot een veroordeling van het onder 1 (primair) tenlastegelegde, heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de aard van het feitencomplex. Het betreft een zakelijk en familiair conflict en de dag ervoor heeft aangever de verdachte hetzelfde aangedaan als hetgeen aangever hem nu verwijt. De raadsvrouw heeft voorts gewezen op het Reclasseringsrapport d.d. 13 november 2013, waaruit is gebleken dat er niet of nauwelijks criminogene factoren aanwezig worden geacht. Verdachte is bovendien, op één feit uit 2001 na, niet eerder ter zake van een geweldsdelict veroordeeld.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever. Verdachte heeft daarbij een prominente rol gespeeld. Verdachte heeft verklaard dat aangever hem de dag ervoor anderhalf uur heeft vastgehouden (waarvan verdachte overigens geen aangifte heeft gedaan), waarbij er een pistool op verdachte zijn hoofd werd gezet. Aangever ontkent dit. Het handelenvan verdachte op 10 februari 2013 is echter, ongeacht wat er op 9 februari 2013 zou zijn voorgevallen, zeer ongepast geweest. Immers, verdachte heeft aangever met drie andere personen opgezocht, geslagen en onder bedreiging van vuurwapens meegenomen naar zijn auto, waarna aangever die auto werd ingeduwd en in die auto werd gehouden.

Het vorenstaande heeft een buitengewoon beangstigende situatie opgeleverd voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Voorts heeft verdachte een hoeveelheid hennep en een hoeveelheid hasjiesj voorhanden gehad.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het advies van Reclassering Nederland d.d. 13 november 2013. Uit dat rapport is gebleken dat er geen criminogene factoren/leefgebieden uit de RISc naar voren zijn gekomen, met uitzondering van het gebied ‘Opleiding, werk en leren’, hetgeen in het voordeel van verdachte zal worden meegewogen, met de kanttekening dat de Reclassering heeft gerapporteerd dat het niet gelukt is om een helder beeld van verdachte te krijgen, onder meer daar verdachte kennelijk niet van plan was een diepgevend inzicht in zijn persoon te geven.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 december 2013, waaruit volgt dat verdachte veelvuldig voor strafbare feiten is veroordeeld, onder meer terzake van een Opiumwetdelict - zijnde een soortgelijk feit als de onder 2 bewezenverklaarde feiten - en een geweldsdelict.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, aangezien de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd over het algemeen lager zijn en gelet op de inhoud van voornoemd Reclasseringsadvies en het feit dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de feiten, geen aanleiding een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis.

Alles overwegende acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

9 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de onder verdachte inbeslaggenomen auto’s zijn omgezet naar conservatoir beslag en dat de rechtbank over die inbeslaggenomen goederen nu geen beslissing dient te nemen. De officier van justitie heeft bovendien ter terechtzitting d.d. 7 februari 2014 een ontnemingsvordering aangekondigd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de onder verdachte inbeslaggenomen auto’s, te weten een Volkswagen Golf en een Fiat 500, aan verdachte terug te geven, nu er geen enkel strafvorderlijk belang is bij voortduring van het beslag. De raadsvrouw heeft geen beslissing gezien waaruit blijkt dat het beslag van voornoemde auto’s is omgezet naar conservatoir beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geconstateerd dat voornoemde voertuigen in beslag zijn genomen ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), waarbij in de betreffende Kennisgeving van inbeslagneming is aangegeven dat het ‘waardebeslag’ betreft. Volgens mededeling van de officier van justitie tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 7 februari 2014 zijn de ex artikel 94 Sv inbeslaggenomen voertuigen omgezet naar conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Sv. Bovendien heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering aangekondigd. De rechtbank zal zich, gelet op het voorgaande, onthouden van een beslissing over de inbeslaggenomen voertuigen.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door mr. M. Lousberg, advocaat te Amsterdam – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 6.100,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 2.000,- overeenkomstig de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door haar verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering fors te matigen, aangezien deze onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, rekening houdend met alle omstandigheden, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.000, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop de thans bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 10 februari 2013.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij dient voor het meerdere te worden afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat ook aangever onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over de voorgeschiedenis c.q. aanleiding in relatie tot het incident van 10 februari 2013. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving, zoals onder 1 primair bewezenverklaard, zeer beangstigend voor de benadeelde partij moet zijn geweest. De rechtbank heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid tot schatting van de immateriële schade en heeft dit bedrag geschat op

€ 1.000,-. De vordering terzake de materiele schade acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op:

de artikelen 10, 27, 36f, 47, 57, 91, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, en

de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet,

zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar, zodanig als hierboven onder 6 is gekwalificeerd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Weesp, van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 10 februari 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan één van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde af;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. R.C.J. Elte-Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2013.

Mr. Akkerman, voornoemd, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013006090, doorgenummerd 1 tot en met 101.

2 Zie proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 7 februari 2014.

3 Pagina 12, vanaf ‘Proces-verbaal aangifte’, de eerste alinea. Pagina 13, de derde alinea. Pagina 14: regels 1-2, 8, 14-15 en alinea5. Pagina 15, regel 6.

4 Een Letsleverklaring betreffende aangever [slachtoffer] d.d. 12 februari 2013, opgemaakt door GGD-arts A.R.J. Stumpel.

5 Pagina 20, vanaf ‘de getuige verklaard’: de derde alinea. Pagina 21: alinea’s 1 en 4.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris d.d. 16 januari 2014, RC-nr. 13/4141. Blad 1, tweede alinea.

7 Pagina 26: alinea’s 2 en 6.

8 Pagina 14, regels 14-15 en alinea 5

9 Pagina 20, vanaf ‘de getuige verklaarde’: de derde alinea.

10 Pagina 26: de tweede en zesde alinea.

11 Zie proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 7 februari 2014.

12 Pagina 55.

13 Pagina 41.

14 Pagina 74.