Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1238

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
16/701630-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft een 37-jarige verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar voor het -ruim 13 jaar geleden- opzettelijk doden van een medewerker van een shoarmazaak aan de [adres] in Utrecht. De doodslag werd gepleegd onder de strafverzwarende omstandigheid dat deze werd vergezeld van diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701630-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op[1976],

gedetineerd in PI Nieuwegein, HvB Nieuwegein te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2013, 17 december 2013, 7 maart 2014 en 18 maart 2014.

De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 18 maart 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door

mr. J.-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 november 1999 te Utrecht:

Primair: [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd;

Subsidiair: [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan door diefstal van een geldbedrag;

Meer subsidiair: [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd;

Meest subsidiair: van [getuige 1] geld heeft gestolen welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat voor de - primair - ten laste gelegde moord geen bewijs aanwezig is in het dossier, omdat niet zonder meer kan worden gezegd dat er sprake is geweest van voorbedachte raad.

De subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag kan naar de mening van de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen worden geacht. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op - samengevat - de op de plaats delict aangetroffen DNA-sporen van verdachte op bekertje, peuken, op en rond de kassa, in de lade onder de kassa, op de sokken van het slachtoffer en in het nagelvuil van de linkerhand van het slachtoffer.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte een motief had omdat hij ten tijde van het delict financiële problemen en gokproblemen had.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat - samengevat - de aangetroffen DNA-sporen het (steun)bewijs is dat door het Openbaar Ministerie tegen verdachte is ingebracht, dat die sporen niet de waarheid omtrent het delict aan het licht brengen, dat de desbetreffende sporen geen dadersporen zijn en dat verdachte een verklaring heeft gegeven voor de aangetroffen DNA-sporen. Naar de mening van de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen

Slachtoffer [slachtoffer]

Op 9 november 1999, omstreeks 11:49 uur, werden verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] door het berichtencentrum Utrecht verzocht te gaan naar het pand [adres] te Utrecht, alwaar een persoon om het leven zou zijn gebracht.1 Voornoemde verbalisanten hebben verklaard dat zij in de op de [adres] gevestigde shoarmazaak, genaamd [naam], een man in levenloze toestand op de grond zagen liggen.

De leden van het recherche bijstands team (RBT), bestaande uit [recherche 1], [recherche 2], [recherche 3] en [recherche 4], hebben verklaard2 dat zij op 9 november 1999 in de eetruimte van de shoarmazaak het lichaam van een man zagen liggen die hoogstwaarschijnlijk was overleden. De man was gekleed in een blauwe trui en een grijze broek met een bruine riem. De trui van de man vertoonde op vele plaatsen gaten die aan steekopeningen deden denken en rondom die gaten was het kledingstuk doordrenkt met bloed.

Omstreeks 13:00 uur hebben de leden van het RBT de gemeentelijk lijkschouwer ter plaatse gevraagd, die om 13:25 uur arriveerde. De gemeentelijk lijkschouwer heeft omstreeks 13:30 uur formeel de dood vastgesteld en omstreeks 13:40 uur is het RBT begonnen met rectale temperatuurbepalingen. Op basis van die metingen was de voorlopige conclusie van de lijkschouwer dat het slachtoffer al zeker zes uur dood was.

In het jack dat op de vloer lag in de verkoop-/wachtruimte van de shoarmazaak, trof het RBT onder andere een bankpasje, een ziekenfondskaartje en een vreemdelingendocument aan, alle ten name van [slachtoffer], geboren op 7 april 1963.

Op 10 november 1999 is de vermoedelijke identiteit definitief bevestigd door familieleden van [slachtoffer].3

De lijkschouwer van de gemeente Utrecht, [A], heeft verklaard dat de man, zijnde [slachtoffer], een niet-natuurlijke dood was gestorven.4

In zijn voorlopig verslag van 10 november 19995 concludeerde patholoog dr. [B] van het NFI dat bij sectie van het lichaam van [slachtoffer] het volgende was gebleken: er waren 29 steekverwondingen, verspreid over de rug (12), behaarde hoofd (1), neusrug (1), hals (1), borst (8), linker bovenarm (1), rechter onderbeen (3) en links in de flank; er waren klievingen in beide longen (elk tweemaal) en lever (viermaal); er was zeer uitgebreid uitwendig en inwendig bloedverlies, er waren diverse oppervlakkige huidverwondingen aan handen en aangezicht. Deze bevindingen, aldus de patholoog, zijn het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch klievend geweld, zoals kan worden opgeleverd door vele steekbewegingen met een scherp voorwerp. Het overlijden van [slachtoffer] kan zonder meer worden verklaard door de gebleken weefselbeschadigingen en het daarmee gepaard gaande bloedverlies.

Bij rapport van 17 december 19996 heeft voornoemde patholoog zijn eerdere conclusies bevestigd.

Plaats delict

Het RBT heeft verklaard7 dat het pand aan de [adres] was ingedeeld in een verkoop-/wachtruimte met daar achter gelegen een eetruimte, een kleine keuken, een opslagplaats en een achterplaatsje.

Voorts heeft het RBT verklaard dat aan de rechter zijwand van de verkoop-/wachtruimte twee speelautomaten stonden, en dat deze speelautomaten verder in de tekst van het proces-verbaal worden aangehaald als respectievelijk de linker- en de rechter gokkast, waarbij de rechter gokkast de kast is die het dichtst bij de toegangsdeur stond. Aan de linkerzijwand van de verkoop-/wachtruimte was apparatuur geplaatst voor onder andere shoarmagerechten en het bakken van patates-frites, terwijl daarnaast enige werkruimte was om gerechten samen te stellen of in te pakken. Dit gedeelte werd van de rest van de ruimte afgescheiden door een bar/toonbank. Op de bar/toonbank was een kassa geplaatst, en achter de bar/toonbank lagen witte plavuizen. Op het overige deel van de vloer in deze ruimte lagen bruine/grijze vloertegels.

Voor de gokkasten lag een zwart kleedje van ongeveer 1,00 bij 2,00 meter, en op dat kleedje lag een omgevallen barkruk. Voor de rechter gokkast lag een peuk van een filtersigaret. Op enige afstand daarvan lag een deels opgerookte sigaret zonder filter, welke sigaret was besmeurd met bloed. Op de (vanuit de deuropening gezien) verst gelegen linkerhoek van het kleedje lag een met bloed besmeurd brillenglas. Juist buiten deze hoek van dit kleedje vertoonde de bruine vloerbedekking een aanzienlijke concentratie bloed en de tapijttegels waren ter plaatse met bloed doordrenkt. Vanaf deze plek naar de toegang tot de eetruimte zag het RTB op de vloerbedekking over de gehele lengte van dat traject een egale rode verkleuring van omstreeks 35 cm breed.

Op de beide posten van de doorgang naar de eetruimte waren vlak boven de vloer bloedvlekken zichtbaar. De metalen drempel van deze doorgang was ongeveer in het midden besmeurd met bloed, waarbij het vloeibare bloed langs de bolle rand aan de zijde van de eetruimte naar beneden was gedropen.

Op de vloer van de eetruimte lag het lichaam van het slachtoffer. Hij lag ruggelings, met zijn hoofd in de richting van de doorgang naar de verkoop-/wachtruimte. De benen van de man lagen gespreid. De linker arm lag, vrijwel gestrekt, haaks op het lichaam. De rechter bovenarm laag haaks op het lichaam. De man was onder meer gekleed in een blauwe trui. De trui van de man vertoonde op vele plaatsen gaten, die aan steekopeningen deden denken en rondom die gaten was het kledingstuk doordrenkt met bloed. Ook de broek van de man was met bloed bedekt. Onder de trui was een wit hemd zichtbaar, dat eveneens met bloed was doordrenkt. De trui en het hemd waren aan de rugzijde tot aan de schouderbladen opgestroopt en gaven de zijkanten van de blote rug te zien. De vloerbedekking rond het lichaam was met bloed besmeurd. Aan de bovenzijde van het hoofd van de man was op de vloerbedekking een bloedspoor zichtbaar. Dit bloedspoor was omstreeks 35 cm breed en leidde van de bloedconcentratie op de vloer van de verkoop-/wachtruimte via de doorgang naar de plek waar het slachtoffer lag.

Voorts trof het RBT in de verkoop-/wachtruimte nog een omgevallen barkruk op de vloer aan, alsmede een stoel die op de zijkant lag.

Op de bovenzijde van de rechter gokkast stond een wit kunststof bekertje. Op een tegen een laag scheidingswandje geplaatste tafel trof het RBT een ronde zwarte asbak aan, met daarin enkele peuken. Links naast het tafeltje lag een herenportemonnee, waarin fl. 1,50 werd aangetroffen.

Op de witte plavuizenvloer achter de bar/toonbank waren volgens het RBT meerdere op schoenafdrukken gelijkende bloedsporen zichtbaar. Op de kassa, op de bar/toonbank en op het werkblad waarop de kassa stond, zaten eveneens bloedsporen. Onder het werkblad van de toonbank bevond zich een aantal laden. De beide laden onder de plaats waar de kassa stond, waren bevlekt met bloed. Op de handgrepen en de buitenkant van beide laden, maar ook op de zijkanten en binnenin, bevond zich bloed.

Beeldmateriaal plaats delict

Tijdens de verschillende in het kader van de dood van [slachtoffer] verrichte onderzoeken, zijn door de technische recherche foto’s gemaakt8, waaronder foto’s van de verkoop-wachtruimte (foto’s 5 t/m 11),een foto van de gokkasten (foto 10), asbak op tafeltje (foto 17), drempel tussen de twee ruimten (foto 41), de vloer achter de bar (foto 53), het gebied achter de bar ter hoogte van de kassa (foto 54), detail van de kassa met bloedspoor aan de buitenzijde (foto 55), detail van de lade onder de kassa (buitenzijde) (foto’s 56 en 57), en van de binnenzijde van de lade (foto 58).

Sporen

De sigarettenpeuken in de asbak op het tafeltje en voor de gokkasten zijn door het RBT veiliggesteld, de in beide publieksruimten aangetroffen bloedsporen zijn bemonsterd. Het op de rechter gokkast aangetroffen kunststof bekertje is eveneens veiliggesteld.

De sporen zijn voorzien van de volgende DNA-identificatiezegels:

- bebloede sigarettenpeuk: ADD355; - filtersigarettenpeuk: ADD356; - peuken uit asbak op tafel: ADD362; -bekertje op rechter gokkast: ADD3639.

- het bloedspoor op de buitenzijde van de kassalade: DCA223; - het bloedspoor op het papier achter de bar: DCA224; - perforator met bloedspoor uit de lade onder de kassa: DCA225 - aangetroffen deeltjes geronnen bloed in lade onder de kassa: DCA22610

Tijdens de lichaamsschouw van [slachtoffer] zijn de kledingstukken van het slachtoffer veiliggesteld, en als volgt gecodeerd als S005: een paar sokken van het slachtoffer, S007: broek van het slachtoffer. De sokken zijn voorzien van het identiteitszegel CDA925 en de broek van het identiteitszegel CDA926

Bij de sectie van het lichaam van [slachtoffer] zijn de nagels en het nagelvuil veiliggesteld en gecodeerd als S011: nagels rechterhand en S012: nagels linkerhand11. S011 is voorzien van het identiteitszegel ADD369 en S012 van het identiteitszegel ADD370.12

NFI-rapporten met betrekking tot de sporen

In het NFI-rapport van 15 februari 200013 is geconcludeerd dat het DNA-profiel op de likrand en rookkant van de shagpeuk (ADD355) overeen kwam met het DNA-profiel van het slachtoffer, en dat het DNA-profiel op de Marlboropeuk uit de asbak (ADD362) en op het bekertje (ADD363) niet overeen kwam met DNA-profiel van het slachtoffer.

Voorts is geconcludeerd dat de Marlboropeuk (ADD362) was gerookt door hetzelfde mannelijke individu als degene die uit het bekertje (ADD363) had gedronken.

In het NFI-rapport van 21 augustus 200014 is geconcludeerd dat de filtersigarettenpeuk (ADD356) was gerookt door hetzelfde mannelijke individu als de Marlboropeuk uit de asbak (ADD362). Deze persoon is dezelfde als die gedronken heeft uit het bekertje (ADD363). Bij het nagelvuil van de linkerhand is een bijgemengd gedeeltelijk DNA-profiel gevonden dat mogelijk overeenkomt met de DNA-profielen in de peuken (ADD356 en ADD362) en op het bekertje (ADD363).

In het NFI-rapport d.d. 31 oktober 200715 is geconcludeerd dat de DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen DCA223#1, DCA223#2, DCA224#1, DCA225#1 en DCA226#1, zijnde bemonsteringen van het bloed op de buitenzijde van de kassa, het bloed op een stuk papier, het bloed op een perforator en het bloed op de lade onder de kassa, matchen met de DNA-profielen op de peuk (ADD356#1), de peuk (ADD362#1) en de bemonstering (ADD363#1) van een bekertje. Dit betekent dat het bloed van de vijf bemonsteringen en het celmateriaal op de peuken en het bekertje van één en dezelfde onbekende man afkomstig kunnen zijn.

Celmateriaal verdachte

In verband met een veroordeling van de verdachte door de rechtbank Utrecht op 18 november 2011, is door de officier van justitie bevolen celmateriaal bij verdachte af te nemen ten behoeve van een DNA-onderzoek.16 Verdachte verscheen na te zijn opgeroepen niet bij de politie en hij is uiteindelijk op de vertrekpassage op Schiphol op 24 november 2012 aangehouden17, waarna bij hem op 25 november 2012 wangslijm is afgenomen. Dit afgenomen wangslijm heeft het nummer RAAU2827NL gekregen.18

Nadere NFI-rapporten met betrekking tot sporen

Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAU2827NL van verdachte is door het NFI DNA-onderzoek verricht.19 Van het monster is een DNA-profiel verkregen dat op 17 januari 2013 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. De vergelijking met de in de databank aanwezige DNA-profielen leverde tot 22 januari 2013 één match op, te weten een match met het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel ADD356#1.

In het NFI-rapport d.d. 20 juni 201320 is beschreven dat de beide sokken (CDA925) van het slachtoffer zijn onderzocht op aanwezigheid van bloed, dat een selectie van bloedsporen is bemonsterd en dat deze bemonsteringen zijn veiliggesteld als CDA#03 tot en met #06 en CDA#07 tot en met #11. Het monster met nummer CDA925#10 leverde een match op met het DNA-profiel van verdachte. De matchkans was kleiner dan één op één miljard.

In aanvulling op het NFI-rapport van 31 oktober 200721 heeft het NFI op 24 december 2013 op een nadere vraagstelling van de rechter-commissaris gerapporteerd22 dat de matchkans van de eerder verkregen DNA-profielen van de bemonsteringen DCA223#1, DCA223#2, DCA224#1 en DCA225#1 kleiner zijn dan één op één miljard en dat de matchkans van bemonstering DCA226#1 ongeveer 1 op 33 miljoen is. Voorts rapporteerde het NFI dat van het DNA in de bemonsteringen ADD370#01 van de nagels van de linkerhand van het slachtoffer [slachtoffer] in het aanvullend DNA-onderzoek een DNA-profiel is verkregen waarin negen pieken van relatief geringe intensiteit zichtbaar zijn, welke negen pieken matchen met het DNA-profiel van verdachte RAAU2827NL. Dit betekent dat, ondanks dat niet alle DNA-kenmerken van de verdachte zichtbaar zijn, de verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal in de bemonstering ADD370#01.

Aangifte diefstal

Op 15 november 1999 heeft [getuige 1] aangifte23 gedaan van diefstal met geweldpleging. Aangever heeft daarbij verklaard dat vanuit de kassa staande op de toonbank van zijn bedrijf aan de [adres] te Utrecht ongeveer fl. 200,00 was weggenomen, en dat vanuit de lade, onder de kassa, in de toonbank een bedrag van fl. 315,00 was weggenomen.

Aangever heeft verklaard dat hij op 9 november 1999, omstreeks 04:30 uur, de kas had opgemaakt en dat hij het getal, 315, en zijn naam op een papiertje had geschreven.24

Getuigen

Getuige [getuige 1] heeft verklaard25 dat hij mede-eigenaar is van shoarmazaak [naam], gevestigd aan de [adres] te Utrecht, en dat onder meer [slachtoffer], zijnde het slachtoffer, als medewerker hielp in de shoarmazaak. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 9 november 1999, omstreeks 04:30 uur, de shoarmazaak binnenkwam en dat toen de volgende personen aanwezig waren: [slachtoffer], [getuige 3], [Y] en een voor getuige onbekende persoon. De onbekende persoon zat aan de eerste gokkast te gokken. Na het opmaken van de kassa is getuige [getuige 1] weggegaan. Toen getuige [getuige 1] omstreeks 05:00 uur nog even in de zaak was, was de eerder genoemde situatie niet veranderd. Getuige [getuige 1] zag dat de zaak nog niet was schoongemaakt.

Getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard26 dat hij, toen hij op 11 november 1999 samen met de politie in zijn zaak kwam, zag dat de bar was schoongemaakt, dat de asbakken op de kop lagen op de bar waardoor getuige kon zien dat er opgeruimd was, en dat het er ook achter de bar opgeruimd en schoongemaakt uit zag. Ook de keuken zag er opgeruimd uit en het was duidelijk te zien dat de afwas was gedaan. Getuige [getuige 1] zag dat er uit de kassalade ongeveer fl. 200,00 was weggenomen, en dat er uit de lade onder de kassa fl. 315,00 was weggenomen. Bij de laatste kasopmaak had getuige [getuige 1] het bedrag in die lade geteld en het bedrag opgeschreven.

Getuige [getuige 1] heeft op 27 december 1999 nog verklaard27 dat hij toen hij op 9 november 1999 na 11:30 uur in [naam] kwam, hem was opgevallen dat er achter de bar was schoongemaakt en dat er geen vlees meer aanwezig was.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard28 dat [slachtoffer] op 9 november 1999 om 06.30 uur nog even bij hem in de zaak kwam. De getuige heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] wat te eten aan bood, maar dat hij dit weigerde en dat hij aan de getuige vertelde dat hij weer terug moest naar de shoarmazaak omdat die Bulgaarse jongen nog in de zaak was en omdat er nog een man op de gokkast aan het spelen was.

Getuige [getuige 3], heeft verklaard29 dat hij samen met het slachtoffer in [naam] werkte en dat hij het slachtoffer, [slachtoffer], [slachtoffer] noemde. Getuige [getuige 3] heeft voorts verklaard dat hij op 8 november 1999 om 20:00 uur samen met [slachtoffer] was begonnen met werken in [naam] en dat hij tot de volgende ochtend samen met [slachtoffer] had gewerkt in de zaak. Op 9 november 1999 tussen 04:30 en 05:00 uur was [getuige 1] ([getuige 1]) in de zaak gekomen om de kas op te maken en was daarna weer weggegaan. Toen getuige [getuige 3] de zaak tussen 06:30 en 07:00 uur verliet, was er naast [slachtoffer] nog één man in de zaak. Deze man, aldus getuige [getuige 3], sprak Turks, en was door getuige nooit eerder gezien. Deze man had toen hij in de zaak was alleen bij de automaat gestaan en had op die automaat gespeeld. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij niet wist of deze man iets had gedronken, maar dat als hij iets had gedronken zijn glas of kopje in ieder geval niet was opgeruimd en nog bij de automaat moest staan. Voordat getuige [getuige 3] wegging was er ook nog een Marokkaanse man met een mager postuur en een lang gezicht in de zaak geweest die getuige wel van gezicht kende en die [getuige 1] ook kende.

Op 10 november 1999 heeft [getuige 3] aanvullend verklaard30 dat hij op 9 november 1999 tussen 06:30 en 07:00 uur naar huis was gegaan, dat hij toen hij bezig was met het schoonmaken van de zaak, op de klok in de zaak had gekeken en dat het toen 06:00 uur was, dat hij vervolgens nog ongeveer een half uurtje had gewerkt voordat hij klaar was met zijn werk, dat hij daarna direct naar huis was gegaan en dat [slachtoffer] toen achterbleef met de klant die achter de speelautomaat zat die meteen naast de deur stond. [getuige 3] heeft verklaard dat hij de Turks sprekende man niet in de zaak had zien binnenkomen omdat hij druk bezig was met schoonmaken, dat hij voor [slachtoffer] nog een kopje koffie had ingeschonken, dat [slachtoffer] toen achter een tafeltje zat, dat op dat tafeltje nog een asbak stond en dat hij, [getuige 3], alle andere asbakken al had schoongemaakt. Op 28 december 1999 heeft [getuige 3] verklaard31 dat degene die als nummer 1 op het fotoblad staat, de Marokkaan is die hij eerder noemde als de Marokkaan die mager is en een lang gezicht heeft.

Foto 1 op het zogenoemde fotoblad is volgen de bijlage bij het fotoblad de politiefoto van [K], geboren op [1970].32

Getuige [getuige 4] heeft verklaard33 dat hij op 9 november 1999 omstreeks 06:55 uur langs de shoarmazaak [naam] op de [adres] liep, dat hij zag dat er in de zaak een zwak gelig licht brandde, dat hij zag dat er niemand bij de twee speelautomaten stond, dat hij via de glazen toegangsdeur van [naam] weer naar binnen keek, dat hij ‘iets’ zag liggen op de grond en hij toen bij zichzelf dacht ‘ze slapen tegenwoordig al op de vloer’.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard34 dat hij in de nacht van 8 november 1999 op 9 november 1999 in de shoarmazaak was geweest, en dat hij toen hij die morgen de shoarmazaak verliet er nog drie personen in de shoarmazaak waren, te weten de man op foto 4, de man op foto 7 en de man op foto 1.

Foto 1 op het zogenoemde fotoblad is volgen de bijlage bij het fotoblad de politiefoto van [K], de man op foto 4 is [slachtoffer] en man op foto 7 is [getuige 3].35

Getuige [getuige 6] heeft verklaard36 dat hij in 1999 bij bakkerij [naam] werkte, dat hij wel eens in de shoarmazaak [naam] was geweest, dat hij wel met collega [M] in die zaak kwam, dat er sommige collega’s wel eens mee gingen en dat hij zich niet kon herinneren dat verdachte, toen collega van getuige [getuige 6], was mee geweest naar [naam].

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Het door verdachte geschetste alternatieve scenario

Verdachte heeft op de regiezitting van 27 september 2013, tijdens het verhoor door de politie van 16 oktober 2013 en op de zitting van 18 maart 2014 verklaard dat hij op 9 november 1999 om vijf uur of kwart over vijf even in de shoarmazaak [naam] was geweest, dat hij shoarma wou snijden, dat hij zelf achter de balie was gegaan om te snijden, dat hij zich daarbij had gesneden, dat hij zich daarna had omgedraaid, dat hij van een rol met servetjes een stuk had afgehaald, dat hij daarbij blijkbaar bloed had gedruppeld, en dat hij vervolgens [slachtoffer] een hand had gegeven en weg was gegaan.

Verdachte heeft op de zitting van 18 maart 2014 verklaard dat als hij klaar was met zijn werk bij bakkerij [naam] hij bij [naam] een broodje ging halen en dat hij dat bijna elke dag deed.

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het door verdachte geschetste scenario dat hij zich bij het snijden van de shoarmarol heeft gesneden en dat er om die reden bloedsporen van hem zijn aangetroffen op en rond de kassa, niet geloofwaardig. Voor de rechtbank staat op grond van de getuigenverklaringen vast dat verdachte ten tijde van het incident geen bekende was in de shoarmazaak en dat het om die reden niet geloofwaardig is dat verdachte van de werknemers die op dat moment aanwezig waren, zelf shoarma mocht snijden.

Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is het boven gerede twijfel dat verdachte zich rond 6:30 uur, nadat [getuige 3] de zaak had verlaten, nog samen met het slachtoffer in de shoarmazaak bevond. Getuige [getuige 3] had de zaak toen al schoongemaakt. Uit de foto’s 5 en 6 van de verkoop-/wachtruimte en de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat de plek van de shoarma-apparatuur ten tijde van het aantreffen van het slachtoffer was uitgeschakeld en schoongemaakt. Ook gezien deze omstandigheden is het onaannemelijk dat verdachte tussen het moment dat [getuige 3] de zaak verliet, ongeveer 6:30 uur en het tijdstip waarop getuige [getuige 4] iets zag liggen op de vloer van de verkoop-/wachtruimte, zijnde ongeveer 6:55 uur, nog shoarma heeft gesneden.

Bloedsporen rond de kassa

Nu de rechtbank het door verdachte geschetste scenario voor de rond de kassa aangetroffen bloedsporen niet geloofwaardig acht, en verdachte ook overigens geen enkele redelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van die bloedsporen, wijzen de sporen er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte om een andere reden zijn bloedsporen heeft achtergelaten, namelijk omdat hij kennelijk op zoek was naar geld en dat hij, gelet op de aangifte van diefstal, daarbij uit de kassa en uit de lade onder de kassa een bedrag van ongeveer fl. 515,00 heeft weggenomen.

Steekpartij

Gelet op de op de witte plavuizenvloer achter de bar/toonbank aangetroffen op schoenafdrukken gelijkende bloedsporen, heeft de diefstal van genoemd bedrag plaatsgevonden na de steekpartij. Dat niet visueel is waargenomen dat de schoensporen helemaal tot aan de kassa doorlopen maakt dat niet anders. De twee sporen lopen immers vanaf de vloerbedekking sterk richting de kassa en aangezien het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de aanwezigheid in de shoarmazaak [naam] na 06:30 uur van een 3e of 4e persoon, naast verdachte en het slachtoffer, kan het niet anders zijn dan dat verdachte degene is die [slachtoffer] de steekwonden heeft toegebracht en vervolgens, nadat er veel bloed was gevloeid, schoensporen heeft achtergelaten op de witte plavuizenvloer.

Uit het dossier blijkt voorts dat er in de verkoop-/wachtruimte een worsteling heeft plaatsgevonden, waarbij diverse meubels omver zijn gevallen. Het slachtoffer is in de rechterhoek van de verkoopruimte op de grond terecht gekomen en vandaar uit aan zijn benen versleept naar de eetruimte achter de verkoop-/wachtruimte.

Het aantreffen van DNA-materiaal van verdachte op een sok van het slachtoffer en in het nagelvuil van de linkerhand van het slachtoffer, acht de rechtbank een bevestiging voor haar oordeel dat het verdachte is die bij de worsteling was betrokken en het ook verdachte is die het slachtoffer aan zijn benen heeft versleept naar de eetruimte.

Tijdstip van overlijden

De verdediging heeft betoogd dat het slachtoffer omstreeks 08:00 uur is overleden, namelijk zeker zes uur voordat de metingen waren gestart.

Uit het dossier blijkt dat om 13:40 uur is begonnen met de rectale temperatuurbepalingen en dat de lijkschouwer op grond van deze metingen, concludeerde dat het slachtoffer al zeker zes uur dood was. Hoewel de tekst van het desbetreffende proces-verbaal strikt taalkundig de mogelijkheid openlaat dat die ”zekere zes” uur geldt vanaf het moment dat de metingen waren verricht, gaat de rechtbank er vanuit dat, nu op geen enkele manier is gebleken dat het proces-verbaal op deze manier zou moeten worden gelezen, die “zekere zes” uur geldt vanaf het moment dat de lijkschouwer de dood vaststelde, namelijk om 13:30 uur. Deze slotsom sluit ook aan bij de getuigenverklaring van [getuige 4] die om 06:55 uur ‘iets’ op de grond zag liggen en toen bij zichzelf dacht ‘ze slapen tegenwoordig al op de vloer’.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van (ongeveer) 500 gulden, in elk geval enig geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

doodslag, gevolgd en/of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 9 november 1999 het slachtoffer op brute en buitensporig gewelddadige wijze met 29 steken om het leven gebracht en geld uit de zaak geroofd. Verdachte heeft zich kennelijk louter laten leiden door geldelijk gewin.

De gewelddadige doodslag op het slachtoffer heeft een schok in de lokale samenleving teweeg gebracht en heeft bijgedragen aan algemene gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft niet alleen het leven ontnomen van een toen 36-jarige man, maar zijn handelen heeft tevens het leven van de naaste familieleden getekend.

Een misdaad als deze kan niet anders worden beantwoord dan met een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank zal bij de beoordeling van een zaak en de oplegging van een straf rekening houden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd in de periode hier in geding.

Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 maart 2014 is verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld, waaronder op 4 juni 1996 voor overvallen en op 18 juli 2003 voor mishandeling. Voor het overige heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voornamelijk vermogensdelicten.

De rechtbank acht verder van belang dat verdachte zich na dit strafbare feit niet meer aan dergelijke ernstige feiten schuldig heeft gemaakt, zodat het aspect van bescherming van de samenleving thans minder actueel is. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om enigszins af te wijken van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 jaren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis afwijzen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De vordering

De benadeelde partij [zoon], zoon van het slachtoffer, heeft op 7 maart 2014 schriftelijk een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële kosten gevorderd ten bedrage van € 5.740,00, bestaande uit medische kosten van € 150,00, verlies aan arbeidsvermogen van € 150,00, reiskosten van

€ 80,00, uitvaartkosten van € 5.320,00 en telefoonkosten van € 40,00.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, aangezien de vordering niet is onderbouwd met stukken, en verzocht de benadeelde partij te verwijzen naar de burgerlijke rechter.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de indiening van de vordering tardief is, en dat, indien de rechtbank van oordeel is dat de vordering wel tijdig is ingediend, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op het door de verdediging ingenomen standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering omdat de vordering niet onderbouwd is.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft op 7 maart 2014 haar vordering ingediend. Dat het (slachtofferloket van het) Openbaar Ministerie pas op 18 maart 2014 tijdens de terechtzitting deze vordering ter kennis heeft gebracht aan de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank, is buitengewoon ergerlijk, maar kan de benadeelde partij niet worden tegengeworpen.

De verdediging heeft zich, tijdens de zitting, kunnen voorbereiden op deze vordering en heeft over de vordering een standpunt ingenomen. Niet gebleken is dat de verdediging door de late bekendmaking van de vordering in haar belangen is geschaad.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook in haar vordering ontvangen.

De behandeling van de vordering van [slachtoffer] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht de kosten wat betreft de transportkosten van het lichaam van het slachtoffer voldoende onderbouwd en de overige posten grotendeels aannemelijk als reële schadeposten. De rechtbank begroot de materiële schade op € 5.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 27, 36f, 57, 63 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

doodslag, gevolgd en/of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaren;

- beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter aangebracht kan worden;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], € 5.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 1999, bij niet betaling te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.K. van Riemsdijk, voorzitter,

mrs. E.A. Messer en P.J.M. Mol, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 april 2014.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

BIJLAGE

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg die

[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een

(of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van (ongeveer) 500,- gulden, in elk geval enig geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

Meest subsidiair

hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 500,- gulden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [getuige 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), heeft gestoken en/of gesneden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 1999, opgenomen op pagina 667-669 van het proces-verbaal dossiernummer PL0914/99-006045, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 919

2 Het proces-verbaal d.d. 24 november 1999, opgenomen op pagina 12-30 van het technisch onderzoek P10914-649811, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 288, ihb pag 17-19

3 Het samenvattend proces-verbaal d.d. 17 mei 2000, opgenomen op pagina 5-11van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

4 Waarschuwing betreffende een niet-natuurlijke dood alsmede verslag betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, beide gedateerd 9 november 1999, opgenomen op pagina 119 en 120 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

5 Voorlopig verslag dr. [B] d.d. 10 november 1999, opgenomen op pagina 41, van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

6 NFI-rapport d.d. 17 december 1999, opgenomen op pagina 187-193 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek

7 Het proces-verbaal d.d. 24 november 1999, opgenomen op pagina 12-30 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

8 Het proces-verbaal beeldmateriaal d.d. 3 april 2000, opgenomen op pagina 100-174 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek, ihb pag 108-114, 119

9 Het proces-verbaal d.d. 11 november 1999, opgenomen op pagina 31-33 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

10 Het proces-verbaal van aanvraag DNA-onderzoek sporen, opgenomen op pagina 205 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek

11 Het proces-verbaal van de lijkschouw d.d. 6 december 1999, opgenomen op pagina 37-40 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

12 De verzamellijst van de technische recherche d.d. 6 december 1999, opgenomen op pagina 42-43 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek, ihb pag 42.

13 NFI-rapport d.d. 15 februari 2000, opgenomen op pagina 194-198 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

14 NFI-rapport d.d. 21 augustus 2000, opgenomen op pagina 199-203 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

15 NFI-rapport d.d. 31 oktober 2007, opgenomen op pagina 208-214 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

16 Bevel d.d. 9 februari 2012, opgenomen op pagina 215-216 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

17 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 24 november 2012, opgenomen op pagina 217-218 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek

18 De opdracht afname en onderzoek DNA-materiaal d.d. 25 november 2012, opgenomen op pagina 221-222 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek

19 Het NFI-rapport d.d. 22 januari 2013, opgenomen op pagina 224-226 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

20 NFI-rapport d.d. 20 juni 2013, opgenomen op pagina 230-243 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

21 NFI-rapport d.d. 31 oktober 2007, opgenomen op pagina 208-214 van het onder voetnoot 2 genoemde technisch onderzoek.

22 NFI-rapport d.d. 24 december 2013.

23 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 november 1999, opgenomen op pagina 196-197 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

24 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 1999 met bijlagen, opgenomen op pagina 122-125 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 9 november 1999, opgenomen op pagina 198-202 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

26 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 11 november 1999, opgenomen op pagina 208-212 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

27 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 27 december 1999, opgenomen op pagina 396-398 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

28 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 10 november 1999, opgenomen op pagina 416/417 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

29 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 9 november 1999, opgenomen op pagina 363-366 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

30 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 10 november 1999, opgenomen op pagina 368-373 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

31 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 28 december 1999, opgenomen op pagina 379-382 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

32 Fotobladen met bijlage, opgenomen op pagina 670-672 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

33 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 11 november 1999, opgenomen op pagina 425-427 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

34 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 5] d.d. 25 november 1999, opgenomen op pagina 441-443 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

35 Fotobladen met bijlage, opgenomen op pagina 670-672 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

36 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] d.d. 13 augustus 2013 met bijlagen, opgenomen op pagina 347-354 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.