Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1225

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
16-659801-13; 16-144024-13 (ttz. gevoegd) en 16-137782-13 (ttz. gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van meerdere diefstallen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/659801-13; 16/144024-13 (ttz. gevoegd) en 16/137782-13 (ttz. gevoegd) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 27 maart 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats 1],

wonende te [adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. N.P. van Dijk, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van 16/659801-13:

Op 5 september 2013 in Houten kledingstukken heeft gestolen van [A], [B] en [C].

Ten aanzien van 16/144024-13:

op 6 augustus 2013 in Utrecht een tas en een portemonnee heeft gestolen van [benadeelde].

Ten aanzien van 16/137782-13:

Ten aanzien van feit 1: op 8 maart 2013 te Houten kleding heeft gestolen van [D];

Ten aanzien van feit 2: op 21 februari 2013 te Houten een jas heeft gestolen van [D];

Ten aanzien van feit 3: op 4 juni 2013 te Houten verzorgingsproducten/cosmetica-artikelen heeft gestolen van [E];

Ten aanzien van feit 4: op 17 juli 2013 te Houten T-shirts heeft gestolen van [A].

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 16/659801-13 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/144024-13 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De officier van justitie acht de feiten 1 tot en met 4 onder parketnummer 16/137782-13 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 16/659801-13 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het feit zoals ten laste gelegd onder parketnummer 16/144024-13 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte heeft verklaard dat hij geslagen werd met de tas en de tas vervolgens heeft afgepakt. Van diefstal was derhalve geen sprake. In het tumult dat vervolgens ontstond kan de portemonnee van aangeefster op de grond zijn gevallen. Verdachte heeft bij zijn aanhouding zijn eigen portemonnee getrokken.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de feiten 1 tot en met 4 zoals ten laste gelegd onder parketnummer 16/137782-13 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van 16/659801-13:

Aangezien verdachte de feiten heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

- De aangifte van [aangever 1] namens [A] te Houten, met bijlage weggenomen goederen2;

- De aangifte van [aangever 2] namens [B] te Houten, met bijlage weggenomen goederen3;

- De aangifte van [aangever 3] namens [C] te Houten, met bijlage weggenomen goederen4;

- De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2014.5

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem ten laste is gelegd op de wijze als hierna onder de bewezenverklaring vermeld.

Ten aanzien van 16/144024-13:

De feiten

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.6

Aangeefster [benadeelde] heeft verklaard dat zij op 6 augustus 2013 op het terras aan de Neude te Utrecht zat. Zij had haar witte handtas op een stoel naast haar gelegd. Toen zij terugkwam van het toilet hoorde zij dat haar tas was weggenomen en dat haar vrienden achter een man aan het rennen waren. Zij is een zijstraat in gerend en zag daar haar vrienden en de politie staan. Zij kreeg haar witte handtas terug en zag dat een agent haar portemonnee vasthield.7

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 6 augustus 2013 op het terras zat aan de Neude te Utrecht toen hij van een jongen hoorde dat de tas van [benadeelde] (de rechtbank begrijpt: aangeefster) was meegenomen. [getuige] zag deze persoon wijzen naar een man die van hen wegrende. Hij zag dat de man een witte tas onder zijn arm vasthield.8 [getuige] is achter de man aangerend en zag vervolgens dat de politie de man staande hield. [getuige] zag dat de man een portemonnee liet vallen en herkent deze portemonnee als de portemonnee van [benadeelde].9

Verbalisanten kregen op 6 augustus 2013 een melding van een diefstal van een tas. Zij zagen dat collega’s in de Pauwstraat een man aanhielden. De verbalisant zag naast de verdachte een witte handtas staan en zag dat de verdachte een portemonnee in zijn hand vasthield en vervolgens liet vallen. Een onbekende jongen pakte de portemonnee van de grond en gaf hem aan de verbalisant. De verbalisant hoorde later van aangeefster dat het haar tas en portemonnee betrof.10

Op het politiebureau gaf de aangehouden verdachte op te zijn: [verdachte], geboren op [1964] te [geboorteplaats 2].11

Bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte werd geslagen met de tas en dat hij de tas daarop zou hebben afgepakt. Van diefstal zou derhalve geen sprake zijn. De rechtbank stelt in dit kader vast dat de tas is weggenomen op de Neude in Utrecht. Door getuigen is gezien dat verdachte daarop is weggerend. Verdachte is vervolgens in de Pauwstraat in Utrecht door de politie aangehouden. De rechtbank stelt vast dat verdachte aldus een aanzienlijke afstand heeft afgelegd met de tas nadat hij vanaf de Neude is weggerend en totdat hij door de politie is aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, voor zover hij op het moment van afpakken van de tas niet reeds de intentie zou hebben gehad zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, verdachte zich de tas in elk geval daarna, tussen het wegnemen en zijn aanhouding wederrechtelijk heeft toegeëigend, door deze onder zich te houden en er mee weg te rennen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de portemonnee die verdachte bij zijn aanhouding vasthield zijn eigen portemonnee was en niet die van aangeefster. De rechtbank ziet hiervoor geen feitelijke grondslag. Getuige [getuige] herkent de portemonnee die verdachte laat vallen als de portemonnee van aangeefster en verbalisanten relateren dat zij zien dat verdachte een portemonnee op de grond laat vallen en dat aangeefster later verklaart dat die portemonnee van haar is.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem ten laste is gelegd op de wijze als hierna onder de bewezenverklaring vermeld.

Ten aanzien van 16/137782-13:

Aangezien verdachte de feiten heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, onder toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen12:

Ten aanzien van feit 1:

- De aangifte van [aangever 4] namens [D] te Houten13;

Ten aanzien van feit 2:

- De aangifte van [aangever 4] namens [D] te Houten, met bijlage weggenomen goederen14;

Ten aanzien van feit 3:

- De aangifte van [aangever 5] namens [E] te Houten, met bijlage weggenomen goederen15;

Ten aanzien van feit 4:

- De aangifte van [aangever 6] namens [A] te Houten, met bijlage weggenomen goederen16;

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4:

- De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2014.17

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem ten laste is gelegd op de wijze als hierna onder de bewezenverklaring vermeld.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 16/659801-13:

op 05 september 2013 te Houten, meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, en wel:

- uit een winkel, gelegen aan [adres], een hoeveelheid kleding, toebehorende aan de [A] en

- uit een winkel, gelegen aan [adres], een hoeveelheid kleding, toebehorende aan [B] en/of [aangever 2] en

- uit een winkel, gelegen aan [adres], een hoeveelheid kleding, toebehorende aan [C];

Ten aanzien van parketnummer 16/144024-13:

op 6 augustus 2013 in de gemeente Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een witte handtas met daarin een portemonnee, toebehorende aan [benadeelde];

Ten aanzien van parketnummer 16/137782-13:

1.

op 8 maart 2013 te Houten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding toebehorende aan [D];

2.

op 21 februari 2013 te Houten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas, toebehorende aan [D];

3.

op 4 juni 2013 te Houten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid verzorgingsproducten/cosmetica-artikelen, toebehorende aan [E];

4.

op 17 juli 2013 te Houten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twaalf t-shirts, toebehorende aan [A].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van 16/659801-13: diefstal, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van 16/1440424-13: diefstal;

Ten aanzien van 16/137782-13 feiten 1 tot en met 4: telkens: diefstal.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank let met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte op de hem betreffende pro justitia rapportages van psychiater drs. T.A. Wouters d.d. 26 december 2014 en klinisch psycholoog drs. R.K.F. Lemmens d.d. 3 januari 2014. Deze deskundigen adviseren de rechtbank om verdachte tenminste als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze adviezen over. De rechtbank beschouwt verdachte daarom als verminderd toerekeningsvatbaar.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder parketnummer 16/659801-13, parketnummer 16/1440424-13 en parketnummer 16/137782-13 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich dient te melden bij de reclassering, zich moet laten behandelen door De Waag en zich moet laten behandelen door Victas.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde onder parketnummer 16/1440424-13. De verdediging verzoekt om ten aanzien van de feiten zoals ten laste gelegd onder parketnummers 16/659801-13 en 16/137782-13 te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die in het reclasseringsrapport van 27 februari 2014 zijn geformuleerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende winkeldiefstallen. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder opleveren voor de gedupeerde bedrijven. Diefstallen kosten winkels, en daardoor ook het publiek, jaarlijks veel geld. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een tas en een portemonnee vanaf een terras. Dit soort diefstallen veroorzaken in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft voorts gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 11 februari 2014, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten en waar verdachte kennelijk geen lessen uit heeft getrokken. Laatstelijk is verdachte op 26 juni 2012 door de politierechter veroordeeld voor een diefstal tot een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.

De rechtbank heeft ook gelet op de rapportage pro justitia betreffende verdachte, op 26 december 2013 opgemaakt door drs. T.S. Wouters, psychiater. Daaruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een posttraumatische stressstoornis, als mede een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Deze gebrekkige ontwikkeling komt tot uiting in een beneden gemiddelde intelligentie, een impulsregulatiestoornis NAO en een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline en antisociale trekken. Ook is er sprake van middelengebruik, met name cannabis en cocaïne. Indien de klachten van verdachte niet behandeld worden is er sprake van een hoog recidiverisico. Verdachte is inmiddels bezig met een adequate behandeling hiervoor.

De rechtbank heeft voorts gelet op de rapportage pro justitia betreffende verdachte, op 3 januari 2014 opgemaakt door drs. R.K.F. Lemmens, klinisch psycholoog. Daaruit blijkt dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van cannabisafhankelijkheid, posttraumatische stressstoornis en een impulscontrolestoornis. Tevens lijdt hij aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische trekken. Hierdoor is verdachte gepredisponeerd tot het ervaren van interne spanningen die hij niet adequaat kan hanteren. Een deel van deze spanning wordt door hem getransformeerd tot als positief ervaren spanning door middel van het opzoeken en vertonen van riskant gedrag (bijvoorbeeld stelen). Vanwege zijn impulscontrolestoornis en zijn persoonlijkheidsstoornis is hij minder dan de gemiddelde Nederlander in staat zijn impulsen te beheersen en weerstand te bieden tegen de opwinding die het stelen bij hem teweeg brengt, hoewel hij zich het ontoelaatbare van zijn gedrag wel realiseert.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 27 februari 2014. Daaruit blijkt dat verdachte een EMDR-traumabehandeling bij De Waag volgt en dat hij medicatie krijgt vanuit Altrecht. De reclassering acht het belangrijk dat deze behandelingen in een verplicht kader worden voortgezet. Het recidiverisico wordt vooralsnog hoog ingeschat, omdat betrokkene nog in behandeling is voor zijn PTSS. De reclassering adviseert om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Nederland en een verplichte behandeling bij de Waag (Forensische) psychiatrie voor PTSS en (Forensische) verslavingszorg – persoonlijkheidsbehandeling of soortgelijke ambulante forensische zorg.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, de langdurige problematiek van verdachte en het feit dat hij pas recentelijk is begonnen met het volgen van een therapie een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van drie jaren passend is. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van 16/659801-13: diefstal, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van 16/144024-13: diefstal;

Ten aanzien van 16/137782-13 feiten 1 tot en met 4: telkens: diefstal.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren niet aan de navolgende voorwaarden heeft gehouden:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich na het onherroepelijk worden van dit vonnis binnen drie dagen meldt bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt, ook als dat inhoudt een behandeling bij Victas verslavingszorg, zulks ter beoordeling van de reclassering;

  2. zich ambulant moet laten behandelen bij de polikliniek De Waag of een vergelijkbare instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. C.A.M. van Straalen en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2014.

Mr. G.D. Kleijne is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Ten aanzien van parketnummer 16/659801-13:

hij op of omstreeks 05 september 2013 te Houten, meermalen, in elk geval

eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in

elk geval aan een ander dan aan verdachte, en wel:

- in/uit een winkel, gelegen aan [adres], een hoeveelheid kleding, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [A] en/of

- in/uit een winkel, gelegen aan [adres], een hoeveelheid kleding, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B] en/of [aangever 2]

[aangever 2] en/of

- in/uit een winkel, gelegen aan [adres], een hoeveelheid kleding, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [C];

art 310 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van parketnummer 16/144024-13:

hij op of omstreeks 6 augustus 2013 in de gemeente Utrecht met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (witte) handtas (met

daarin een portemonnee), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van parketnummer 16/137782-13:

1.

hij op of omstreeks 8 maart 2013 te Houten met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee trainingspakken, in elk

geval een hoeveelheid kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 februari 2013 te Houten met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [D], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 4 juni 2013 te Houten met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid

verzorgingsproducten/cosmetica-artikelen, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [E], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 17 juli 2013 te Houten met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twaalf, althans een of meer

t-shirts, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0960 2013199752 z bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder ten vijfde, Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens [A], met bijlage weggenomen goederen, d.d. 5 september 2013, p. 16-18.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] namens [B], met bijlage weggenomen goederen, d.d. 5 september 2013, p. 22-24.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] namens [C], met bijlage weggenomen goederen, d.d. 5 september 2013, p. 28-30.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de zitting van 13 maart 2014.

6 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0910 2013175825 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder ten vijfde, Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde], d.d. 6 augustus 2013, p. 7.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], d.d. 6 augustus 2013, p. 5.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], d.d. 6 augustus 2013, p. 6.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 augustus 2013, p. 12.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 augustus 2013, p. 11.

12 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0960 2013169721 z bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder ten vijfde, Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] namens [D], d.d. 8 maart 2013, p. 9-11.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] namens [D], met bijlage weggenomen goederen, d.d. 22 februari 2013, p. 4-7.

15 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 5], met bijlage weggenomen goederen, d.d. 6 juni 2013, p. 17-20.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 6], met bijlage weggenomen goederen, d.d. 26 juli 2013, p. 21-23.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 13 maart 2014.