Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3412

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
07/661064-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht, medeplegen van doodslag op grensrechter. De rechtbank veroordeelt verdachte tot onder meer 24 maanden jeugddetentie, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 07/661064-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1995] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op 11 maart 2013, 29 mei 2013, 30 mei 2013, 31 mei 2013, 1 juni 2013 en 3 juni 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. van Weerden, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mr. J. Zeilstra en mr. S.J. Buis, en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte en verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd

[slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een traumatische beschadiging van een wervelslagader, met als gevolg infarcering van de hersenstam) heeft toegebracht, door meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze is overleden;

2.

hij op of omstreeks 02 december 2012 te Almere met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten op het terrein van voetbalvereniging [Voetbalvereniging 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen

het lichaam van die [slachtoffer 2].

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op zondagochtend 2 december 2012 vond een incident plaats op het voetbalveld van de voetbalclub [Voetbalvereniging 2] in Almere waarbij een aantal personen van de zijde van [Voetbalvereniging 1], de grensrechter [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en de keeper [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) van de voetbalclub [Voetbalvereniging 2] waren betrokken.

Enkele uren na dit incident werd [slachtoffer 1] onwel en werd hij per ambulance vervoerd naar het Flevoziekenhuis in Almere. Omdat zijn toestand snel verslechterde werd hij vervolgens overgebracht naar het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein.

In het ziekenhuis werd een beschadiging van de linker wervelslagader, een dissectie, vastgesteld. Hierdoor was er een bloedophoping ontstaan tussen de beschadigde wandlagen van de wervelslagader en werd de doorgang van de slagader grotendeels afgesloten. Door de afsluiting van de betrokken wervelslagader was er een verminderde doorbloeding in de slagader in het verdere verloop, de arteria basilaris. De doorgang van deze arteria basilaris verstopte geheel door de vorming van een bloedstolsel. Dit gaf aanleiding tot voortschrijdende infarcering van de kleine hersenen en de hersenstam. Ten gevolge hiervan overleed [slachtoffer 1] op 3 december 2012 om 17:00 uur.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Dit vonnis bevat een aantal algemene overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen zijn gelijkluidend in de vonnissen van verdachte [verdachte] en de andere verdachten met uitzondering van het vonnis van verdachte [medeverdachte B]. De rechtbank acht het voor de begrijpelijkheid van de beslissingen noodzakelijk dat alle vonnissen - met uitzondering van het vonnis van verdachte [medeverdachte B] - van dezelfde uitgangspunten uitgaan. Dat betekent dat in het vonnis van deze verdachte passages kunnen voorkomen die betrekking hebben op verweren die niet door [verdachte] en/of zijn raadsvrouwe zijn gevoerd. De overweging is in dat geval ambtshalve, en om bovengenoemde reden, opgenomen. Voor de begrijpelijkheid en leesbaarheid van het vonnis in zijn geheel bevat dit vonnis naast een aantal algemene overwegingen die voor alle verdachten behalve [medeverdachte B] gelden tevens de bewijsoverwegingen die gelden voor de medeverdachten met uitzondering van de bewijsoverwegingen ten aanzien van [medeverdachte B].

Getuigenverklaringen

De rechtbank stelt voorop dat zij voor het bewijs van de al dan niet betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten bij de ten laste gelegde gewelddadigheden overwegend bewijsmiddelen gebruikt afkomstig van anderen dan verdachte en zijn medeverdachten en hun naaste familieleden. De rechtbank put aldus zoveel mogelijk uit objectieve bronnen, waarvan - anders dan van de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten en hun naaste familieleden - aannemelijk is dat deze niet zijn beïnvloed door een direct persoonlijk belang bij de afloop van deze zaak.

Dit geldt ook voor de verklaringen waarop de rechtbank haar zienswijze baseert met betrekking tot hetgeen zich heeft afgespeeld op 2 december jl. Deze verklaringen zullen bij de beoordeling van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen per verdachte uitgebreid aan de orde komen. Reden waarom de rechtbank bij de weergave van haar zienswijze op het incident in het algemeen niet uit verklaringen van getuigen zal citeren, maar in voetnoten zal verwijzen naar de verschillende getuigenverklaringen die zij daarbij in ogenschouw heeft genomen.

De rechtbank gebruikt wel de (tweede politie)verklaring van medeverdachte [medeverdachte C]. De rechtbank gebruikt deze verklaring alleen voor het bewijs ten aanzien van het verloop van het incident en dan met name ten aanzien van de mate van het toegepaste geweld. De rechtbank vindt dat onderdeel van de verklaring van [medeverdachte C] bruikbaar voor het bewijs, aangezien dat deel wordt ondersteund door andere, meer objectieve, bewijsmiddelen zoals deze hierna onder het kopje “[verdachte]” besproken zullen worden. Dat [medeverdachte C] ter terechtzitting van 29 mei jl. heeft verklaard dat zijn eerder afgelegde verklaringen deels juist en deels onjuist zijn, doet daaraan niet af, nu hij niet heeft aangegeven dat zijn verklaring met betrekking tot de mate van het toegepaste geweld onjuist is.

Eén van de getuigen aan wie de rechtbank ook ten aanzien van het algemene verloop van het incident veel betekenis hecht is de zoon van [slachtoffer 1], zijnde [getuige 1]. De redenen waarom zullen hierna, bij de beoordeling van de bewijsmiddelen per verdachte, (ook) uitgebreid aan de orde komen.

Nu de verdediging ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaring(en) van verschillende getuigen, onder wie [getuige 1] - onder meer - het verweer heeft gevoerd dat in strijd is gehandeld met de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’ zal de rechtbank dat verweer reeds hieronder bespreken.

Verweer auditief en audiovisueel registreren van verhoren

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verschillende door verdachten en getuigen bij de politie afgelegde verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze verhoren in strijd met de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’, niet of niet op de juiste wijze auditief of audiovisueel zijn geregistreerd. Om die reden is de verdediging van mening dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De Aanwijzing beoogt bij te dragen aan de mogelijkheden om de gang van zaken bij de verhoren desgewenst in een latere fase van het proces te controleren. Met de verdediging constateert de rechtbank dat niet alle verhoren van verdachten en getuigen bij de politie hebben plaatsgevonden in overeenstemming met voornoemde Aanwijzing. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op.

Nu echter door dit verzuim geen belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel is geschonden en verdachten hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad, zal de rechtbank volstaan met de enkele vaststelling dat er sprake is van een vormverzuim en hieraan geen rechtsgevolgen verbinden.

Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de verdediging in de gelegenheid is geweest om de personen, die eerder bij de politie hadden verklaard, bij de rechter-commissaris te ondervragen teneinde de gang van zaken bij de politieverhoren te controleren.

Voornoemd vormverzuim is voor de rechtbank geen reden de bedoelde verklaringen bij de politie uit te sluiten van het bewijs.

Foto’s

Ten aanzien van de in het dossier voorhanden zijnde foto’s merkt de rechtbank ambtshalve het volgende op. De foto’s bewijzen dat iemand zich op een bepaald moment op een bepaalde plaats (op het veld) bevindt. Echter, niet ieder moment in de hele gebeurtenis is gefotografeerd en er zijn geen bewegende beelden. De rechtbank is daarom uitermate terughoudend met het interpreteren van de houding/positie die de personen op die foto’s aannemen. In het bijzonder valt naar het oordeel van de rechtbank op de foto’s niet te zien wie zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde geweldshandelingen: het schoppen, trappen, slaan of stompen. Aan de andere kant betekent het feit dat verdachten op bepaalde foto’s niet of in een kennelijk afzijdige positie te zien zijn, nog niet zonder meer dat zij zich niet aan die geweldshandelingen hebben schuldig gemaakt.

De verdediging heeft aangevoerd dat de aan de getuigen getoonde foto’s moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat de politie slechts een beperkte selectie van die foto’s heeft voorgehouden en niet de volledige set in chronologische volgorde. De levert naar het oordeel van de verdediging een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank overweegt hieromtrent dat geen rechtsregel meebrengt dat aan alle getuigen alle foto’s in chronologische volgorde hadden moeten worden getoond. Nu voorts gesteld noch aannemelijk geworden is dat de verdachten door de wijze van voorhouden van de foto’s op enigerlei wijze in hun belangen zijn geschaad, verwerpt de rechtbank dit verweer. De foto’s zijn dus bruikbaar voor het bewijs.

Globale beschrijving van het incident

Voordat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen per verdachte zal de rechtbank voor een juist begrip eerst in grote lijnen aangeven - eveneens op basis van die bewijsmiddelen - hoe het incident na afloop van de voetbalwedstrijd op 2 december 2012 zich heeft voltrokken, een en ander voor zover van belang voor de bewezenverklaring.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat er op 2 december jl. sprake is geweest van één incident dat onder te verdelen is in twee situaties, hoewel deze situaties elkaar in zeer kort tijdsbestek hebben opgevolgd.

Situatie 1

Nadat de voetbalwedstrijd tussen [Voetbalvereniging 1] en [Voetbalvereniging 2] ten einde was liep [slachtoffer 1] het veld op richting de middencirkel, waarna hij werd aangesproken door een aantal spelers van [Voetbalvereniging 1]. [slachtoffer 1] werd toen geslagen door een van de jongens uit die groep. Het was chaotisch, er stonden veel mensen op het veld en er werd gevochten. [slachtoffer 1] verloor toen een schoen, hij stond tussen heel veel mensen in. Eén jongen trok zijn shirt uit waarna hij [slachtoffer 1] van achteren benaderde en zeer krachtig tegen zijn onderbenen trapte, waardoor [slachtoffer 1] kwam te vallen. Toen [slachtoffer 1] op de grond lag gaf deze persoon hem nogmaals een krachtige trap tegen het bovenlichaam, gevolgd door een krachtige trap tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1]. Hierna rende de jongen weg in de richting van een woonwijk, even later kwam hij terug met een tak/stok in de hand. Toen [slachtoffer 1] op de grond lag is hij ook door andere spelers van [Voetbalvereniging 1] eenmaal tegen zijn hoofd getrapt en meermalen tegen zijn gezicht en/of zijn bovenlichaam (buik/zij) getrapt, het ging er hard aan toe. Medeverdachte [medeverdachte C] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer 1] “kapotgeramd” werd, hij was bang dat hij niet meer op zou staan.

Situatie 2

[slachtoffer 1] stond vervolgens met moeite op en probeerde weg te rennen richting de middencirkel. 3 à 4 jongens die bij hem hadden gestaan toen hij werd geslagen renden achter [slachtoffer 1] aan, alsook een kleine volwassen Marokkaanse man met een jas van [Voetbalvereniging 1] aan. [slachtoffer 1] werd toen door 1 van de spelers van [Voetbalvereniging 1] getackeld waardoor hij ten val kwam. Deze jongens, 3 à 4 spelers van [Voetbalvereniging 1], en de volwassen man gingen rondom [slachtoffer 1] staan en begonnen krachtig op hem in te slaan en te schoppen. Hij werd tegen het bovenlichaam en hoofd geslagen en geschopt. Ze raakten hem waar ze maar konden en haalden uit alsof ze tegen een bal schopten. De volwassen man trapte [slachtoffer 1] het meest op het hoofd. De keeper van [Voetbalvereniging 2], [slachtoffer 2], probeerde de volwassen man weg te duwen bij [slachtoffer 1] en kwam vervolgens ook op de grond terecht. Verdachte [medeverdachte B] is naar de vechtpartij toegelopen en heeft vervolgens [slachtoffer 2] een klap gegeven en hem tweemaal tegen zijn benen geschopt, terwijl [slachtoffer 1] werd geschopt door andere spelers van [Voetbalvereniging 1] en de volwassen man. Toen kwamen er veel omstanders bij en zijn de spelers van [Voetbalvereniging 1] en de volwassen man weggehaald bij [slachtoffer 1].

[medeverdachte E]

Nadat [medeverdachte E] zich aanvankelijk tegenover de politie op zijn zwijgrecht had beroepen, heeft hij op 31 januari jl. een verklaring tegenover de politie afgelegd over het geweld dat hij zou hebben gebruikt tegen de grensrechter. Hij heeft toen verklaard dat medeverdachte [medeverdachte C] de grensrechter van achteren vastpakte en op de grond gooide en hem een volle trap in het gezicht gaf. Hij, [medeverdachte E], kwam er toen bij en heeft de grensrechter een volle trap op zijn rechterschouder gegeven waarna hij wegliep richting een woonwijk, daar heeft hij een stok of tak opgepakt en is teruggegaan waarna hij naar de kleedkamer ging. Een man van [Voetbalvereniging 2] kwam de kleedkamer binnen en zei dat nummer 10 en 14 mee naar boven moesten. Hij en [medeverdachte A] zijn toen mee naar boven gegaan.

Ter terechtzitting van 29 mei jl. heeft [medeverdachte E] verklaard dat hij blijft bij zijn eerder afgelegde verklaringen en dat hij tijdens de wedstrijd rugnummer 10 droeg, dat hij onder zijn voetbalshirt een zwart shirt aan had en dat hij na de wedstrijd zijn voetbalshirt had uitgetrokken zodat zijn zwarte shirt zichtbaar was. Ter terechtzitting van 30 mei jl. heeft hij onder meer verklaard dat hij tijdens de voetbalwedstrijd 5 minuten het veld is uitgestuurd.

Ten aanzien van de rol van [medeverdachte E] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen één keer tegen de schouder van de grensrechter heeft getrapt terwijl deze op de grond lag, zoals verdachte heeft verklaard, maar dat hij meer geweld heeft gebruikt, bestaande uit het neerhalen van de grensrechter en het meermalen krachtig trappen tegen het lichaam van de grensrechter, waaronder één keer tegen het hoofd. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de volgende verklaringen.

Getuige [getuige 2] heeft kort na het incident, op de avond van 2 december 2012, bij de politie verklaard :

“(…) toen de wedstrijd ten einde was zag ik [slachtoffer 1] het veld op lopen waarna een aantal spelers van [Voetbalvereniging 1] zich tot hem wendden. (…) Ik hoorde toen echter plotseling gejoel achter me en toen ik achterom keek zag ik een aantal mensen duwen en trekken. Ik zag daarop een jongen zijn shirt uittrekken waarna hij [slachtoffer 1] van achteren benaderde en kennelijk zeer krachtig tegen zijn onderbenen trapte. Ik zag namelijk dat [slachtoffer 1] hierdoor onderuit viel. Ik zag dat deze persoon toen [slachtoffer 1] op de grond lag nogmaals een krachtige trap tegen het bovenlichaam van [slachtoffer 1] gaf. Hierop zag ik dat deze persoon nogmaals krachtig tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1] trapte. Ik zag [slachtoffer 1] hierdoor helemaal in elkaar duiken. (…) Ik zag dat de dader voor hij zijn shirt uit trok het nummer tien droeg. (…) Ik heb ook gehoord dat deze dader tijdens de wedstrijd meerdere malen [medeverdachte E] werd genoemd. Ik zag dat [medeverdachte E] nadat hij [slachtoffer 1] meermalen had getrapt weg rende in de richting van de kleedkamers. Ik ben nog achter hem aan gerend maar toen rende hij richting de woonwijk. Even later kwam hij terug met een tak in zijn hand.”

Bij de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 2] - onder meer - verklaard :

“[slachtoffer 1] stond voor me. Ik stond met het gezicht naar de kantine. [slachtoffer 1] stond met zijn gezicht naar de middencirkel. Op dat moment schiet hij langs mij heen en hoor ik achter mij een hoop kabaal. (…) Toen ik mij omdraaide zag ik dat er een vechtpartij gaande was. Het was lastig te zien er was een kluwen mensen. Hetgeen ik heb gezien is dat ik een jongen aan kwam lopen, zijn shirt uitdeed en naar [slachtoffer 1] rende en ondersteboven schopte. [slachtoffer 1] kreeg een paar schoppen van die jongen en reden om de andere heen en liep voor mij langs. Ik ben toen achter hem aan gegaan. (…) Ik zag dat de jongen vanaf de zijkant naar [slachtoffer 1] liep en hem ondersteboven met zijn benen veegde. Hij schopte [slachtoffer 1] tegen zijn benen en tegen zijn rug. Ik heb drie trappen waargenomen. (…) Schop 1 kan gezien worden dat [slachtoffer 1] ondersteboven werd getrapt. De tweede trap was een trap tussen schouderblad en zijn hoofd. Ik stond op dat moment zelf op de helft van het speelveld. Ik schat de afstand op maximaal 15 meter. De derde schop is de schop die [slachtoffer 1] kreeg toen hij op de grond lag. Deze schop was tegen het hoofd van [slachtoffer 1]. Daarna is de jongen weggerend. (…) U vraagt mij of ik het rugnummer nog weet van de jongen die ik achterna ben gelopen. Hij had zijn shirt uit. (…) U vraagt mij of ik ook een naam heb van de jongen die geschopt heeft. Ik heb gehoord dat er “[medeverdachte E]” is geroepen, zelf weet ik de naam niet. (…) Het klopt dat ik bij de politie heb aangegeven dat ik het rugnummer wel heb gezien. Ik weet het rugnummer nu niet meer. (…) De jongen wilde het veld af en liep richting de woonwijk. (…) Een aantal minuten later kwam hij met een tak terug. (…) We zeiden tegen hem dat hij die tak moest weggooien. Dat heeft hij gedaan en hij is naar de kleedkamer gegaan.(…) U vraagt mij of ik gezien heb welke twee jongens van [Voetbalvereniging 1] naar de bestuurskamer zijn gegaan. In ieder geval was één van de twee jongens de jongen die ook geschopt heeft en met een tak op ons af kwam. U vraagt mij of ik ook nog andere jongens iets heb zien doen. Nee. Ik was alleen gefocust op die ene jongen. De rest heb ik dus ook niet waargenomen.”

De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 2] voornoemd consistent en betrouwbaar. De verklaring van [getuige 2], zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, komt grotendeels overeen met zijn eerste politieverklaring, afgelegd op de avond van het incident. Desgevraagd heeft [getuige 2] aangegeven bij de politie naar waarheid verklaard te hebben. Het verweer dat [getuige 2] niet steeds gelijkluidend heeft verklaard omtrent onder meer het schoppen, waardoor op basis van zijn verklaringen niet is vast te stellen dat de jongen met het zwarte shirt [slachtoffer 1] op zijn hoofd heeft geraakt, wordt door de rechtbank verworpen. Zowel tijdens zijn eerste politieverhoor als tegenover de rechter-commissaris heeft de getuige heel expliciet aangegeven dat hij gezien heeft dat er tegen het hoofd is getrapt door de jongen die zijn (voetbal)shirt had uitgetrokken. Hij was gefocust op die ene jongen, waardoor hij naar het oordeel van de rechtbank een en ander goed heeft kunnen waarnemen. Het feit dat [getuige 2][medeverdachte E] niet heeft kunnen aanwijzen op de voorhanden zijnde foto’s doet aan het voorgaande niet af, nu hij consistent heeft verklaard over de jongen die zijn shirt had uitgedaan. [medeverdachte E] heeft zelf aangegeven dat hij degene was die zijn shirt had uitgetrokken. Gesteld noch gebleken is dat een andere speler ook zijn shirt had uitgetrokken. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat getuige [getuige 2] steeds verklaard heeft over [medeverdachte E] als degene die [slachtoffer 1] onderuit heeft getrapt, waarna hij nog meer trappen heeft uitgedeeld aan [slachtoffer 1], waaronder tegen het hoofd. Ook het door de verdediging aangevoerde feit dat door het Nederlands Forensisch Instituut geen letsel is geconstateerd op het achterhoofd van [slachtoffer 1], de plek waartegen [medeverdachte E] volgens [getuige 2] onder meer getrapt heeft, doet aan het voorgaande niet af. Het ontbreken van letsel is geen bewijs dat er geen geweld zou zijn gebruikt. Ter terechtzitting van 29 mei 2013. heeft de getuige-deskundige dr. Kubat heeft immers aangegeven dat het ontbreken van bloeduitstortingen niet hoeft te betekenen dat er geen uitwendig geweld op die plaatsen is uitgeoefend.

De verklaringen van [getuige 2] vinden steun in verschillende andere, hierna genoemde, getuigenverklaringen die de rechtbank ook consistent en betrouwbaar acht.

Getuige [getuige 3] heeft kort na het incident, op de avond van 2 december 2012, bij de politie verklaard :

“De wedstrijd was afgelopen. (…) Ik zag de jongens van team [Voetbalvereniging 1] toen in een keer naar [slachtoffer 1] rennen. Het ging nogal snel. Ik geloof dat nummer 8 [slachtoffer 1] neer veegde en ik zag nummer 8 [slachtoffer 1] een schop geven. (…) Ik zag dat die jongen eerst zijn rugnummer verborg en dat hij vol met de noppen van zijn voetbalschoen [slachtoffer 1] tegen het hoofd schopte ter hoogte van zijn nek. Dit deed hij met zijn rechtervoet. [slachtoffer 1] lag op de grond met zijn armen voor zijn hoofd. Na die schop liep die jongen weg. (….) het ging zo snel. (…) Ik denk wel dat er vier mensen op [slachtoffer 1] schopte. Het was één chaos. De enige schop die ik vol op het hoofd heb gezien was die ik omschreven heb hiervoor. De andere jongens zag ik op het lijf van [slachtoffer 1] schoppen. Het ging snel.”

Op 24 december 2012 heeft [getuige 3] onder meer bij de politie verklaard :

“Het klopt dat ik verklaard heb dat een jongen met nummer acht [slachtoffer 1] neerveegde. Het klopt dat nummer acht [slachtoffer 1] een schop gaf toen hij op de grond lag. Hierzo, vol. Ja.” Opmerking verbalisant: “Getuige geeft met vlakke hand de plek direct achter zijn rechteroor aan, in zijn nek, kennelijk om de plek aan te geven waar [slachtoffer 1] werd geschopt door nummer acht.” [getuige 3] verklaarde verder: “Het was nummer acht die zijn shirt uit trok. Daaronder had hij een zwart, korte mouw denk ik. (…) Strak denk ik.”

Bij de rechter-commissaris verklaarde [getuige 3] desgevraagd dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken en voorts:

“Toen ik me omdraaide zag ik [slachtoffer 1] rennen naar iemand van [Voetbalvereniging 1]. (…) Dat ging heel snel. Op een gegeven moment werd hij van achter omver geschopt. [slachtoffer 1] viel toen op de grond. (…) Ik zag dat iemand [slachtoffer 1] een trap gaf. Het ging allemaal zo snel. Ik heb gezien dat [slachtoffer 1] zijn handen om zijn hoofd hield. Degene die hem getrapt had, is uit de groep gegaan. (…) Het was een jongen van [Voetbalvereniging 1]. Dat was de jongen die wegliep. (…) U vraagt mij of ik een rugnummer heb kunnen waarnemen. Als het goed is, was dat nummer 8. Er waren twee nummers 8. (…) Ik weet zeker dat het nummer 8 was. Na afloop was hij namelijk in de bestuurskamer. (…) Ik was boven met [slachtoffer 1] en ik zag dat die twee jongens in de bestuurskamer zaten. (…) U vraagt of ik gezien heb wie [slachtoffer 1] omver heeft geschopt. Nee, het ging heel snel. [slachtoffer 1] rende en er kwam iemand van achter hem die hem omver heeft geschopt. (…) U houdt mij voor dat ik heb verklaard over een jongen die was weggerend en naar de wijk is gegaan. De jongen die getrapt heeft, is weggegaan de wijk in. (…) Dat laatste heb ik gehoord van [getuige 14] en [getuige 10]. (…) Volgens mij hebben [getuige 2] en [getuige 14] mij dit verteld. Ik was er zelf niet bij omdat ik op het veld stond. (…) U vraagt mij of ik mij nog kan herinneren dat deze jongen waar het om gaat, zijn rugnummer heeft verborgen. Ik kan me dat nog wel herinneren. Er waren meerdere mensen die dat gezien hebben. Ik weet nog dat die jongen onder zijn shirt een zwart t-shirt had.(…) U rechter-commissaris vraagt mij nogmaals of ik zelf gezien heb dat de jongen zijn rugnummer heeft verborgen. Ja, ik heb het gezien en ik heb het van andere mensen gehoord (…). U, mr. Plantenga vraagt mij of het dus klopt dat de jongen met rugnummer 8 zijn shirt heeft uitgetrokken, een zwart ondershirt aanhad en een schop gaf. Ja, daar heb ik niets aan toe te voegen.”

Gelet op de verschillende verklaringen van [getuige 3], in onderlinge samenhang bezien, houdt de rechtbank het ervoor dat de getuige zich vergist heeft in het rugnummer. Zijn feitelijke omschrijving van de persoon die hij omschrijft als degene met rugnummer 8, te weten de persoon die zijn shirt uitdeed en daaronder een zwart strak shirt aanhad, de persoon die wegliep uit de groep, waarvan hij later hoorde dat de jongen de wijk is ingegaan én de persoon die hij met eigen ogen in de bestuurskamer heeft zien zitten, past bij [medeverdachte E] en niet bij iemand anders van de spelers. De rechtbank vindt het meer voor de hand liggen dat een getuige zich vergist in een rugnummer dan in een samenstel van omschrijvingen die allemaal passen bij een en dezelfde persoon. Dit brengt met zich dat de rechtbank ervan uitgaat dat [getuige 3] heeft verklaard over [medeverdachte E] als de jongen die in eerste instantie de grensrechter neerhaalde en die vervolgens vol getrapt heeft tegen het hoofd van de grensrechter ter hoogte van zijn nek toen deze op de grond lag.

Dat [medeverdachte E] de grensrechter op/tegen het hoofd geschopt heeft blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de verklaring van de getuige [getuige 4], teamgenoot van [medeverdachte E], zoals afgelegd bij de politie op 11 december 2012 :

“Ik zag de grensrechter en de spelers op elkaar afkomen en de grens hoorde ik zeggen: Wat, kom dan, wat? Daarbij viel de grens, volgens mij werd hij geduwd. Ik ben naar achteren gegaan en zag dat er werd getrapt. Het gebeurde heel snel. Ik heb niet gezien dat hij opstond en wegrende. Ik ben naar achteren gestapt omdat ik er niets mee te maken wilde hebben. (…) Ik denk een stuk of 4 of 5 spelers van [Voetbalvereniging 1].” Op de vraag hoe het kwam dat de grensrechter viel: “Volgens mij kreeg hij een duw. Ik kon niet zien van wie hij die duw kreeg. Ik stond op dat moment achter de grensrechter, ik keek naar zijn rug. Ik weet het niet meer precies, maar ik denk dat ik nummer 5 van ons heb zien schoppen. Volgens mij raakte hij de grensrechter. Ik zag dat hij hem op zijn hoofd raakte. Ik kon de nummer 5 in het gezicht zien, het was [medeverdachte E] die met nummer 5 speelde. Ik denk dat ik hem 1 keer heb zien schoppen.” Op de vraag of er nog meer gebeurde toen de grensrechter op de grond was gevallen: “Ik heb wel gezien dat er meer geschopt werd, maar niet door wie. Ik zag opeens de grensrechter weer lopen naar een andere plek.” Op de vraag wat hij gezien heeft “met betrekking tot het bewuste 2e incident met het slachtoffer” antwoordde getuige: “niets, alleen dat hij was gevallen. (…) Ik kon dat niet goed zien. Het was druk daar met mensen. (…) Ik heb niet kunnen zien wat er met de grensrechter is gebeurd.”

Ook ten aanzien van [getuige 4] gaat de rechtbank ervan uit dat hij zich vergist heeft in het rugnummer, aangezien hij verklaard heeft dat hij de nummer 5 in het gezicht heeft gezien en dat dit [medeverdachte E] betrof. Het verweer dat zijn verklaring ongeloofwaardig en onbetrouwbaar is, omdat hij zijn verklaring bij de rechter-commissaris niet heeft herhaald, wordt door de rechtbank verworpen. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige desgevraagd aangegeven dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Voorts heeft hij verklaard dat hij zich bij de politie meer herinnerde en dat hij (nu) niet alles meer weet, omdat hij “het helemaal uit zijn hoofd heeft gehaald”. Het feit dat het verhoor om technische redenen niet is opgenomen waardoor de verdediging het niet heeft kunnen uitluisteren brengt niet met zich dat dit verhoor niet kan worden gebezigd voor het bewijs. Niet is aangegeven waarom getwijfeld zou moeten worden aan de juiste weergave van het verhoor in het proces-verbaal. Bovendien heeft de getuige bij de rechter-commissaris volhard bij de juistheid van de inhoud van zijn politieverklaring.

Voorts vinden voornoemde verklaringen steun in de verklaring van de getuige [getuige 5]. Deze verklaarde op 4 december 2012 bij de politie :

“Ik heb de spelers van [Voetbalvereniging 1] gezien. Ik heb gezien dat een van de spelers tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1] aantrapte. [slachtoffer 1] ligt dan op de grond. (…) Ik dacht dat het nummer 10 was. Er was 1 jongen die vlak na het gebeuren heel snel van het veld rende en zijn shirt uitdeed. Hij rende naar een bruggetje.”

Het door de verdediging aangevoerde feit dat [getuige 5] niet zeker weet dat het ging om nummer 10 maakt zijn verklaring niet onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs. Naast het feit dat [getuige 5] nummer 10 noemt, en dat bij de rechter-commissaris herhaalt , noemt hij daarbij een jongen die snel van het veld rende en zijn shirt uitdeed. Dat duidt op [medeverdachte E]. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het niet juist is dat [medeverdachte E] toen pas zijn shirt uitdeed en dat het dus niet kan kloppen hetgeen de getuige heeft verklaard. Ook dit maakt de verklaring van de getuige naar het oordeel van de rechtbank niet onbetrouwbaar. Op welk moment [medeverdachte E] zijn shirt heeft uitgetrokken doet naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer ter zake, het feit dát deze getuige noemt dat een jongen zijn shirt uitdeed maakt dat de rechtbank zijn verklaring betrouwbaar vindt, nu dat past bij hetgeen zich feitelijk heeft voorgedaan.

Ook uit de verklaringen van getuige [getuige 6] maakt de rechtbank op dat [medeverdachte E] als eerste heeft getrapt. [getuige 6] verklaarde op 4 december 2012 bij de politie:

“Meteen na de wedstrijd liepen ze met z’n allen op hem af. (…) Ik zag dat ze op hem afliepen en vroegen wat ie moest. (…) Ik weet niet wat er toen gebeurde maar ik zag dat ze achter [slachtoffer 1] aan renden en dat [slachtoffer 1] opeens op de grond lag. Ik zag dat ze toen aan het schoppen waren. Ik zag toen dat hij opstond en naar achteren liep. Ik zag toen dat ze weer met zijn allen gingen trappen en dat [slachtoffer 1] weer op de grond lag. (…) Ik zag sowieso nummer 14 vooraan in de strijd staan. Ik zag dat nummer 14 aan het trappen was tegen [slachtoffer 1]. Ik weet niet hoe vaak hij getrapt heeft maar wel een paar keer. Ik weet dat er 1 jongen was die de eerste trap gaf en die was daarna meteen weg. Ik denk dat het de jongen was met rugnummer 8, maar dat weet ik niet zeker. Volgens mij was dit ook de jongen die laatste man stond en tijdens de wedstrijd al agressief was. Deze jongen zei tijdens de wedstrijd al, toen er een opstootje was, wij komen hier niet om te voetballen maar om te rellen.”

Op 19 december 2012 verklaarde [getuige 6] onder meer: “Volgens mij had de laatste man een zwart ondershirt aan. (…) Ik zag dat hij zijn shirt had uitgetrokken (…) en (…) dat hij een zwart ondershirt aan had.” Het door de verdediging aangevoerde feit dat [getuige 6] tijdens zijn tweede politieverhoor niet precies weet of de laatste man getrapt heeft, maakt naar het oordeel van de rechtbank zijn eerste verklaring niet onbetrouwbaar. Immers, kort na het incident heeft [getuige 6] aangegeven dat er een jongen was die de eerste trap gaf van wie hij denkt dat dit ook de jongen was die laatste man stond. In zijn tweede verhoor omschrijft hij de laatste man als de persoon die zijn shirt had uitgetrokken. Dat duidt op [medeverdachte E] en deze verklaring vindt steun in bovengenoemde verklaringen.

Voorts acht de rechtbank nog de volgende verklaringen redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte E] actief heeft bijgedragen aan het geweld tegen [slachtoffer 1].

[getuige 7] verklaarde op 9 april 2013 bij de rechter-commissaris: “U vraagt mij wat er in de kleedkamers is gebeurd. Ik ben in de kleedkamer geweest. Toen ik de jongens naar de kleedkamer stuurde ben ik er achteraan gegaan en de trainer ook. (…) Er kwam toen een bestuurslid van [Voetbalvereniging 2] bij. Die had spelerskaarten en zei: ‘nummer tien en nummer veertien moeten naar boven omdat er een vechtpartij is geweest tussen de jongens’. (…) De jongens waren verbaal, ze waren boos. [medeverdachte E] en [medeverdachte A] zeiden dingen als ‘wij waren het niet alleen, zij waren het ook.’”

[getuige 1] heeft op de avond van het incident, zijnde 2 december 2012, tegenover de politie onder meer verklaard dat de jongen die na de wedstrijd zijn vader heeft geslagen er tijdens de wedstrijd 5 minuten is uitgestuurd . [medeverdachte E] heeft ter terechtzitting van 30 mei jl. aangegeven dat hij tijdens de voetbalwedstrijd 5 minuten het veld is uitgestuurd.

Gelet op voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [medeverdachte E] zich schuldig heeft gemaakt aan het onderuit trappen van de grensrechter en het met kracht trappen tegen het lichaam, waaronder tegen het hoofd, van de grensrechter terwijl deze op de grond lag.

[medeverdachte A]

Tegenover de politie heeft [medeverdachte A] op 3 december jl. verklaard dat hij op 2 december jl. met rugnummer 14 speelde. Hij heeft steeds, ook ter terechtzitting, verklaard niet schuldig te zijn aan het geweld waarvan [slachtoffer 1] slachtoffer is geworden.

De rechtbank is echter van oordeel dat [medeverdachte A] wel een actieve rol heeft gespeeld in het geweld tegen [slachtoffer 1] en heeft daarbij gelet op de volgende verklaringen.

[getuige 6] verklaarde op 4 december 2012 bij de politie:

“Nummer 14 stond in de tweede helft bij mij in de buurt. Deze jongen gedroeg zich agressief en kneep mij in het gezicht omdat hij vond dat ik hem duwde. (...) Ik wilde eigenlijk al van het veld aflopen maar toen zag ik dat ze met z’n allen op hem afliepen en toen ben ik blijven staan. (…) ik zag dat ze achter [slachtoffer 1] aanrenden en dat [slachtoffer 1] opeens op de grond lag. Ik zag dat ze toen aan het schoppen waren. (…) Ik zag sowieso nummer 14 vooraan in de strijd staan. Ik zag dat nummer 14 aan het trappen was tegen [slachtoffer 1]. Ik weet niet hoe vaak hij getrapt heeft maar wel een paar keer.”

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaringen van [getuige 6] niet consistent en betrouwbaar zijn. Anders dan de verdediging leest de rechtbank in de verklaring van [getuige 6] bij de rechter-commissaris dat hij nummer 14 in de eerste situatie [slachtoffer 1] heeft zien schoppen, waarna [slachtoffer 1] is opgestaan en voor de tweede keer op de grond terecht kwam. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte alleen bij de eerste situatie betrokken was. De rechtbank constateert dus dat verdachte bij de rechter-commissaris blijft bij zijn verklaring dat hij nummer 14, die hem tijdens de wedstrijd in zijn wang had geknepen (en die - naar de rechtbank daarom aanneemt - goed in zijn geheugen zat) heeft zien schoppen. Nu [getuige 6] zo duidelijk verklaart over het rugnummer 14 is minder van belang dat [getuige 6] verdachte niet aan andere bijzonderheden kan herkennen.

De verklaringen van [getuige 6] vinden ook ten aanzien van [medeverdachte A] steun in de verklaring van de getuige [getuige 5], zoals hij deze heeft afgelegd bij de politie op 4 december 2012.

Hij verklaarde toen onder meer : “Ik zag [slachtoffer 1] (…) op de grond liggen. Om hem heen stonden 4 a 5 spelers van [Voetbalvereniging 1]. Ik zag dat iemand hem op het hoofd trapt. (…) Hij trapte hem op het achterhoofd. (…) De andere drie jongens trappen [slachtoffer 1] in zijn buik en zij. (…) Ik heb gezien dat een van de spelers tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1] aantrapte. (…) Ik dacht dat het nummer 10 was. V: Er zijn nog een aantal spelers die [slachtoffer 1] schoppen, wat kan je daarover vertellen? (…) Ik dacht dat 1 persoon shirt nummer 14 aanheeft.”

Voorts acht de rechtbank de hierna geciteerde verklaring van [getuige 7] van 9 april 2013, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, redengevend voor het bewijs dat ook [medeverdachte A] actief heeft bijgedragen aan het geweld tegen [slachtoffer 1].

[getuige 7] verklaarde op 9 april 2013 bij de rechter-commissaris : “U vraagt mij wat er in de kleedkamers is gebeurd. Ik ben in de kleedkamer geweest. Toen ik de jongens naar de kleedkamer stuurde ben ik er achteraan gegaan en de trainer ook. (…) Er kwam toen een bestuurslid van [Voetbalvereniging 2] bij. Die had spelerskaarten en zei: ‘nummer tien en nummer veertien moeten naar boven omdat er een vechtpartij is geweest tussen de jongens’. (…) De jongens waren verbaal, ze waren boos. [medeverdachte E] en [medeverdachte A] zeiden dingen als ‘wij waren het niet alleen, zij waren het ook.’”

Ook de verklaring van medeverdachte [medeverdachte B], inhoudende dat hij na afloop van het incident in de kleedkamer hoorde dat onder meer [medeverdachte A] had geschopt, acht de rechtbank in dit verband redengevend.

De vader van verdachte heeft zowel bij de politie als - onder ede - bij de rechter-commissaris verklaard - kort gezegd - dat hij zijn zoon van het veld heeft gehaald voordat de zaak escaleerde. De raadsvrouwe van verdachte vindt steun voor dit scenario in de verklaringen van de getuigen [getuige 7] voornoemd en [getuige 8]. De rechtbank zal de van belang zijnde citaten van de verklaringen van deze getuigen hierna weergeven, waarna zij haar zienswijze hierop vermeldt.

[getuige 7] heeft op 13 december 2012 bij de politie onder meer verklaard : “Ik zag dat de grensrechter van [Voetbalvereniging 2] naar nummer 14 van [Voetbalvereniging 1] liep. Ik zag dat de grensrechter met zijn opgestoken vinger op een afstand van 30 centimeter voor nummer 14 ging staan. (…) Ik zag dat hij wat zei maar ik kon hem niet verstaan. (…) Ik zag dat de grensrechter werd weggetrokken of geduwd door iemand bij nummer 14 vandaan, daarna sloeg de vlam in de pan.”

Bij de rechter-commissaris heeft deze getuige onder meer verklaard :

“Onze nummer 14 stond met de grensrechter. Er kwamen toen mensen bij. Ik zag dat de grensrechter heel dicht met zijn gezicht bij nummer 14 stond. Ik weet niet wat de grensrechter tegen nummer 14 zei, maar ik denk dat het niet iets leuks was. Ik zag dat de ouders van ons of leden die kwamen ertussen om ze uit elkaar te halen. Een van de ouders van ons of een leider haalde ze uit elkaar (…). Er waren allemaal mensen die nummer veertien en de grensrechter uit elkaar wilden halen. (…) Ze zijn uit elkaar getrokken maar ik weet niet meer wie dat heeft gedaan.”

De getuige [getuige 8] heeft op 4 december 2012 bij de politie verklaard :

“Ik zag dat die nummer 14 dicht voor [slachtoffer 1] stond en de andere drie stonden net achter nummer 14. Ik weet niet precies wat er toen is gebeurd, maar even later zag ik [slachtoffer 1] wegrennen in de richting van de middenstip en ik zag dat de 4 van [Voetbalvereniging 1] achter hem aanrenden. In de directe omgeving van de middenstip stonden spelers van [Voetbalvereniging 2] en [Voetbalvereniging 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] viel (…) Gelijk zag ik dat diverse spelers van [Voetbalvereniging 1] hem begonnen te schoppen. (…) Een van onze spelers, [slachtoffer 2], sprong tussen de spelers van [Voetbalvereniging 1] en [slachtoffer 1]. (…) Hierop is de menigte uit elkaar gegaan. Ik zag dat de trainer en wat ouders van de spelers van [Voetbalvereniging 1] erbij kwamen en hun spelers meenamen naar de kleedkamer.

Bij de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard: Een vader van [Voetbalvereniging 1] kwam zijn zoon weghalen. U vraagt mij of ik weet hoe die vader eruit zag. Hij had een snor. Ik weet niet hoe de jongen er uit zag en ik weet ook niet of de jongen is weggehaald.”

Anders dan de raadsvrouwe van [medeverdachte A] leest de rechtbank in de verklaringen van deze getuigen niet dat de vader van [medeverdachte A] hem bij [slachtoffer 1] heeft weggehaald voordat de gewelddadigheden begonnen, zodat deze niet kunnen afdoen aan de belastende verklaringen die er tegen [medeverdachte A] zijn.

Gelet op voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [medeverdachte A] zich tijdens de eerste situatie schuldig heeft gemaakt aan het meermalen trappen tegen het bovenlichaam (buik/zij) van [slachtoffer 1] terwijl deze op de grond lag.

[medeverdachte C]

[medeverdachte C] is tweemaal door de politie gehoord en heeft toen inhoudelijk verklaringen afgelegd.

Hij heeft verklaard over de rol die zijn medeverdachten volgens hem hadden in het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Over zichzelf heeft hij verklaard dat hij niet meegedaan heeft aan het geweld. Hij speelde met rugnummer 8 en droeg de rood/witte aanvoerdersband. Bij de rechter-commissaris heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 29 mei 2013 heeft [medeverdachte C] verklaard dat zijn eerder afgelegde verklaringen deels wel en deels niet kloppen, maar hij heeft daarbij niet willen aangeven wat wel en wat niet klopt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook [medeverdachte C] een actieve rol gespeeld in het geweld tegen [slachtoffer 1].

De rechtbank kent in dit verband allereerst betekenis toe aan de verklaringen van getuige [getuige 9] (Weerman).

[getuige 9] verklaarde bij de politie op 2 december 2012 :

“Toen de wedstrijd was afgelopen zag ik dat bij de middencirkel [slachtoffer 1] werd aangesproken door één of twee spelers van de tegenpartij. Ik zag rechts van mij iets van een schermutseling. Direct hierop zag ik [slachtoffer 1] op de grond liggen. Ik zag dat [slachtoffer 1] geschopt werd in zijn rug. Ik zag dat degene die [slachtoffer 1] schopte een shirt droeg van de tegenpartij. Ik ben over [slachtoffer 1] heen gaan staan met mijn armen wijd gespreid om hem te beschermen. Ik zag hierop een jongen op ons af komen. Ik zag wederom het shirt van de tegenpartij. Ik zag dat deze jongen met zijn onderkant van zijn schoen, met zijn rechterbeen, vol op het hoofd van [slachtoffer 1] trapte. Ik zag op de achterkant van het shirt van deze jongen het cijfer 8 staan.”

Op 8 december 2012 verklaarde deze getuige bij de politie :

“In mijn herinnering wilde ik op dat moment achter de trappende jongen met rugnummer 8 aanrennen. Ik riep iets naar hem, wat weet ik niet meer precies, terwijl hij van [slachtoffer 1] wegrende. Ik zag dat de wegrennende speler daarop omdraaide en mij aankeek. Ik had vervolgens een fractie oogcontact met de betreffende wegrennende jongen, met rugnummer 8.”

De raadsvrouwe van [medeverdachte C] heeft betoogd dat [getuige 9] zich mogelijk vergist. Zij verwijst hiervoor naar diens verklaring bij de rechter-commissaris waarin aan de orde komt dat [getuige 9] mogelijk een andere jongen heeft toegesproken.

De rechtbank is van oordeel dat [getuige 9] in zijn verklaringen bij de politie op 2 en 8 december 2012 volstrekt duidelijk is over de persoon die hij [slachtoffer 1] heeft zien schoppen: de persoon met rugnummer 8, door hem aangewezen op de foto met kenmerk DSC_0129 als de persoon meest links. Dit betreft, zoals de verdediging stelt, verdachte. Weliswaar twijfelt [getuige 9] er bij het zien van de foto’s bij de rechter-commissaris aan wat de rol is van de jongen “waar ik een pijltje bij zet” [rechtbank: op de foto met kenmerk DSC_0130], nu [getuige 9] uit de foto’s afleidt dat hij mogelijk niet alleen kort oogcontact heeft gehad met de jongen die geschopt had, maar kennelijk ook nog een andere jongen heeft toegesproken. Dit betreft echter, zo verklaart hij, niet de jongen die heeft geschopt. [getuige 9] wijst bij de rechter-commissaris eveneens de(zelfde) nummer 8 aan als degene die [slachtoffer 1] heeft geschopt.

Ten aanzien van de rol van [medeverdachte C] acht de rechtbank tevens de verklaring van getuige [getuige 11] van 4 december 2012 van belang, zoals afgelegd bij de politie:

“De scheidsrechter had net afgefloten. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar ons toe kwam lopen en voordat hij bij ons was, zag ik dat er ongeveer 5 á 6 mensen van de tegenpartij naar hem toe gingen. Ik zag dat hij geslagen werd en dat hij ten val kwam. Vervolgens zag ik dat hij geschopt werd. Ik zag dat hij in zijn zij en tegen zijn hoofd geschopt werd. Ik heb rugnummer 8 gezien. Hij heeft tegen [slachtoffer 1] geschopt.”

De rechtbank acht de verklaring van deze getuige tegenover de politie betrouwbaar. Deze is afgelegd kort na het incident, op 4 december 2012. De getuige bevestigt de betrokkenheid van nummer 8 bij de rechter-commissaris. Dat de getuige zich gaandeweg ook nog andere rugnummers en bijzonderheden van betrokken personen herinnert schaadt de betrouwbaarheid van zijn verklaringen niet. Zelf heeft hij daarover bij de rechter-commissaris verklaard dat dit mogelijk komt doordat hij de foto’s erbij heeft gezien, waardoor er meer naar boven is gekomen, hetgeen de rechtbank plausibel voorkomt.

Daarnaast hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van de getuige [getuige 2] voornoemd. Hij verklaarde op de avond van het incident bij de politie :

“Ik heb later van [getuige 9] [rechtbank: getuige [getuige 9]] gehoord dat een speler van [Voetbalvereniging 1] met rugnummer 8 [slachtoffer 1] ook had mishandeld. Toen bedacht ik mij echter dat ik tijdens de wedstrijd twee spelers met rugnummer 8 had zien voetballen. Ik heb toen tegen [getuige 9] gezegd dat er twee rugnummers 8 waren geweest. Waarop [getuige 9] zei dat het de aanvoerder betrof.”

De rechtbank volgt de raadsvrouwe van [medeverdachte C] niet in het verweer dat de getuigen elkaar, omdat zij onderling over de verschillende rugnummers hebben gesproken, zodanig zouden hebben beïnvloed, dat de verklaring van [getuige 2] onbetrouwbaar is. Immers, [getuige 2] laat zich door de verklaring van [getuige 9], dat deze de nummer 8 heeft zien schoppen, niet verleiden tot een andere verklaring dan datgene wat hij zelf heeft waargenomen of ondervonden, te weten dat hij [getuige 9] heeft horen zeggen dat nummer 8 tegen [slachtoffer 1] heeft geschopt.

De verklaring van [getuige 2] wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte C] zelf. Bij de politie heeft hij immers verklaard dat hij met rugnummer 8 speelde en de rood/witte aanvoerdersband droeg.

Ook vinden voornoemde verklaringen steun in de verklaring van [getuige 15]. Deze getuige verklaarde op 6 december 2012 bij de politie :

“[medeverdachte C] was de aanvoerder van het B1 team van [Voetbalvereniging 1]. Ik weet niet of hij de hele wedstrijd de aanvoerder was. (…)

Ik heb [medeverdachte C] in de kleedkamer horen zeggen tegen een andere speler dat hij aan iemand een schop had gegeven en dat hij daarna is weggerend.”

Gelet op voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [medeverdachte C] zich schuldig heeft gemaakt aan het eenmaal trappen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] terwijl deze op de grond lag.

[medeverdachte D]

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte niet geprobeerd heeft de vechtpartij te sussen, zoals hij zelf steeds heeft verklaard, maar dat hij daar een substantiële bijdrage aan heeft geleverd, bestaande uit het schoppen en slaan tegen [slachtoffer 1] terwijl deze op de grond lag.

De rechtbank kent daarbij allereerst betekenis toe aan de eerste verklaring van [getuige 1], zoals hij deze heeft afgelegd tegenover de politie op de avond van het incident, zijnde 2 december 2012.

[getuige 1] heeft die avond onder meer verklaard :

“Wij stonden rond de middencirkel (...). Ik zag dat mijn vader naar ons toegelopen kwam vanaf de zijlijn. (…) Ik zag dat hij werd aangesproken door verschillende spelers en de trainer van [Voetbalvereniging 1]. (…) Op een gegeven moment zag ik dat een (1) van de spelers mijn vader een klap gaf. (…) Ik zag dat mijn vader uit de groep wilde komen. Ik zag dat hij probeerde in onze richting te rennen. (…)

Ik zag dat mijn vader door drie spelers van het team op de grond werd gegooid. Ik zag dat jongens en de trainer op mijn vader in begonnen te slaan en schoppen. Ik zag dat mijn vader in zijn gezicht, buik en borst werd geslagen en geschopt. Ik zag dat ze hem raakten waar ze maar konden. (…) Ik zag ook ze op mijn vader lagen. Hierop zijn we met verschillende jongens naar mijn vader en de drie jongens en trainer gerend om ze uit elkaar te halen. Wij sprongen op de jongens, maar ik zag dat de trainer door bleef gaan met het schoppen en slaan tegen mijn vader. (…) Ik zag dat veel trappen en klappen hem raakten. (…) Alle vier hebben ze hem geraakt waar ze konden.”

Tijdens zijn tweede verhoor op 7 december jl. heeft hij vervolgens onder meer verklaard :

“Na het eindsignaal zag ik dat mijn vader richting de middencirkel liep. (…) Ik zag toen dat de groep jongens naar mijn vader toeliep. (…) Ik zag plotseling dat mijn vader werd geslagen ter hoogte van zijn schouder door een (1) van de jongens uit de groep. (…) Ik zag dat mijn vader bij de groep wegstapte en richting de middencirkel rende. Ik zag dat er ongeveer 3 à 4 jongens uit de groep die bij mijn vader hadden gestaan toen hij werd geslagen achter mijn vader aanrenden. Ook zag ik een (1) volwassene achter mijn vader aan rennen. (…) Ik kan u wel de volwassene omschrijven. Dat was een kleine Marokkaanse man, ik denk ongeveer 40 à 50 jaar, kaal bovenop, gemillimeterd haar aan de zijkant, ik weet niet of hij gezichtsbeharing had, fors postuur, hij droeg een [Voetbalvereniging 1] jas. Dat stond achterop gedrukt. Het was een grijze jas met rode stukjes erin. Hij was de teamleider van [Voetbalvereniging 1] en de vader van een (1) van de spelers. Dat bleek later (…). Ze gingen toen samen weg.

(…)

Ik zag vervolgens dat mijn vader na ongeveer 20 meter rennen door een (1) van de spelers van [Voetbalvereniging 1] getackeld wordt waardoor mijn vader ten val kwam. (…) dit was echt de benen onder iemands lijf weg schoppen. Ik weet echt niet wie de tackle gaf, in ieder geval een (1) van de spelers, niet de volwassene. (…) Mijn vader kwam dus ten val. Ik zag toen dat de drie à vier spelers van [Voetbalvereniging 1] en de volwassene die achter mijn vader aan waren gerend rondom mijn vader gingen staan en dat zij allemaal tegen mijn vader aan schopten. Tevens zag ik dat de spelers van [Voetbalvereniging 1] mijn vader sloegen. Ik zag dat de trappen en de klappen die door de spelers van [Voetbalvereniging 1] werden gegeven, op de zij, de rug en het gezicht van mijn vader aankwamen. Ik ben gisteren in het mortuarium geweest bij mijn vader en dan kun je aan zijn gezicht zien dat hij de meeste verwondingen aan de linkerkant van zijn gezicht heeft. Het zijn echt dikke plekken op zijn gezicht.

Ik zag dat de volwassene het meeste op het hoofd van mijn vader heeft getrapt. Volgens mij heeft de volwassene mijn vader in eerste instantie op het hoofd getrapt en ik zag toen dat [slachtoffer 2] die volwassene weg probeerde te duwen bij mijn vader, maar ik zag dat de volwassene bleef trappen naar mijn vader. Doordat de volwassene weggeduwd werd door [slachtoffer 2] verplaatste hij zich. Door het verplaatsen en het blijven geven van trappen werd mijn vader ook telkens op andere plekken geraakt door die volwassene. Mijn vader werd dus eerst op zijn hoofd geraakt, maar daarna kwamen de trappen steeds lager aan, eerst de schouder en daarna de benen van mijn vader. (…) Toen kwamen er veel omstanders bij en werden de spelers van [Voetbalvereniging 1] en de volwassene weggehaald bij mijn vader. (…) De spelers en de volwassene werden weggestuurd richting kleedkamer. Toen was het eigenlijk klaar.”

Eerst tijdens het derde verhoor door de politie op 13 december 2012 worden [getuige 1] foto’s van het incident getoond.

Ten aanzien van de aan hem getoonde foto met kenmerk IMG_9150 verklaart [getuige 1]: “Ik zie ook de trainer van [Voetbalvereniging 1]op de foto. Volgens mij is dat de man die mijn vader schopt. Want ik zie dat dit het moment is dat mijn vader door spelers en de trainer geschopt worden zoals ik al verklaard heb. Ik zie twee spelers vlakbij staan (…), deze spelers van [Voetbalvereniging 1] schoppen mijn vader krachtig tegen het lichaam en hoofd. Ik heb gezien dat ze hun been naar achteren haalden en uithaalden alsof ze tegen een bal schopten. Ik heb gezien dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] ook zo hard schopte. Zoals ik al verklaard heb zag ik dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] mijn vader het meest geschopt heeft. Als ik moet schatten denk ik dat die man mijn vader zeker 5 tot 10 keer hard geschopt heeft. (…)

Foto IMG_9150-1 is een vergroting van de net getoonde foto. Ik herken nu heel duidelijk de trainer van [Voetbalvereniging 1] die op mijn vader inschopte. Ik weet zeker dat hij het is. Ik zie nu ook duidelijk dat [slachtoffer 2] die man omver duwt omdat hij mijn vader aan het schoppen is. Nogmaals ik weet echt zeker dat dit de man is die mijn vader meerdere keren schopte. Ik wijs u ook de spelers aan die mijn vader schopten (…) Ik kan u over de twee andere spelers van [Voetbalvereniging 1] niet vertellen of zij geschopt hebben. Dat heb ik in ieder geval niet gezien.”

Met betrekking tot de foto met kenmerk DSC_0130 verklaart [getuige 1]: “Ik zie op deze foto dat ik net een speler van [Voetbalvereniging 1] heb weg geduwd die mijn vader geschopt had. Ik zag dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] die mijn vader had geschopt mij op dat moment wil pakken. Hij werd even later tegen gehouden door de vader van [slachtoffer 2] die ik ook op de foto heb aangewezen.”

Met betrekking tot de foto met kenmerk DSC_0129 verklaart [getuige 1]: “Ik zie dat dit de foto is die in de Telegraaf heeft gestaan. Ik herken dezelfde mensen als op de foto DSC_0130. Ik zie de trainer van [Voetbalvereniging 1] geknield zitten, dat is de trainer die mijn vader schopte. Dit is het moment dat ik net de speler van [Voetbalvereniging 1] heb weggeduwd, die is ook ten val gekomen en ik kom hier ook ten val.”

Nu deze foto’s bevestigen hetgeen [getuige 1] eerder bij de politie heeft verklaard, [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris desgevraagd heeft aangegeven dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard, dat hij geen foto’s had gezien voor zijn eerste politieverhoor, dat hij alleen de [naam] [rechtbank; DSC_0129] voor zijn tweede politieverhoor had gezien en dat hij niet met anderen gesproken heeft over de foto’s , acht de rechtbank de verklaringen van [getuige 1] - die onderling consistent zijn - betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dit geldt temeer nu verdachte [medeverdachte D] tijdens zijn politieverhoor op 12 december jl. desgevraagd heeft aangegeven dat hij de persoon op bovengenoemde foto’s (IMG_9150, DSC_0130 en DSC_0129) is die [getuige 1] - blijkens zijn derde politieverklaring - (steeds) als trainer van [Voetbalvereniging 1] aanwijst.

Dat zijn eerste verhoor niet betrouwbaar zou zijn omdat hij net getuige was geweest van het incident met betrekking tot zijn vader - waardoor hij op dat moment al emotioneel in de war zou kunnen zijn of zou kunnen lijden aan een posttraumatisch stressstoornis - acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. [getuige 1] heeft aan het begin van zijn verhoor op 2 december jl. aangegeven dat hij “alles wel op een rijtje heeft en met mijn verstand is het nu wel goed. Ik kan wel een verklaring afleggen.” Omdat de gezondheid van zijn vader achteruit ging tijdens het eerste verhoor is het verhoor onderbroken en heeft [getuige 1] zijn verklaring toen niet gelezen en ondertekend. Voorafgaand aan zijn tweede verhoor bij de politie op 7 december jl. heeft [getuige 1] zijn eerste verhoor doorgelezen, daarbij volhard en dit ondertekend. Dat al zijn verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn, omdat hij koste wat het kost een dader zou willen aanwijzen acht de rechtbank ook niet aannemelijk geworden, integendeel. Zo wijst [getuige 1] op de foto met kenmerk IMG_9150 niet alle spelers aan als degenen die zijn vader geschopt hebben, maar zegt hij ten aanzien van 2 spelers van [Voetbalvereniging 1] expliciet dat hij niet kan vertellen of zij geschopt hebben, dat heeft hij in ieder geval niet gezien.

Op 2 mei jl. is [getuige 1] door de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard :

“Nadat mijn vader wegrende werd hij getackeld door spelers. Eén van de volwassenen heeft geprobeerd om de spelers van het veld te houden, de andere volwassene is mee gaan doen met de spelers, hij kwam er wel pas iets later bij. Nadat mijn vader op de grond terecht kwam werd er op hem ingetrapt. Dit werd gedaan door een jongen met gele voetbalschoenen, een jongen met paarse voetbalschoenen en door de volwassen man. (…) De trainer heeft ook mee geschopt. Hij rende ook achter mijn vader aan en toen mijn vader op de grond lag heeft hij ook op mijn vader ingeschopt. Ik weet niet hoe vaak hij heeft geschopt, ik denk niet zo heel vaak. (…) De schoppen zijn terecht gekomen op borsthoogte, bij zijn benen en bij zijn rug. Ik heb niet kunnen zien of de schoppen ook op het hoofd van mijn vader zijn terecht gekomen. (…) De trainer die eigenlijk probeerde om de jongens van het veld te halen was in de bestuurskamer. (…) de lichtgetinte trainer van [Voetbalvereniging 1] (kleiner dan de andere trainer en best fors, dik) liep achter de jongens aan, hij was iets slomer. Het zag eruit alsof hij aan het rennen was. (…)”

De rechtbank is van oordeel dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris op hoofdlijnen een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd. Dat hij zich niet alles meer kan herinneren, zoals het feit dat hij eerder verklaard heeft dat de volwassene het meest op het hoofd van zijn vader zou hebben geschopt, dat dit 5 tot 10 keer zou hebben plaatsgevonden, is gezien het tijdsverloop alleszins begrijpelijk en doet aan de betrouwbaarheid van zijn politieverklaringen niet af.

Het feit, zoals door de verdediging is aangevoerd, dat [getuige 1] na afloop van het incident in de kleedkamer niets heeft gezegd over een oudere man doet naar het oordeel van de rechtbank ook niets af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Dit geldt ook voor het feit dat een aantal getuigen verklaren dat zij niet gezien hebben dat verdachte dan wel een volwassene betrokken was bij het incident en dat een aantal getuigenverklaringen wijzen in de richting van een andere volwassene. Vast staat immers dat het incident in een zeer kort tijdsbestek heeft plaatsgevonden terwijl er veel personen bij betrokken waren. Door verschillende getuigen is gesproken over “een kluwen mensen”. Het kan dan ook heel goed zijn dat getuigen die verdachte niets hebben zien doen niet alles hebben kunnen waarnemen. Op genoemde foto’s is te zien dat [getuige 1] dichtbij (IMG_9150) dan wel middenin (DSC_0129 en DSC_0130) het incident stond en zodoende goed zicht had op hetgeen waarover hij heeft verklaard. Ook is niet uit te sluiten dat een andere volwassene dan verdachte zich niet onbetuigd heeft gelaten tijdens het incident. Dat er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling door [getuige 1] acht de rechtbank niet aannemelijk. [getuige 1] heeft op de foto’s immers verdachte aangewezen als de volwassene waar hij over verklaard heeft en verdachte heeft ten aanzien van de door [getuige 1] als verdachte aangewezen persoon steeds verklaard dat hij die persoon is.

De verklaringen van [getuige 1] met betrekking tot (de rol van) verdachte [medeverdachte D] worden niet alleen ondersteund door bovengenoemde foto’s en de politieverklaring van verdachte [medeverdachte D] zelf, maar ook op onderdelen door de hierna aangehaalde verklaringen van de getuigen [slachtoffer 2], [getuige 12] en [getuige 13] en medeverdachte [medeverdachte B]. Uit die verklaringen komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat verdachte allerminst een sussende rol had ten tijde van het incident, hij was agressief en werd weggeduwd door de keeper van [Voetbalvereniging 2], [slachtoffer 2], die de grensrechter wilde helpen omdat deze naar zijn idee werd aangevallen door 3 à 4 spelers van [Voetbalvereniging 1].

[slachtoffer 2] heeft op 4 december 2012 tegenover de politie onder meer verklaard :

“Er staat me nog wel helder bij dat ik een ouder iemand een duw heb gegeven toen ik bij [slachtoffer 1] kwam. Dat was een Marokkaanse man. Ik had die Marokkaanse man ook al eerder gezien bij het opstootje bij de dug-outs, hij probeerde toen de boel te sussen.”

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, afgelegd tegenover de politie op 12 december jl. Verdachte [medeverdachte D] heeft verklaard dat hij de hele wedstrijd in de dug-out zat, samen met de trainer en een wisselspeler. Na het voorhouden van voornoemde verklaring van [slachtoffer 2] heeft hij verklaard dat dat ging om een opstootje tussen de trainer en de speler die niet gewisseld wilde worden. “Ik heb toen tegen de speler gezegd dat hij gewoon de beslissing van de trainer moet opvolgen. Dit was tijdens de wedstrijd. Dit was in de tweede helft.”

Dat [slachtoffer 2] met de Marokkaanse man verdachte bedoelt blijkt voorts uit de foto met kenmerk IMG_9150. Na het voorhouden van (een uitvergroting van) die foto heeft [slachtoffer 2] op 12 december jl. tegenover de politie verklaard : “Het lijkt op de foto wel dat ik die man een duw gaf, ik kan me er vaag iets van herinneren. (…) Dat ik ook iemand heb weggeduwd die geen speler is.

Weet niet waarom ik die persoon heb weggeduwd, alleen omdat hij daar ook was, puur uit een reflex.(…) Dit was niet die Molukker. Ik denk dat hij trainer was ofzo.”

Met “die man” duidt [slachtoffer 2] op de persoon die verdachte heeft aangewezen als zichzelf.

Op 12 december jl. heeft [slachtoffer 2] voorts tegenover de politie verklaard :

“Ik zag 3 of 4 jongens achter [slachtoffer 1] aanrennen, ik wilde [slachtoffer 1] helpen. Ik rende erheen en duwde wat jongens aan de kant, mijn gevoel zei me dat die jongens [slachtoffer 1] aan het aanvallen waren. Ik heb in een flits een oudere man gezien. (…) Ik heb niet veel gezien, ik lag links van [slachtoffer 1] op de grond en zag vanuit mijn ooghoek een van de jongens een trap geven. (…)

[getuige 12] heeft bij de rechter-commissaris op 28 maart jl. ook verklaard over de keeper van [Voetbalvereniging 2] en een oudere man :

“Nadat er werd afgefloten hoorde ik allemaal lawaai achter mij en toen ik achterom keek zag ik dat ze allemaal aan het vechten waren. (…) Het viel mij op dat ik een paar benen op het veld zag liggen (…) hier stonden drie of vier jongens van [Voetbalvereniging 1] omheen. De keeper van [Voetbalvereniging 2] kwam er toen aan en duwde de jongens weg. Er kwam toen ook een oudere man van [Voetbalvereniging 1] bij die zich ermee bemoeide. De keeper van [Voetbalvereniging 2] sprong die oudere man toen om de nek. Dit was allemaal rond de plaats waar ik die benen op de grond zag liggen.

(…) ik heb alleen gezien dat de keeper van [Voetbalvereniging 2] er dus tussen kwam om mensen uit elkaar te halen.

(…) Nadat [slachtoffer 2] de drie jongens had weggehaald, vloog hij die volwassene om zijn nek. Maar ik weet niet of die man er toen al bijstond of net aan kwam lopen. (…) ik heb niet gezien dat die volwassen man iets deed. De volwassen man stond iets verder van de man op de grond af toen [slachtoffer 2] hem om de nek vloog.”

Medeverdachte [medeverdachte B] heeft op 3 december jl. onder meer verklaard :

“De vlagger en de jongen die ik niet ken begonnen met vechten. De jongens van [Voetbalvereniging 2] gingen de vlagger helpen. Ik liep richting de kleedkamer. Uit mijn ooghoeken zag ik mensen op de grond liggen. Ik zag een man op de grond liggen. Dit is de vader van [medeverdachte E]. De vader is soms toeschouwer en soms trainer. Ik liep terug naar de groep. Ik duwde 1 van de mannen weg die op de vader [medeverdachte E] was. Iemand sloeg mij op mijn hoofd, ik kijk om en zie de keeper van [Voetbalvereniging 2]. Ik geef hem een paar trappen bij zijn benen. (…) Iedereen was aan het vliegen. Iedereen was aan het vechten.”

Op 4 december jl. verklaarde [medeverdachte B] onder meer :

“Ik draaide mij om en zag [medeverdachte D] op de grond liggen. Hij lag ongeveer in de middencirkel van het veld op de helft waar [Voetbalvereniging 2] hadden gestaan. Ik rende naar de groep. (…) Ik kwam aan bij [medeverdachte D], ik stond ongeveer 1 meter van hem af. Ik zag 3 mensen bij [medeverdachte D].”

[getuige 13] is op 3 december jl. gehoord door de politie. Hij heeft toen onder meer verklaard :

“Ik zag dat er agressie in de groep was, in de kluwen mensen. Ik heb toen geen mensen op de grond zien liggen. Ook zag ik daar de vader van [medeverdachte E] bij die groep. Hij heet [medeverdachte D]. Hij was agressief, hij schreeuwde, gebaarde fel en stond dicht op iemand. Ik weet niet of het een ouder of een leider van de tegenpartij was. Het was in elk geval geen kind waartegen hij agressief was. Het was in de groep mensen. Ik hoorde een hoop gegil (…). Ik zag toen wel iemand op de grond liggen. Ik zag twee spelers van [Voetbalvereniging 1] tegen de persoon op de grond aan trappen.”

Op 5 december jl. verklaarde [getuige 13] : “Volgens mij was het een volwassene waar [medeverdachte D] dicht tegenover stond en agressief naar was. Ik denk dat hij een zwarte jas van [Voetbalvereniging 2] aan had. De man was lang. Ik heb geprobeerd [medeverdachte D] weg te trekken. Dat is niet gelukt. Ik heb hem bij zijn arm gepakt, maar hij weerde mijn arm af. Kennelijk wilde [medeverdachte D] de discussie blijven aangaan.”

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 13] op 21 maart jl. verklaard: “Toen ik bij de jongens was, zag ik [slachtoffer 1], ik heb twee spelers zien schoppen, maar ik weet niet welke spelers dat zijn. [medeverdachte D] bevond zich ook in de spelersgroep en hij was tegen iemand van [Voetbalvereniging 2] aan het schreeuwen. Ik heb hem aan zijn rechterarm geprobeerd mee te nemen. Die had hij ook omhoog. Ik heb ook niet gehoord wat hij heeft geschreeuwd en ik heb ook niet gezien of hij verder nog iets gedaan heeft. Volgens mij was de persoon met wie [medeverdachte D] aan het praten was niet [slachtoffer 1].”

Gelet op voornoemde verklaringen en foto’s, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [medeverdachte D] zich schuldig heeft gemaakt aan het schoppen en slaan van de grensrechter terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag.

[medeverdachte G]

Verdachte [medeverdachte G] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is op de foto met kenmerk DSC_0129 met de rode kousen en de gele voetbalschoenen. Bij de politie heeft hij verklaard met rugnummer 9 gespeeld te hebben.

Ook ten aanzien van [medeverdachte G] is de rechtbank van oordeel dat hij, anders dan hij zelf heeft aangegeven, een actieve rol heeft gehad in het geweld tegen [slachtoffer 1].

De rechtbank kent daarbij allereerst betekenis toe aan de politieverklaringen van [getuige 1] zoals deze reeds hiervoor, bij de bespreking van de bewijsmiddelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte D], zijn geciteerd. Ook ten aanzien van de verdachte [medeverdachte G] vindt de rechtbank deze verklaringen voor wat betreft het verloop van het incident bruikbaar.

Met de verdediging merkt de rechtbank op dat [getuige 1] in zijn verklaringen bij de politie, ook nadat hij is geconfronteerd met de foto’s, niet heeft verklaard dat de jongen met de gele voetbalschoenen zijn vader zou hebben geschopt. Dit terwijl hij bij de politie op vragen naar gedragingen van spelers tijdens de wedstrijd wel heeft verklaard dat de felgele voetbalschoenen van een van de spelers hem waren opgevallen. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, voor zover hij daarin zegt dat er op zijn vader is ingetrapt door een jongen met gele voetbalschoenen, niet berust op zijn eigen waarneming ten tijde van het incident, maar een conclusie is, die [getuige 1] op andere gronden heeft getrokken. De rechtbank zal de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, voor zover hij daarin de jongen met de gele schoenen noemt als schopper, dan ook niet gebruiken voor het bewijs.

Voorts acht de rechtbank de verklaringen van de getuige [getuige 16] van belang voor de beoordeling van de rol die [medeverdachte G] tijdens het incident heeft gespeeld.

[getuige 16] verklaarde bij de politie op 4 december 2012:

“Ik zag mijn broertje ongeveer 10 meter van mij af. Ik zag dat hij op de grond lag en ik zag ook dat meneer [slachtoffer 1] toen op de grond lag. Ik zag dat er geschopt werd door een aantal mensen (…). Ik zag dat [slachtoffer 2] op zijn rug geschopt werd. Ik zag dat meneer [slachtoffer 1] op zijn zij lag. Ik zag iemand achter hem staan die rode sokken aan had en hij had knalgele schoenen aan. Ik zag deze jongen ook schoppen. Ik zag dat hij hem op zijn rug schopte. (…)”

Op 24 december 2012 verklaarde zij bij de politie :

“Op foto DSC 0129 zie ik de speler met de rode sokken van [Voetbalvereniging 1] staan. Ik weet dat maar één speler van [Voetbalvereniging 1] rode sokken heeft gedragen. Ik heb net gezegd dat één van de spelers van [Voetbalvereniging 1][slachtoffer 1] schopte, dat was deze speler. Ik heb gezien dat hij 2 of 3 keer geschopt heeft. Ik zag dat hij hard op [slachtoffer 1] schopte terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Ik zag dat hij zijn voet naar achteren haalde en hard schopte tegen de rug van [slachtoffer 1] ergens tussen midden en hoog op de rug. Ik zag dat het lichaam van [slachtoffer 1] bewoog en heen en weer ging door de schop van die speler. Ik zag echt dat die jongen met lange uithalen van de voet schopte.”

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van deze getuige betrouwbaar. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] blijkt dat zij de gebeurtenissen op het veld niet alleen via de zoeker van haar camera, maar ook buiten de camera om, heeft waargenomen. De rechtbank twijfelt er niet aan dat deze getuige zodanig zicht heeft gehad op de gebeurtenissen, dat zij daarvan een deugdelijke getuigenis kon geven. Dit blijkt ook uit de door haar gemaakte foto’s, die dat zicht eveneens bieden. De rechtbank constateert verder dat de getuige consistent, vanaf haar eerste verhoor bij de politie tot en met haar verklaring bij de rechter-commissaris, de speler met de rode sokken noemt als degene die zij tegen [slachtoffer 1] heeft zien schoppen. Ten slotte wordt de getuigenis van [slachtoffer 2] door andere, hierna genoemde, bewijsmiddelen ondersteund.

Zo verklaarde getuige [getuige 11] op 24 december 2012 bij de politie:

“Ik zie op foto 0129 de speler met de rode sokken waarvan ik heb gezien dat hij de grensrechter heeft geschopt terwijl hij op de grond lag. Mij is alleen bij gebleven dat deze speler zeker geschopt heeft.”

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van deze getuige niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, omdat zij niet consistent zijn. Dat de getuige in zijn eerste verhoor bij de politie niet heeft verklaard omtrent verdachte kan worden verklaard door het feit dat de getuige - naar uit zijn tweede verhoor bij de politie blijkt - bijstond (kennelijk was die herinnering niet heel sterk) dat hij een speler met rode sokken aan had zien schoppen. Geheel logisch en verklaarbaar is dat de getuige vervolgens, bij het zien van de foto, de speler met de rode sokken aanwijst als degene van wie hij gezien heeft dat hij [slachtoffer 1] schopte. Bij de rechter-commissaris blijft de getuige bij deze verklaring. De getuige verklaart daarover bij de rechter-commissaris dan ook: “U vraagt mij of ik mij de persoon met de rode sokken herinner of dat het door de foto is gekomen. Het is door de foto gekomen, maar ik had hem zelf wel in mijn herinnering.”

Dat de getuige bij de rechter-commissaris - voor het eerst - ook het rugnummer 9 noemt doet aan de betrouwbaarheid van zijn eerdere verklaringen niet af. Andere inconsistenties, die afbreuk zouden kunnen doen aan de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaring, heeft de rechtbank niet gevonden.

Voornoemde verklaringen vinden voorts steun in de verklaringen van getuige [getuige 8].

Bij de politie heeft deze getuige onder meer verklaard :

“Ik liep op een gegeven moment langs 4 spelers van [Voetbalvereniging 1] en [slachtoffer 1] heen. Ik zag dat ze boos waren richting hem. Ik vond dat zij hem aan het intimideren waren. Ik hoorde ze fel tegen hem praten, ze gingen dichter bij hem staan. (…) Ik weet niet precies wat er toen is gebeurd, maar even later zag ik [slachtoffer 1] wegrennen in de richting van de middenstip en ik zag dat de 4 van [Voetbalvereniging 1] achter hem aanrenden. In de directe omgeving van de middenstip stonden spelers van [Voetbalvereniging 2] en [Voetbalvereniging 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] viel, hoe dat kwam heb ik niet kunnen zien, maar ik zag dat hij rolde over de grond. Gelijk zag ik dat diverse spelers van [Voetbalvereniging 1] hem begonnen te schoppen. Ik denk dat het er zeker 3 of meer waren. Ik zag dat [slachtoffer 1] probeerde op te staan, toen hij bijna overeind was, probeerde hij zich te verdedigen door zelf terug te schoppen. (…) Een van onze spelers, [slachtoffer 2], sprong tussen de spelers van [Voetbalvereniging 1] en [slachtoffer 1]. Doordat [slachtoffer 2] er tussen sprong kreeg [slachtoffer 2] ook nog in ieder geval 1 schop.”

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 8] onder meer verklaard:

““Dat waren tien schoppen of zo. De schoppen zijn op de benen, rug en vlak onder de nek van [slachtoffer 1] terecht gekomen. Dit heb ik zelf gezien. (…)

U vraagt mij of ik de jongens die hebben geschopt kan omschrijven. Ja, de jongen met nummer 8 en de jongen met gele schoenen. U vraagt mij hoe ik op gele schoenen kom. Dat heb ik onthouden. U houdt mij voor dat ik bij de politie niet over gele schoenen verklaar. U vraagt mij of het kan zijn dat iemand anders heeft gesproken over gele schoenen waardoor ik het mij nu denk te herinneren. Nee, er werd niet over schoenen gepraat. De gele schoenen is wat ik mij nu herinner.”

De verdediging acht de verklaring van de getuige [getuige 8] niet bruikbaar voor het bewijs, omdat de getuige pas bij de rechter-commissaris, nadat hij zijn teamgenoten al over de zaak gesproken had en nadat hij de foto met kenmerk DSC-0129 had gezien, heeft verklaard dat hij een jongen met gele schoenen heeft zien schoppen. Dit terwijl hij tevens zegt dat hij bij (zijn verhoor bij) de politie het scherpste beeld had. Hiermee geconfronteerd heeft de getuige bij de rechter-commissaris als verklaring gegeven: “Ik denk dat ik het toen nog niet zeker wist dat hij geschopt had, het was toen allemaal heel erg snel. Ik heb er daarna denk ik nog eens over nagedacht en toen heb ik gedacht van hij was er wel bij. (…) Ik heb er de dagen na het incident over nagedacht. Ik denk dat er dan herinneringen opkomen. U vraagt mij of de foto van invloed kan zijn geweest bij het terughalen van deze herinnering. Dat denk ik niet. Ik heb het beeld in mijn hoofd vanuit mijn eigen positie en niet vanuit de positie van de foto.”

Gelet op deze door de getuige gegeven nadere uitleg heeft de rechtbank geen redenen om aan de betrouwbaarheid van diens verklaring te twijfelen, zodat ook deze verklaring bruikbaar is voor het bewijs.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van [slachtoffer 2], zoals afgelegd bij de politie :

“Ik weet zeker dat de speler met rugnummer 9 achter [slachtoffer 1] aanzat. Dit was ook de aanvoerder van [Voetbalvereniging 1], hij droeg namelijk een aanvoerdersband, ik geloof wit van kleur. Hij was ook de enige die witte sokken droeg. Verder droeg hij Adidas schoenen, fel oranje en fel geel van kleur. “

Ook de verklaring van de getuige [getuige 6], zoals afgelegd bij de politie, acht de rechtbank van belang ter beoordeling van de vraag welke rol [medeverdachte G] tijdens het incident heeft gespeeld. [getuige 6] verklaarde :

“V: Wie waren er aan het schoppen?

A (…) Sowieso die jongen met die gele schoenen, die nummer 14 en die jongen die laatste man stond. (…)

V. Als we die jongen met de gele schoenen nemen. Beschrijf eens wat je van hem gezien hebt.

A: Ik zag hem trappen. (…) Hij stond bij de buik van de grensrechter. Toen zag ik dat hij hem trapte. Hij raakte hem bij zijn buik in de buurt. (…) Die gele heeft sowieso wel meerdere keren getrapt.”

Anders dan de verdediging acht de rechtbank deze verklaring bruikbaar voor het bewijs. Dat de getuige heeft verklaard dat de jongen met de gele schoenen [slachtoffer 1] in de buik trapte, terwijl verdachte op de foto met kenmerk DSC_0129 niet voor de buik maar achter de rug van [slachtoffer 1] te zien is, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. De foto laat slechts een momentopname zien, die dus niet uitsluit dat verdachte zich op enig moment (ook) aan de voorkant van verdachte heeft bevonden. Ook is goed denkbaar dat [slachtoffer 1] zich, liggend op het veld, heeft omgedraaid in een poging om aan het geweld te ontkomen. Ook het feit dat de getuige naar het oordeel van de verdediging een onjuiste volgorde noemt van het schoppen door de jongen met de gele schoenen en de aanwezigheid van de keeper op het veld, doet geen afbreuk aan de verklaringen van deze getuige, nu in die verklaringen vanaf het eerste verhoor melding wordt gemaakt van een speler met gele schoenen, van wie de getuige vanaf het tweede verhoor met grote stelligheid en consistent verklaart dat deze [slachtoffer 1] heeft getrapt. Die stelligheid en die herinnering zijn bij het verhoor van de getuige bij de rechter-commissaris nog onverminderd aanwezig. Op de vraag bij de rechter-commissaris waarom de getuige bij zijn eerste verklaring niet heeft verklaard dat de jongen met de gele schoenen had geschopt antwoordt de getuige dat het toen net na het incident was en dat de getuige al heel erg lang op het politiebureau zat en dat het verhoor heel erg lang duurde. Aansluitend licht de getuige bij de rechter-commissaris toe: “Ik ben drie of vier uur verhoord en ik werd ook moe. Het ging eerst alleen maar over de opstelling en dat soort dingen., dat duurde heel lang. Maar ik heb wel vermeld dat de jongen met de gele schoenen steeds overal bij aanwezig was.”

De rechtbank is van oordeel dat hiermee afdoende is verklaard waarom de getuige eerst in het tweede verhoor meldt dat de jongen met de gele schoenen [slachtoffer 1] had getrapt. Reden waarom de rechtbank ook deze verklaring voor het bewijs zal bezigen.

Gelet op al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte G] een actieve rol heeft gespeeld in het incident, bestaande uit het meermalen met kracht trappen tegen het bovenlichaam, waaronder de rug, van [slachtoffer 1] terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag.

[verdachte]

Bij de politie heeft verdachte [verdachte] op 16 januari 2013 verklaard : “Ik had volgens mij rugnummer 13. (…) Op de vraag van de politie: Dus samengevat ben je gekleed in een voetbaltenue van [Voetbalvereniging 1]. Je draagt een roodbroekje dat opvalt omdat deze anders gekleurd is. Dat klopt hè? Verdachte antwoordt: Ja.”

Ter terechtzitting van 30 mei 2013 is de foto met kenmerk IMG_9150 getoond. De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat zich achter een [Voetbalvereniging 1] speler met oranje bovenkleding, een [Voetbalvereniging 1] speler bevindt met een rood broekje met een smalle grijs/witte streep op de zijkant en een voetbalshirt waarboven bij de hals een rood oranje vlak, mogelijk een deel van een ondershirt, te zien is. Ter terechtzitting van 29 mei jl. heeft verdachte [verdachte] verklaard dat hij de persoon is met het oranje halsgedeelte die te zien is op de foto met kenmerk IMG_9150. Voor het overige heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Ook ten aanzien van de rol van [verdachte] kent de rechtbank allereerst betekenis toe aan de verklaringen van [getuige 1] zoals deze hiervoor - onder het kopje “[medeverdachte D] - reeds zijn geciteerd.

Eerst tijdens het derde verhoor door de politie op 13 december 2012 zijn [getuige 1] foto’s van het incident getoond. Ten aanzien van de aan hem getoonde foto met kenmerk IMG_9150 heeft [getuige 1] verklaard dat dit het moment is waarover hij - steeds - eerder heeft verklaard: “Want ik zie dat dit het moment is dat mijn vader door spelers en de trainer geschopt worden zoals ik al verklaard heb. Ik zie twee spelers vlakbij staan (…), deze spelers van [Voetbalvereniging 1] schoppen mijn vader krachtig tegen het lichaam en hoofd. Ik heb gezien dat ze hun been naar achteren haalden en uithaalden alsof ze tegen een bal schopten. Ik heb gezien dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] ook zo hard schopte. Zoals ik al verklaard heb zag ik dat de trainer van [Voetbalvereniging 1] mijn vader het meest geschopt heeft. Als ik moet schatten denk ik dat die man mijn vader zeker 5 tot 10 keer hard geschopt heeft. (…)

Foto IMG_9150-1 is een vergroting van de net getoonde foto. Ik herken nu heel duidelijk de trainer van [Voetbalvereniging 1] die op mijn vader inschopte. Ik weet zeker dat hij het is. Ik zie nu ook duidelijk dat [slachtoffer 2] die man omver duwt omdat hij mijn vader aan het schoppen is. Nogmaals ik weet echt zeker dat dit de man is die mijn vader meerdere keren schopte. Ik wijs u ook de spelers aan die mijn vader schopten, ik zie dat u een aantekening maakt bij deze spelers.

(…) Ik kan u over de twee andere spelers van [Voetbalvereniging 1] niet vertellen of zij geschopt hebben. Dat heb ik in ieder geval niet gezien.”

Nu - onder meer - deze foto bevestigt hetgeen [getuige 1] eerder bij de politie heeft verklaard, [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris desgevraagd heeft aangegeven dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard, dat hij geen foto’s had gezien voor zijn eerste politieverhoor, dat hij alleen de “Telegraaffoto” [rechtbank: DSC_0129] voor zijn tweede politieverhoor had gezien en dat hij niet met anderen gesproken heeft over de foto’s , acht de rechtbank de verklaringen van [getuige 1] - die onderling consistent zijn - ook ten aanzien van de rol van [verdachte] betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dit geldt temeer nu verdachte [verdachte] - ook - ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij de persoon is op bovengenoemde foto die [getuige 1] als een van de schoppende jongens aanwijst. Dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris [verdachte] niet heeft beschreven, doet aan de betrouwbaarheid van zijn eerdere verklaringen - en aan de herkenning van [verdachte] op bovengenoemde foto in het bijzonder - niet af. [getuige 1] heeft in zijn eerste twee verklaringen heel duidelijk het incident beschreven en die verklaringen worden ondersteund door hetgeen te zien is op - onder meer - de foto met kenmerk IMG_9150. Dat op dat specifieke moment in plaats van [verdachte] die dichtbij te zien is, een andere speler geschopt zou hebben is niet gebleken en dat past ook niet in het zeer korte tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld.

Bovengenoemde verklaringen vinden steun in de verklaring van [getuige 11], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris : “U vraagt mij van wie ik mij herinner dat ze hebben geschopt. De jongen met de gele schoenen en eentje met een volgens mij rood broekje aan. De rest van [Voetbalvereniging 1] liep in de normale kleding van [Voetbalvereniging 1] en deze jongen viel op door zijn rode broek. (…) De jongen met het rode broekje had volgens mij iets van nummer 13 maar dat weet ik niet helemaal zeker.”

Tot slot vindt de rechtbank in dit kader de verklaring van medeverdachte [medeverdachte B] van belang. Hij heeft op 4 december 2012 tegenover de politie verklaard :

“Toen we in de kleedkamer terugkwamen hoorde ik dat een paar jongens hadden geschopt. Dit waren [medeverdachte A], [medeverdachte E], [naam], [naam], [medeverdachte C] en de onbekende jongen. Ik hoorde ook dat een jongen was geschopt. Dit was de onbekende jongen.”

Dat de verklaring van [medeverdachte B] ziet op [verdachte] blijkt uit de verklaring van [verdachte] zelf bij de politie:

“Ik zag de grensrechter naar mij toe lopen. (…) Ik werd door hem geduwd en ik viel op de grond. Ik lag op mijn rug. (…) Ik werd door de grensrechter getrapt.”

Gelet op voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte][slachtoffer 1] meermalen krachtig tegen het lichaam en hoofd heeft getrapt terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag.

[medeverdachte F]

Verdachte [medeverdachte F] heeft bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting geen inhoudelijke verklaring willen afleggen. Hij heeft zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht dan wel aangegeven dat hij niets gedaan heeft.

Tijdens zijn verhoor op 11 december 2012 heeft [medeverdachte F] - op de vraag zichzelf te omschrijven en te vertellen wat voor voetbalkleding hij droeg op 2 december 2012 - onder meer verklaard: “Haarkleur: Zwart. Haardracht: zijkanten opgeschoren, boven hanenkam. (…) Voetbalschoenen: Paarse nikes (…) Rugnummer: Heb ik niet.”

Ter terechtzitting van 30 mei 2013 is de foto met kenmerk IMG_9150 getoond. De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat op de foto te zien is dat zich links een voetbalspeler van [Voetbalvereniging 1] bevindt zonder rugnummer. Op 13 december 2012 heeft [medeverdachte F] bij de politie zichzelf aangewezen op de foto met kenmerk IMG_9150 als de persoon zonder rugnummer.

Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn aan [getuige 1] eerst tijdens zijn derde verhoor op 13 december 2012 foto’s van het incident getoond. Ten aanzien van de aan hem getoonde foto met kenmerk IMG_9150 heeft [getuige 1] verklaard dat dit het moment is waarover hij - steeds - eerder heeft verklaard. Ook dit is hiervoor reeds uitgebreid aan de orde gekomen.

Op voornoemde foto heeft [getuige 1] onder meer de persoon zonder rugnummer - waarvan [medeverdachte F] gezegd heeft dat hij dat is - aangewezen als een van de spelers die zijn vader krachtig geschopt heeft tegen het lichaam en hoofd.

De raadsman van [medeverdachte F] heeft aangevoerd dat het op de weg had gelegen van de politie om niet enkel een foto van een gebeurtenis op het veld te tonen, maar om de foto’s met daarop meerdere gebeurtenissen waarover de politie de beschikking had gelijktijdig te tonen. Nu er slechts een enkelvoudige fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden is door de politie een bijzonder suggestieve situatie gecreëerd waardoor de politie op onzorgvuldige wijze onderzoek heeft verricht. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor dienen de verklaringen met betrekking tot de foto(‘s) te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank volgt de verdediging niet in dit verweer. Allereerst is er geen sprake geweest van een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar van het tonen van foto’s van het incident. Tijdens het verhoor op 13 december jl. is aan [getuige 1] niet slechts een enkele foto getoond van het incident, maar meerdere. Daarnaast geldt dat [getuige 1] reeds twee keer door de politie was gehoord voordat de foto met kenmerk IMG_9150 aan hem is getoond. Dat hij zijn herinnering aan het incident heeft aangepast aan deze foto vindt de rechtbank in de zaak tegen [medeverdachte F] niet aannemelijk geworden. [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoor van 13 december jl. aangegeven dat hij eerder had verklaard over hetgeen hij toen (voor het eerst) zag op de foto met kenmerk IMG_9150. Hij heeft toen onder meer [medeverdachte F] aangewezen als de schoppende speler. Tegenover de rechter-commissaris heeft [getuige 1] aangegeven dat hij niet met anderen gesproken heeft over de foto’s . Reden waarom de rechtbank de aanwijzing van [medeverdachte F] op voornoemde foto betrouwbaar vindt. Dit geldt temeer daar [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over een jongen met paarse voetbalschoenen die heeft ingetrapt op zijn vader die toen op de grond lag. De kleur van de schoenen is niet te zien op de foto met kenmerk IMG_9150. Naar het oordeel van de rechtbank doelt [getuige 1] met “een jongen met paarse voetbalschoenen” in zijn voornoemd verhoor op [medeverdachte F], aangezien hij - zoals hij ook zelf heeft aangegeven - paarse Nikes droeg tijdens de voetbalwedstrijd en ten tijde van het incident. Dit ondersteunt de aanwijzing op de foto met kenmerk IMG_9150 waardoor de rechtbank uitgaat van de betrouwbaarheid en derhalve juistheid daarvan.

Naast voormelde verklaringen kent de rechtbank in dit verband ook betekenis toe aan het (aanvullend) vergelijkend DNA-onderzoek dat is verricht naar (een bemonstering van) een veter van de linkerschoen van verdachte [medeverdachte F].

Dat de onderzochte (veter van de) schoen de schoen van [medeverdachte F] betreft leidt de rechtbank af uit het proces-verbaal sporenonderzoek waaruit blijkt dat onder [medeverdachte F] paarse Nikes in beslag zijn genomen waaraan het kenmerk AAAN2589NL is gekoppeld. De bemonstering van de veter van de linkerschoen [naam] heeft als kenmerk AAN2589NL#02 en daarvoor zijn twee hypotheses beschouwd dat hierna nog aan de orde zal komen. Bovendien heeft [medeverdachte F], zoals hiervoor reeds is overwogen, op 11 december jl. verklaard dat hij op 2 december jl. als voetbalschoenen paarse Nikes droeg.

Voor de bemonstering van de veter van de linkerschoen van [medeverdachte F] is een consensus DNA-profiel opgesteld. Uit dit resultaat wordt door het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat van het celmateriaal in de bemonstering van de veter van de linkerschoen een complex DNA-mengprofiel is verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal vier personen. Uit dit complexe DNA-mengprofiel is een combinatie van prominent aanwezige DNA-kenmerken afgeleid van minimaal één man. Het DNA-profiel van [medeverdachte F] matcht met deze prominent aanwezige DNA-kenmerken. Dit betekent dat [medeverdachte F] de prominent aanwezige celdonor in de bemonstering kan zijn. Omdat deze voetbalschoen van [medeverdachte F] zou zijn - hetgeen de rechtbank als vaststaand aanneemt zoals hiervoor is overwogen - wordt aangenomen dat het prominent aanwezige celmateriaal in deze bemonstering ook daadwerkelijk van [medeverdachte F] afkomstig is. Naast de combinatie van prominent aanwezige DNA-kenmerken zijn in het complexe DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering DNA-nevenkenmerken zichtbaar van minimaal drie minder prominent aanwezige celdonoren. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] matcht met deze DNA-nevenkenmerken. Dit betekent dat het slachtoffer één van de minder prominent aanwezige celdonoren in deze bemonstering kan zijn.

Een standaard statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] is in dit geval niet mogelijk. Wel is de wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek te formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid op bronniveau.

Voor de bemonstering van de veter van de linkerschoen van [medeverdachte F] zijn de volgende twee hypotheses beschouwd:

hypothese I : de bemonstering bevat relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van het slachtoffer en nog twee willekeurige personen

hypothese II : de bemonstering bevat relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van nog drie willekeurige personen

De verkregen resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn voor de bemonstering zeer veel waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.

Nu dit betekent dat de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als deze bemonstering relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van het slachtoffer en nog twee willekeurige personen bevat (hypothese I), dan als deze bemonstering relatief veel celmateriaal van [medeverdachte F] en een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van nog drie willekeurige personen bevat (hypothese II), hecht de rechtbank aan deze bevindingen (bewijs)waarde ter beantwoording van de vraag of [medeverdachte F] een bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens de grensrechter.

Het verweer dat de door het NFI in verbale termen geformuleerde wetenschappelijke bewijswaarde van generlei waarde is, aangezien bij de beantwoording van de hypotheses niet is meegewogen dat de zoon van [slachtoffer 1] mogelijkerwijs ook donor kan zijn van het DNA-materiaal dat is aangetroffen, wordt door de rechtbank verworpen. Het enkele feit dat door het NFI niet onderzocht is of het DNA-profiel van de zoon van [slachtoffer 1] (ook) matcht met de in de bemonstering aangetroffen DNA-nevenkenmerken maakt niet dat de bevindingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Feiten of omstandigheden die dat anders doen zijn, zijn (voldoende) gesteld noch gebleken. De raadsman van [medeverdachte F] heeft wel gesteld dat [medeverdachte F] en [getuige 1] tegen elkaar hebben gevoetbald waardoor er DNA kan zijn overgedragen door de zoon van [slachtoffer 1] op de schoen van [medeverdachte F], maar dit is niet onderbouwd met feiten. Zo is niet gesteld dat [medeverdachte F] en [getuige 1] tijdens (of na) de wedstrijd daadwerkelijk fysiek contact met elkaar hebben gehad. Ook [medeverdachte F] heeft daar niets over gezegd. Daar is bovendien niets van gebleken. Reden waarom de rechtbank dit verweer passeert en derhalve wel (bewijs)waarde hecht aan voornoemde bevindingen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 5 lid 2 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, nu het proces-verbaal met kenmerk PL2562 2012086098-90 geen identiteitszegel bevat. Aangezien uit foto 1 van de fotobijlage bij voornoemd proces-verbaal tevens blijkt dat op de bewaarzak correcties zijn aangebracht, valt niet uit te sluiten dat de in beslag genomen schoenen, sokken en voetbalkleding in één zak hebben gezeten en kan aldus contaminatie niet worden uitgesloten. Daarnaast stelt de verdediging dat voornoemd proces-verbaal niet ten spoedigste is opgemaakt en dat daarin niet is vermeld op welke wijze de materialen zijn aangeleverd en op welke wijze de in beslag genomen goederen zijn bewaard tot het moment waarop er sporenonderzoek is verricht. Dit alles levert een onherstelbaar vormverzuim op, zodat de resultaten daarvan moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Met de verdediging heeft de rechtbank geconstateerd dat voornoemd proces-verbaal geen identiteitszegel bevat, maar dat er wel een S(poor) I(dentificatie) N(ummer)-nummer (AAAN2589NL) is gekoppeld aan de inbeslaggenomen schoenen van [medeverdachte F]. Dit SIN-nummer komt overeen met het SIN-nummer dat is vermeld op de bewaarzak met daarop geschreven “voetbalschoenen”. Het feit dat op die bewaarzak slechts voornoemd SIN-nummer staat vermeld en niet de SIN-nummers die blijkens voornoemd proces-verbaal zijn gekoppeld aan de onder [medeverdachte F] in beslag genomen voetbalkousen, voetbalshirt en broek maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat in die bewaarzak slechts de voetbalschoenen hebben gezeten en niet ook de andere inbeslaggenomen voorwerpen. Blijkens de foto’s 12 en 14 van de fotobijlage bij voornoemd proces-verbaal is er tevens een bewaarzak met daarop geschreven “[medeverdachte F] kousen” met een identiteitszegel met (enkel) het SIN-nummer dat gekoppeld is aan de inbeslaggenomen kousen van [medeverdachte F] voorhanden, alsook een bewaarzak met daarop geschreven “[medeverdachte F] voetbalshirt (zonder rugnummer) + broek” met een identiteitszegel met (enkel) het SIN-nummer dat gekoppeld is aan de inbeslaggenomen voetbalkleding van [medeverdachte F]. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er contaminatie kan hebben plaatsgevonden. Het feit dat er correcties op de bewaarzak van de schoenen zijn aangebracht, inhoudende dat “voetbalshirt” is veranderd in “voetbalschoenen” en dat “broek” met daaronder “zonder rugnummer” zijn doorgestreept, maakt dat niet anders, nu op die bewaarzak enkel het SIN-nummer van de voetbalschoenen van [medeverdachte F] is vermeld en de tekst gecorrigeerd is in “voetbalschoenen” hetgeen strookt met het feit dat het op die zak vermelde SIN-nummer ziet op die voetbalschoenen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte F] niet in zijn belangen is geschaad door het ontbreken van een identiteitszegel in voornoemd proces-verbaal. Hetzelfde geldt voor de correcties die zijn aangebracht op de bewaarzak van de inbeslaggenomen schoenen van [medeverdachte F]. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt niet van een reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het DNA-onderzoek. Ook overigens blijkt uit voornoemd proces-verbaal niet dat de procedure rondom de inbeslagname en het sporenonderzoek niet in acht is genomen of anders: onregelmatigheden vertoont. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Gelet op voornoemde verklaringen van [getuige 1], in samenhang bezien met de foto met kenmerk IMG_9150 en de voornoemde bevindingen van het (aanvullend) vergelijkend DNA-onderzoek dat is verricht naar (een bemonstering van) een veter van de linkerschoen van [medeverdachte F], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte F] een van de spelers is geweest die de grensrechter, terwijl deze voor de tweede keer op de grond lag, krachtig geslagen en getrapt heeft tegen het lichaam (buik, borst en benen) en hoofd.

Medeplegen

Van medeplegen van doodslag is sprake indien alle verdachten dit feit gezamenlijk hebben gepleegd. Deze vorm van daderschap is gelijk aan die van de individuele pleger: de medepleger wordt als dader bestraft.

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten. Die samenwerking is gericht op de totstandkoming van het strafbare feit. Aan de totstandkoming van dit feit dient de medepleger substantieel bij te dragen om als zodanig te kunnen worden aangemerkt.

Wat betreft het eerste onderdeel, de bewuste samenwerking, geldt het volgende. Niet nodig is dat de rollen van verdachten vóór het plegen van het delict in overleg worden verdeeld, bijvoorbeeld door het maken van een plan. Ook op het moment van het plegen van het feit kan een bewuste samenwerking ontstaan. Daarbij kan het om seconden gaan. Voldoende is een wederzijds begrijpen, ook zonder woorden, een op het moment van de handeling weten samen te werken tot hetzelfde resultaat. Bewuste samenwerking houdt in dat het opzet zowel op de samenwerking moet zijn gericht als op het resultaat van die samenwerking (het strafbare feit). Met andere woorden: er is een dubbel opzetvereiste.

In de rechtspraak is de nadruk gaandeweg komen te liggen op het tweede onderdeel, de nauwe samenwerking of gezamenlijke uitvoering. Daarvoor is niet vereist dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen plegen. Wel dient de samenwerking tussen hen intensief te zijn, om medeplegen te onderscheiden van medeplichtigheid. In het algemeen zijn de medeplegers ‘lijfelijk’ aanwezig op de plaats waar het strafbare feit gepleegd wordt, maar dat hoeft niet. Niet nodig is dat de medeplegers een vaste rolverdeling hebben. Het kan van toevallige omstandigheden afhangen wie welke handelingen verricht. Evenmin is nodig dat achteraf precies kan worden gereconstrueerd wie van de medeplegers welk onderdeel van het geheel voor zijn rekening heeft genomen.

Met betrekking tot het opzet merkt de rechtbank nog in het bijzonder op dat die uit de aard van de gedraging en de gevolgen daarvan kan worden afgeleid. Daarbij hoeft de handeling van de medepleger geen voorwaarde te zijn voor het intreden van het strafrechtelijke gevolg. De bewustheid van de medepleger op hetgeen hij met de andere medepleger doet, mag worden afgeleid uit de kennis die hij op het moment van zijn gedraging - en niet achteraf, na het lezen van het dossier - bezat. Dit betekent dat, indien sprake is van een nauwe en volledige samenwerking, niet relevant is of - bijvoorbeeld in geval van een doodslag in vereniging - de medepleger al dan niet de uiteindelijke dood van het slachtoffer heeft bewerkstelligd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [medeverdachte E], [medeverdachte D], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] zich hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1]. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat deze personen zodanig intensief hebben samengewerkt, dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking bij het plegen van doodslag op [slachtoffer 1]. Hiervoor is naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevend dat de verdachten allen uitvoeringshandelingen hebben gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 1] na de voetbalwedstsrijd werd aangesproken door een aantal spelers van [Voetbalvereniging 1]. Er stonden toen veel mensen op het veld. Er ontstond een vechtpartij waarbij [slachtoffer 1] één van zijn schoenen verloor. [medeverdachte E] heeft toen [slachtoffer 1] ten val heeft gebracht door tegen de onderbenen te trappen. Vervolgens heeft [medeverdachte E] [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en het bovenlichaam getrapt. Hierna rende de jongen weg in de richting van een woonwijk, waarna hij even later terug kwam met een tak/stok in de hand. Terwijl [slachtoffer 1]op de grond lag, trapte [medeverdachte A] hem meermalen tegen het bovenlichaam (buik/zij) en trapte [medeverdachte C][slachtoffer 1] tegen het hoofd. Volgens [medeverdachte C] werd [slachtoffer 1] tijdens het eerste incident kapot geramd, hij was dan ook bang dat hij niet meer op zou staan. Het lukte [slachtoffer 1] om vervolgens op te staan. Hij probeerde

weg te rennen richting de middencirkel, maar werd achtervolgd door 3 à 4 jongens van [Voetbalvereniging 1] die bij de eerste situatie hadden gestaan, alsook door verdachte [medeverdachte D]. [slachtoffer 1] werd toen getackeld door 1 van de spelers van [Voetbalvereniging 1] waardoor hij opnieuw ten val kwam. Deze jongens en de verdachte [medeverdachte D] gingen rondom [slachtoffer 1] staan en begonnen krachtig op hem in te slaan en te schoppen. Uit de besproken bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat deze jongens de verdachten [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] betroffen. [slachtoffer 1] werd toen door hen met kracht tegen het bovenlichaam en hoofd geslagen en geschopt. Ze raakten hem waar ze maar konden en haalden uit alsof ze tegen een bal schopten waarbij verdachte [medeverdachte D][slachtoffer 1] het meeste op het hoofd trapte. De keeper van [Voetbalvereniging 2], [slachtoffer 2], probeerde [medeverdachte D] weg te duwen bij [slachtoffer 1] en kwam vervolgens ook op de grond terecht. Verdachte [medeverdachte B] is naar de vechtpartij toegelopen en heeft vervolgens [slachtoffer 2] een klap gegeven en hem tweemaal tegen zijn benen getrapt, terwijl [slachtoffer 1] werd geschopt door [verdachte], [medeverdachte G], [medeverdachte F] en [medeverdachte D]. Toen kwamen er veel omstanders bij en zijn de spelers van [Voetbalvereniging 1] en [medeverdachte D] weggehaald bij [slachtoffer 1].

Dat achteraf niet exact kan worden gereconstrueerd wie van de verdachten welk lichaamsdeel van [slachtoffer 1] - het hoofd of het lichaam - heeft geraakt, werpt hier geen ander licht op. Immers, door in de mate zoals hiervoor is omschreven bij te dragen aan het plegen van ernstig geweld jegens en het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 1] hebben [medeverdachte E], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] aan een of meer van de door (een van) hen toegebrachte verwondingen zou komen te overlijden. Dat de geweldshandelingen plotseling zijn ontstaan, doet er niet aan af dat het medeplegen op bewust niveau heeft plaatsgevonden. Een plan of het voeren van overleg is hiervoor immers niet nodig. Een ‘split second’ voor of tijdens de geweldshandelingen is voldoende. In die luttele tijd zijn [medeverdachte E], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot bewuste samenwerking gekomen.

Ook het verweer dat een aantal verdachten pas later betrokken zijn geweest bij de vechtpartij en deze handelingen niet tot de dood kunnen hebben geleid van [slachtoffer 1] gaat niet op.

Allereerst kan zowel tijdens het eerste incident als tijdens het tweede incident het fatale letsel zijn toegebracht. Beide momenten is er met kracht op kwetsbare lichaamsdelen van [slachtoffer 1] ingetrapt. Bovendien blijkt uit verschillende verklaringen dat de verdachten die tijdens de tweede situatie geweld hebben toegepast reeds bij de eerste situatie aanwezig zijn geweest. [slachtoffer 1] probeerde na de eerste situatie weg te komen, waarbij hij achterna werd gezeten door [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] die hem vervolgens hebben getackeld en met kracht hebben geslagen en getrapt tegen zijn bovenlichaam en hoofd. Gelet op de bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte E], [medeverdachte A], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [verdachte], [medeverdachte G] en [medeverdachte F] is niet relevant door wiens handelingen [slachtoffer 1] uiteindelijk is komen te overlijden. Het voorwaardelijk opzet van verdachten was er immers al; zij konden er in redelijkheid niet vanuit gaan dat de fatale klap al was uitgedeeld.

(Voorwaardelijk) opzet

De rechtbank gaat er, met de officier van justitie en de verdediging, van uit dat verdachten niet de intentie hebben gehad om [slachtoffer 1] te doden.

In het navolgende wordt de vraag beantwoord of verdachten al dan niet het voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van [slachtoffer 1]. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu de dood van [slachtoffer 1] – is aanwezig, als verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedragingen van de verdachten de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachten wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging(en) bewust hebben aanvaard (op de koop toe genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Er is geen grond om de inhoud van het begrip aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg.

Bij de beantwoording van de vraag of een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop heeft bestaan wordt vooropgesteld dat de vraag of die kans op een dodelijke afloop niet ziet op de oorzaak van het overlijden, maar op de dood. Met andere woorden: het voorwaardelijk opzet ziet niet op de dissectie maar op de dood.

De rechtbank beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat het hoofd met de zich daarin bevindende hersenen kwetsbaar is en dat verwondingen aan het hoofd de dood tot gevolg kunnen hebben.

Verdachten hebben, zoals de rechtbank hiervoor onder het kopje medeplegen heeft overwogen, in nauwe en bewuste samenwerking [slachtoffer 1] meermalen tegen diens hoofd en/of nek en/of lichaam geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden. De geweldshandelingen door de verschillende verdachten tegen [slachtoffer 1] hebben - in twee fasen - vrijwel gelijktijdig plaatsgevonden. In beide fasen is - kenbaar voor alle verdachten - met voetbalschoenen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] geschopt, terwijl deze op de grond lag.

De rechtbank is van oordeel dat in het bijzonder het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1], naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, te weten veelvuldig en met kracht, zozeer gericht zijn op de dood van het slachtoffer dat verdachten niet alleen wetenschap moeten hebben gehad van de aanmerkelijke kans op de dood, maar dat zij deze kans ook bewust hebben aanvaard.

Causaal verband

Op 4 december 2012 is door A. Maes, arts en patholoog en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1]. Daarbij is blijkens haar op 6 februari 2013 uitgebrachte sectierapport onder meer het volgende gebleken:

Er waren enkele onderhuidse bloeduitstortingen verspreid over de ledematen (maximaal 1 cm) en links boven aan de romp (5 cm). (…)

Bij inwendig onderzoek waren er in het onderhuidse weefsel van de behaarde hoofdhuid enkele bloeduitstortingen zichtbaar tot maximaal 3 cm rechtsvoor.

De beide wervelslagaders werden met contrastvloeistof ingespoten, ze waren doorgankelijk. Er was een complete verstopping ter hoogte van de arteria basilaris (slagader in het midden van de hersenbasis. (..)

De gehele linker kleine hersenhelft was bloederig geïnfarceerd en sterk verweekt. De hersenen waren sterk gezwollen en afgeplat met inklemmingsverschijnselen aan de onderzijde.

Bij sectie bestond een toestand na medische interventie. Er waren als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend botsend mechanisch geweld bloeduitstortingen gelokaliseerd onder de hoofdhuid, aan de romp en de ledematen. Deels kunnen deze bloeduitstortingen worden verklaard door stompen, slaan, schoppen tegen het hoofd maar kunnen mogelijk ook het gevolg zijn geweest van medische handelingen (romp), voetballen (benen) of diverse andere oorzaken. Er was dissectie in beide wervelslagaders, de arteriae basilaris. Er was verstoppen door thrombose van de doorgang van de arteria basilaris. Bij neuropathologisch onderzoek werd infarcering gezien van de gehele linker kleine hersenhelft en werden er infarcthaarden in de hersenstam en de rechter kleine hersenhelft gevonden. De begeleidende hersenzwelling verklaart het overlijden zondermeer door functieverlies van de hersenen. (…)

Traumatische beschadigingen aan een of beide wervelslagaders zijn beschreven bij heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek. (…) Vaak speelt een hierbij overstrekking van de hals een rol.

Arts en patholoog Maes concludeert naar aanleiding van haar bevindingen:

[slachtoffer 1], 41 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch botsend geweld op het hoofd, de hals en/of nek.

Dr. B. Kubat, arts en patholoog en verbonden aan het NFI, heeft vervolgens een neuropathologisch onderzoek van de hersenen verricht. Zij heeft op 1 februari 2013 rapport uitgebracht, waarin zij haar bevindingen heeft neergelegd, onder meer inhoudende:

Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont een verse dissectie van de rechter en linker arteria vertebralis en dien tengevolge opgetreden thrombose van de arteria basilaris. Passend hierbij wordt een uitgebreide infarcering gezien in het gebied van de hersenstam en de linker cerebellaire hemisfeer alsmede verspreid necrosehaarden in de rechter cerebellaire hemisfeer. Gezien de asymmetrie van de laesies in het cerebellum is het denkbaar dat primair een dissectie van de linker arteria vertebralis was opgetreden, die vervolgens zich uitbreidde naar rechts. Het is echter ook mogelijk dat beide vertebraal arteriën tegelijkertijd dissecteerden, waarbij aan de rechterzijde nog enige flow mogelijk was.

Naar aanleiding van haar bevindingen zoals neergelegd in haar rapport van 1 februari 2013 zijn aan dr. Kubat twee hypotheses voorgelegd, te weten:

H1

de fatale beschadiging aan de wervelslagader van het slachtoffer [slachtoffer 1] is veroorzaakt door het slaan/schoppen tegen zijn hoofd en nek tijdens het geweldsincident op het voetbalveld

H2

de fatale beschadiging aan de wervelslagader van het slachtoffer [slachtoffer 1] is veroorzaakt door de eerdere val op het voetbalveld.

Daarover heeft zij op 8 maart 2013 aanvullend gerapporteerd. Het rapport houdt onder meer in:

Het onderzoek van de linker en rechter arteria vertebralis (wervelslagader) toonde een dissectie van de wand van beide slagaders. (…)

De arteria vertebralis verloopt tot aan het achterhoofdsgat in een eigen kanaal in de halswervels en is daardoor beschermd. Op de overgang van de 1e halswervel naar de schedel treedt de arterie uit dit kanaal en loopt door het achterhoofdsgat de schedel in. Het wordt algemeen aangenomen dat bij krachtige buiging (flexie) van de hals veelal in combinatie met draaiing (rotatie) van het hoofd er een dusdanige sterke rek op de arteria vertebralis wordt uitgeoefend dat er een beschadiging van een bloedvat kan optreden. Verscheuringen door zuivere flexie worden incidenteel beschreven maar meestal blijkt met name de combinatie van flexie en rotatie van belang. (..)

Ervan uitgaande dat bij het eerste incident, ‘het vallen na struikelen’, dit een val was bij ongestoord, vol bewustzijn op de grond (zonder verhevenheden zoals bijvoorbeeld een trede of een zitbank) kan men het volgende stellen:

1. bij een val bij ongestoord, vol bewustzijn tracht het slachtoffer zich flexmatig op te vangen waarbij spieren, ook hals en nekspieren, worden aangespannen

2. door aanspanning van de spieren wordt het hoofd ten opzichte van de hals gefixeerd, zodat krachtige en sterke bewegingen niet plaats vinden

3. indien het slachtoffer valt op een ‘rechte en vlakke’ ondergrond zal geen krachtige en sterke flexie plaats vinden omdat de onderlaag (de grond) dit niet toelaat

4. een beschadiging van één of beide arteriae vertebrales na een val zoals boven vermeld is in de literatuur niet beschreven.

Ten aanzien van het tweede incident, ‘slaan en schoppen tegen hoofd/nek’ kan het volgende worden gesteld:

1. dergelijk geweld leidt tot krachtige en ongecontroleerde bewegingen van het hoofd ondermeer omdat de op deze lichaamsdelen uitgeoefende krachten sterk zijn en veelal relatief snel elkaar opvolgen en meer of meer van richting veranderen

2. dit leidt tot ongecontroleerde en krachtige bewegingen van lichaamsdelen, met name het hoofd ten opzichte van de rest van het lichaam

3. hierbij betreft het zowel buigingen (flexie) als, veelal tegelijkertijd optredende, draaiingen (rotatie)

4. beschadigingen van één of beide arteriae vertebrales in het kader van mishandeling zoals boven aangegeven zijn niet frequent maar worden met regelmaat in de literatuur omschreven.

Dr. Kubat komt vervolgens in haar aanvullende rapport tot de volgende conclusie:

Gelet op de voorgaande uiteenzetting kan worden gesteld dat hypothese 2 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden verworpen en dat de aangetroffen vaatletsels vrijwel zeker waren veroorzaakt door slaan/schoppen tegen het hoofd-hals gebied van het slachtoffer.

Ter terechtzitting van 11 maart 2013 heeft de verdediging bij monde van mrs. Spong en Smeets verzocht prof. dr. C.M. Milroy, forensisch patholoog-anatoom te Ottawa, Canada, en prof. dr. W. Jacobs, docent gerechtelijke geneeskunde te Antwerpen, als deskundigen aan te wijzen, teneinde een contra-expertise te verrichten. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging gehonoreerd.

De genoemde deskundige Milroy heeft op 5 mei 2013 gerapporteerd. Prof. dr. Jacobs heeft samen met prof. dr. E. Beuls, die door de rechter-commissaris eveneens tot deskundige is benoemd, een deskundig verslag d.d. 24 mei 2013 opgemaakt.

Het deskundig verslag van prof. dr. W. Jacobs en prof. dr. E. Beuls houdt voor zover van belang het volgende in:

Meest voorkomend zijn spontane bloedvaten dissecties welke kunnen optreden bij alle bloedvaten over heel het lichaam. Gezien het bij de heer [slachtoffer 1] om een traumatische dissectie ging, met name opgetreden kort na een geweldinwerking, nemen we aan dat het ging om een traumatische. Er bestaan in de literatuur niet limitatieve lijsten van aandoeningen welke tot spontane bloedvaten dissecties leiden doch geen enkele hiervan is aanwezig bij de heer [slachtoffer 1] ( Greenberg).

(…)

Zoals hoger reeds gezegd is met de grootste waarschijnlijkheid de gewelddadige handeling op het hoofd van de heer [slachtoffer 1] de oorzaak van het fatale letsel. Zeer theoretisch en even vaag als de beschrijving van de getuigen zou een val een oorzaak kunnen geweest zijn maar het is niet aannemelijk dat dit een oorzaak van de fatale afloop is geweest of zelfs niet er toe zou bijgedragen hebben. (…)

Een andere oorzaak van het letsel dan botsend uitwendig inwerkend geweld als gevolg van schoppen tegen het hoofd en de nek kan met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. (..)

De afwezigheid van een uitwendig letsel in de nek is geen vereiste om een bloedvaten letsel in de hals, carotis of vertebralis aan uit te sluiten. Het onderhuidse bloed of subgaleaal hematoom is uiting van een direct contact impact met geweld op deze plaats. (..)

Noch in de voorgeschiedenis, noch bij neuropathologisch onderzoek van het bloedvat, dat door prof. dr. Werner Jacobs herhaald werd zijn er risicofactoren aangetroffen welke op een gemakkelijker manier na bv. een miniem traumatisch letsel, zouden hebben kunnen leiden tot een dissectie van het bloedvat in kwestie. (…) Het onderzoek toonde aan dat er geen connective tissue diseaese of een eventueel andere systeemziekte in het spel was.

In een (ongedateerd) aanvullend rapport heeft prof. dr. Jacobs opgemerkt:

Na kennisname van het verslag opgesteld door prof. Christopher Mark Milroy d.d. 05.05.2013 welke ons door de rechter-commissaris ter hand werd gesteld en waarin gemeld wordt dat de arteria vertebralis bloedvaten tekenen vertonen van segmentale arteriële mediolysis werden de coupes onder referentie 12-314/16 (rechter arteria vertebralis) en 17 (linker arteria vertebralis) nogmaals gereviseerd.

In de overlangse doorsneden doorheen het arteriele bloedvat van de coupes 12-314/17 (links) noteren we in de tunica media rondom de dissectiespleet vacuolaire veranderingen welke evenwel gepaard gaan met oedeemvorming en influx van neutrofiele granulocyten. Deze veranderingen zijn veel minder duidelijk aanwezig in de coupe 12-314/16 (rechts).

Alhoewel er in coupe 12-314/17 enige argumenten zijn om diagnose van een segmentale arteriële mediolysis te weerhouden, kunnen de vastgestelde histologische afwijkingen mijns inziens evenzeer verklaard worden door een traumatische dissectie met secundaire reactie in de overlevensfase.

Prof. dr. C.M. Milroy heeft in zijn rapport van 5 mei 2013, voor zover van belang, het volgende gesteld:

Naar mijn mening bestond er een onderliggende conditie in de arteriae vertebrales die goed is gedocumenteerd in de vakliteratuur. Het betreft een aandoening van de slagaders die segmentale mediolytische arteriopathie (SMA) wordt genoemd. SMA wordt ook wel in verband gebracht met fibromusculaire dysplasie (FMD), die ook in verband wordt gebracht met dissectie van de arteria vertebralis, ook bilateraal. (…)

De doodsoorzaak, d.i. de consequenties van de dissecties van de arteriae vertebrales met hersenschade is niet discutabel, maar het is niet duidelijk welke gebeurtenis die dissectie heeft teweeggebracht (d.i. de dissectie is mogelijk niet het gevolg van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek). (..)

Vanwege bovenvermelde redenen kunnen andere oorzaken dan uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek niet worden uitgesloten.

Zoals hierboven vermeld geloof ik niet dat de conditie van de arteriae vertebrales van de heer [slachtoffer 1] normaal was. Er waren enkele veranderingen zichtbaar die duiden op segmentale mediolytische arteriopathie (SMA). Er bestond bij hem een verhoogd risico voor dissectie van de arteriae vertebrales, zowel spontaan als door licht of meer ernstig trauma. (…)

De heer [slachtoffer 1] is overleden ten gevolge van bilaterale dissectie van de arteriae vertebrales. Bilaterale dissectie van de arteriae vertebrales is een zeldzame maar welbekende entiteit in de medische literatuur. Het wordt steeds meer erkend dat deze mensen onderliggende afwijkingen van de arteriae vertebrales hebben, hoewel het waarschijnlijk is dat een aantal condities de arteriae vertebrales predisponeren voor dissectie.

In veel gevallen van dissectie van de arteriae vertebrales is geen sprake van een veroorzakende gebeurtenis en deze gevallen worden daarom als spontaan geclassificeerd.

Een aantal gebeurtenissen wordt geassocieerd met dissectie van de arteria vertebralis met trauma in verschillende gradaties, waaronder trauma als gevolg van vallen, het draaien van de nek en ook slagen op de nek.

Hoewel mishandeling van de heer [slachtoffer 1] de dissectie kan hebben veroorzaakt, kan een ander licht trauma als oorzaak niet worden uitgesloten, vooral gezien wat er verder is gebeurd tijdens de voetbalwedstrijd, de lichte val of mogelijk draaien van het hoofd bij het optreden als grensrechter of bij het autorijden na de gebeurtenis, bijv. bij achteruitrijden.

Gelet op het bovenstaande en op hetgeen de deskundigen Kubat, Maes, Beuls en Milroy ter terechtzitting van 29 mei 2013 naar voren hebben gebracht, bestaat er tussen de deskundigen geen verschil van mening over de doodsoorzaak, te weten een bilaterale dissectie van de arteriae vertebrales.

De genoemde deskundigen verschillen wel van mening over de wijze waarop die dissectie is ontstaan.

Kubat, Beuls en Jacobs zijn de mening toegedaan dat het fatale letsel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gewelddadige handelingen op het hoofd van [slachtoffer 1]. Een andere oorzaak sluiten zij vrijwel uit.

Milroy heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel mishandeling de dissectie kan hebben veroorzaakt, het niet uit te sluiten is dat de dissectie niet het gevolg is van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek. Hij verwijst daarbij naar de in zijn opinie abnormale conditie van de arteriae vertebrales van [slachtoffer 1], te weten segmentale mediolytische arteriopathie (SMA).

Ter terechtzitting heeft dr. Kubat SMA uitgesloten. Zij stelt dat zij uitgebreider onderzoek heeft gedaan en wel op 23 niveaus in de linker slagader. Zij verklaart in de onmiddellijke nabijheid van de dissectie aangetroffen te hebben: tekenen van verse ontsteking, reactief infiltraat en oedeem. Zij heeft daarover verklaard: “SMA ziet er anders uit, daar zijn geen acute ontstekingsreacties. Ik heb de coupes ook nog voorgelegd aan twee vatenexperts en beiden hebben geen aanwijzingen voor SMA gevonden. Ik sluit SMA uit.“ Dr. Kubat heeft voorts nog verklaard dat de vaatwand normaal was en dat de ontsteking in het beschadigde gebied zat.

De deskundige Maes heeft verklaard dat zij bij de sectie geen aanwijzingen heeft gevonden voor de stelling dat bij [slachtoffer 1] sprake was van onderliggende defecten in de aderen.

Hoewel prof. Beuls aanvankelijk aangaf dat er weliswaar enige tekenen waren die duiden op SMA, maar dat het ook goed zou kunnen dat het een reactie van het lichaam was op de gebeurtenissen, heeft hij zich vervolgens - aangesloten bij de stellige uitsluiting van SMA door dr. Kubat. Hij stelt: “De SMA literatuur is beperkt. Er zijn maar drie gevallen bekend, dat heeft geen waarde. Er zit teveel onzekerheid in de diagnose. Dit komt ook in de literatuur naar voren. (…) SMA is niet overtuigend. Dit zou een uitzonderlijk toeval zijn. (…) Het trauma heeft enkele uren voordien plaatsgevonden. Dit is hoogst uitzonderlijk en het is hoogst onwaarschijnlijk dat de dissectie niet door dat trauma veroorzaakt zou zijn.”

Prof. Milroy heeft ter zitting verklaard dat SMA een ziekte van de slagaders is die zeldzaam is en waarover weinig vakliteratuur bestaat: “Het is zo zeldzaam, ik heb mijn eerste casus pas 5 jaar geleden gezien en ik ben al 20 jaar arts. Dit is de derde zaak voor mij. Het is zo zeldzaam, 1 of 2 op de 100.000 krijgen het en de meesten overlijden niet.” Milroy verwacht op termijn meer duidelijkheid te verkrijgen door genetisch onderzoek, maar dit veld is nog in ontwikkeling. Milroy stelt dat er in dit geval een genetische test moet worden uitgevoerd om zeker te weten dat sprake is van SMA.

Dr. Kubat en Prof. Beuls merken verder nog op dat de literatuur omtrent SMA beperkt is, er bestaat alleen casuïstiek die niet bruikbaar is bij het stellen van diagnosen, zo hebben zij verklaard. Zij stellen dat SMA zich in 99% van de gevallen voordoet in de bloedvaten in de buik of in de hersenen. De halsslagader is volgens hen niet een keer beschreven.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de gedragingen van verdachten en het ingetreden gevolg, in die zin dat niet aan twijfel onderhevig is dat in de keten van gebeurtenissen de gedragingen van de verdachten een noodzakelijke factor zijn geweest voor de dissectie en daarmee voor de dood van [slachtoffer 1].

Op grond van het hierboven weergegeven debat tussen de deskundigen is de rechtbank, met dr. Kubat en prof. Beuls, wier bevindingen en conclusies de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, van oordeel dat SMA als oorzaak van de dissectie moet worden uitgesloten, en dat de enige aannemelijke oorzaak is het door verdachten tegen [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld. Het ingetreden gevolg moet daarom aan (de gedragingen van) verdachten worden toegerekend.

Prof. Milroy heeft in zijn rapport van 5 mei 2013 opgemerkt dat er een onderliggende conditie in de arteriae vertebrales bestond die goed is gedocumenteerd in de literatuur. Een nadere onderbouwing van die constatering ontbreekt in zijn rapport en ook ter terechtzitting heeft hij onvoldoende duidelijk gemaakt hoe hij tot die conclusie is gekomen. Volstaan is slechts met een verwijzing naar vakliteratuur. Ook heeft hij tegenover de bevindingen van

dr. Kubat en prof. Beuls niet gesteld dat, en waarom, de aangetroffen bijzonderheden aan de slagader niet veroorzaakt kunnen zijn door het trauma, maar slechts door SMA.

Echter, ook indien de visie van prof. Milroy zou worden gevolgd, inhoudende dat SMA als mogelijke oorzaak niet kan worden uitgesloten, dan nog leidt dat niet tot de conclusie dat de doodsoorzaak, de dissectie, niet redelijkerwijs zou kunnen worden toegerekend aan verdachten. Immers, weliswaar moet in dat geval bepaald meer worden vastgesteld dan dat niet kan worden uitgesloten dat het gevolg door de gedraging van verdachten is veroorzaakt, anderzijds hoeft aan het aannemen van causaal verband niet in de weg te staan een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid, die geen verband houdt met de gedragingen van verdachten, tot dat gevolg heeft geleid.

Vastgesteld kan worden dat de gedragingen van verdachten een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid. Ook is aannemelijk dat dat gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachten is veroorzaakt, nu die gedragingen, waaronder het hard schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1], naar hun aard geschikt zijn om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard zijn, dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg. Gelet op hetgeen de deskundigen hebben verklaard acht de rechtbank het, mede gelet op de zeldzaamheid van SMA, hoogst onwaarschijnlijk dat het fatale letsel op een andere wijze dan door het door de verdachten toegepaste geweld op het hoofd van [slachtoffer 1] is veroorzaakt.

Ook in dat geval dient het ingetreden gevolg naar het oordeel van de rechtbank dus redelijkerwijs aan (de gedragingen van) verdachten te worden toegerekend.

Ter terechtzitting heeft de verdediging de deskundigheid van prof. Beuls in twijfel getrokken en heeft zij betoogd dat diens bevindingen moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De verdediging heeft in het kader van een door haar noodzakelijk geachte contra-expertise prof.dr. W. Jacobs als deskundige verzocht, daarmee aangevend dat deze deskundig is op het desbetreffende gebied van de medische wetenschap. Deze deskundige heeft gemeend samen te moeten rapporteren met prof.dr. Beuls, zoals overigens ook prof. Milroy gemeend heeft dr. Veinot in zijn onderzoek te moeten betrekken, daarmee aangevende dat prof.dr. Beuls genoegzaam deskundig is op het gebied waarop zijn expertise door prof.dr. Jacobs gevraagd is.

Dat prof.dr. Beuls, Prof. Jacobs en dr. Kubat, zoals door de verdediging is gesteld, niet deskundig zouden zijn op het gebied van SMA en eerst na lezing van het door prof. Milroy uitgebrachte rapport kennis hebben genomen van SMA, maakt dit niet anders. De deskundigheid van deze deskundigen behoeft immers niet te liggen op het gebied van SMA, maar daar waarvoor hun deskundigheid is verzocht.

Anders dan de verdediging heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de deskundigen Jacobs, Beuls en Kubat. Immers, zij zijn benoemd als deskundigen, pathologen, om hun bevindingen met betrekking tot de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] te berichten. Dat zij geen specialist zijn op het gebied van SMA, een hoogst zeldzame ziekte, maakt niet dat aan hun deskundigheid als pathologen behoeft te worden getwijfeld.

Weliswaar is aannemelijk dat prof. Milroy zich van de benoemde deskundigen het meest intensief bezig houdt met (wetenschappelijk onderzoek naar) SMA en daarin een zekere naam heeft opgebouwd, de andere deskundigen hebben zich door het lezen van publicaties in dit specifieke onderwerp verdiept en moeten, gezien kennis en ervaring in staat worden geacht zich hierover, al dan niet na raadpleging van andere experts, een gedegen en betrouwbaar oordeel te vormen.

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor het laten verrichten van aanvullend genetisch onderzoek.

Gelet op al het bovenstaande kan het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 2 december 2012 op het voetbalveld van de voetbalvereniging [Voetbalvereniging 2] in Almere bij een vechtpartij was betrokken. [slachtoffer 1] werd daarbij door verdachte en zijn medeverdachten met uitzondering van [medeverdachte B] getrapt en/of geslagen en/of gestompt tegen het hoofd, de nek en/of het lichaam. [slachtoffer 2] kreeg een klap en werd tweemaal tegen zijn benen getrapt door [medeverdachte B].

De rechtbank is van oordeel dat het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tevens aangemerkt dient te worden als openlijk geweld, nu dit geweld plaats heeft gevonden in de openbare ruimte, een voetbalveld. Verdachte heeft zich niet van deze geweldpleging gedistantieerd. Hij heeft juist een wezenlijke bijdrage aan dit geweld tegen zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geleverd, nu de vechtpartij gericht was tegen [slachtoffer 1] en deze nog gaande was toen [slachtoffer 2] ook getrapt werd.

Het onder 2 ten laste gelegde kan derhalve ook wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1 primair

hij in de periode van 2 tot en met 3 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en meer van zijn mededaders met dat opzet meerdere malen (met kracht) tegen het hoofd en de nek en het lichaam van die [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 2 december 2012 te Almere met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op het terrein van voetbalvereniging [Voetbalvereniging 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meerdere malen (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en de nek en het lichaam van die [slachtoffer 1] en het meerdere malen, (met kracht) trappen en eenmaal slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 2].

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van doodslag.

2.

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de jeugdreclassering.

De officier van justitie heeft ter toelichting aangevoerd dat er sprake is van een ernstig feit

die heeft geleid tot grote verontwaardiging en ophef in de samenleving. Nu de verdachten

grotendeels zijn blijven ontkennen en geen verantwoordelijkheid hebben genomen voor hun

handelen zijn er geen aanknopingspunten om met verzachtende omstandigheden rekening te

houden. De officier van justitie ziet voorts geen aanleiding onderscheid te maken tussen de

verschillende verdachten.

Ten aanzien van de minderjarige verdachten zijn de verschillende, leeftijdsgerelateerde

strafmaxima leidend voor de eis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een jeugddetentie, gelijk aan de duur van het voorarrest, op te leggen. De raadsman heeft bepleit dat een jeugddetentie van die duur, gelet op de achtergrond/aanleiding van het incident voldoende is.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan doodslag op

[slachtoffer 1]. De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar. De rechtbank heeft genoemde oriëntatiepunten als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de op te leggen straf.

In het bijzonder overweegt de rechtbank ten aanzien van de ernst van het feit het volgende.

Na een voetbalwedstrijd hebben verdachte en zijn mededaders op het voetbalveld de grensrechter [slachtoffer 1] aangevallen. Ze hebben hem zo getrapt en geslagen dat hij de dag erna is overleden. Verdachte en zijn mededaders hebben [slachtoffer 1] het meest waardevolle dat er is, zijn leven, ontnomen, en onbeschrijfelijk veel leed toegebracht aan zijn zoons, zijn partner en anderen voor wie hij belangrijk was. Daarnaast heeft het overlijden van [slachtoffer 1] als grensrechter de samenleving geschokt. Blijkbaar is het mogelijk om tijdens of na een normale voetbalwedstrijd slachtoffer te worden van een dergelijk geweld.

Op welke wijze verdachte en zijn mededaders geweld hebben toegepast is hiervoor al voldoende aan de orde gekomen. Waarom verdachte en zijn mededaders dit gedaan hebben, daarover hebben zij geen openheid van zaken gegeven. De totale ongeremdheid waarmee verdachte en zijn medeverdachten tekeer zijn gegaan kan niet verklaard worden en is daardoor extra beangstigend. De nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben ter zitting aangegeven hoeveel moeite zij hebben met het feit dat verdachte en zijn medeverdachten geen verantwoordelijkheid nemen voor hun daden.

Dat verdachte en zijn mededaders de doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd, en dat er geen duidelijke aanleiding is geweest voor het fatale geweld, merkt de rechtbank als strafverzwarend aan.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de verdachte een jeugddetentie opleggen, zoals door de officier gevorderd, voor de maximale duur. De rechtbank ziet geen aanleiding om de straf te matigen anders dan het opleggen van een deels voorwaardelijke straf zoals hierna wordt overwogen. Nu verdachte en zijn mededaders niet hebben uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om met verzachtende omstandigheden rekening te houden.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de rapporten die over verdachte zijn uitgebracht. Blijkens rapporten d.d. 13 december 2012 en 29 april 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming, en rapporten d.d. 18 januari 2012 en 20 februari 2013 van de afdeling Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, is er bij verdachte sprake van een zich normaal ontwikkelende jongere. Er lijken geen zorgen omtrent [verdachte] te zijn, noch over de thuissituatie en de schoolgang. [verdachte] heeft na zijn vrijlating op 27 maart 2013 zijn schoolgang hervat, maar zal het jaar niet meer halen.

In bovengenoemde ziet de rechtbank aanleiding om het in de rapportages vermelde advies, inhoudende het opleggen van de Maatregel Hulp en Steun, te volgen, opdat aan voornoemde problematiek aandacht kan worden besteed en verdachte ter zake begeleiding zal krijgen, over te nemen. Gelet op de inhoud van de genoemde rapporten en de daarop ter zitting namens de Raad en BJAA gegeven toelichtingen, zal de rechtbank aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf opleggen.

De officier van justitie heeft gevorderd te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen zijn. Nu dit op grond van art. 77za van het Wetboek van Strafrecht alleen mogelijk is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, en verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig geweldsmisdrijf, zal de rechtbank deze vordering afwijzen.

9 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben de nabestaanden van [slachtoffer 1], te weten [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zich elk als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Zij vorderen vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten.

[benadeelde 1] vordert een bedrag van € 12.874,85 voor uitvaartkosten, van

€ 2.831,40 voor de overlijdensschadeberekening, van € 211.467,-- voor verlies van levensonderhoud en een bedrag van € 25.000,-- als vergoeding van immateriële schade.

[benadeelde 2] vordert een bedrag van € 1.641,-- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade.

[benadeelde 3] vordert een bedrag van € 4.070,-- voor verlies van levensonderhoud en

€ 25.000,- als immateriële schade.

[benadeelde 4] vordert een bedrag van € 11.669-- voor verlies van levensonderhoud en

€ 25.000,- als immateriële schade.

De benadeelde partijen vorderen de bedragen voor immateriële schade ter vergoeding van zogenaamde 'shockschade', subsidiair als schade uit onrechtmatige daad ex artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) jo. artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De benadeelde partijen hebben tevens om oplegging van de maatregel tot schadevergoeding verzocht.

Ter zitting heeft mr. Y. Moskowicz, als gemachtigde van benadeelde partijen, de vorderingen toegelicht.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vorderingen, behoudens die ter zake van de kosten van de uitvaart en van het berekenen van de overlijdensschade, alsmede de shockschade voor [getuige 1], zich niet lenen voor behandeling in het strafgeding en verzoekt de rechtbank een bedrag van € 12.874,85, een bedrag van € 2.831,40 en een bedrag van

€ 25.000,- toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.

De verdediging acht de vorderingen onvoldoende onderbouwd, zodat die moeten worden afgewezen. Tevens stelt de verdediging zich, subsidiair, op het standpunt dat de vorderingen zich om verschillende redenen niet lenen voor behandeling in het strafgeding. Daarom verzoekt ook de verdediging om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de materiële schade als volgt.

Aan de vorderingen terzake het verlies aan kosten van levensonderhoud ligt onder meer een overlijdensschadeberekening van aanzienlijke omvang met tal van bijlagen ten grondslag die, in het civielrechtelijk kader waarbinnen deze vorderingen moeten worden beoordeeld, tal van vragen oproept. De beantwoording van die vragen zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Zo is niet aanstonds duidelijk over hoeveel levensjaren de inkomstenderving moet worden berekend en is voorts de vraag of en in hoeverre de eigen verdienmogelijkheden van de nabestaanden verdisconteerd moeten worden. De kosten van de overlijdensschadeberekening hangen zozeer samen met deze schadepost, dat deze niet voor afzonderlijke toewijzing in dit strafproces in aanmerking komen.

Ten aanzien van de kosten van de uitvaart is niet duidelijk of er sprake was van gehele of gedeeltelijke dekking door een verzekeraar.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor dit gedeelte niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De rechtbank zal voorts ingaan op de gevorderde immateriële schade en overweegt het volgende.

In haar uitspraak van 19 april 2013 heeft de rechtbank Leeuwarden (zaak [naam]) het volgende overwogen:

Recht op vergoeding van immateriële schade ('smartengeld') bestaat slechts voor zover de wet hierop een aanspraak geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) somt limitatief op:

- opzet om immateriële schade toe te brengen;

- aantasting in de persoon door lichamelijk letsel, schade aan eer en goede naam of op andere wijze (zoals inbreuk op de persoonlijke levenssfeer);

- bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan dat is veroorzaakt door de directe waarneming van of confrontatie met een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt. Shockschade valt onder aantasting in de persoon ex artikel 6:106 BW en kan daardoor aanspraak geven op vergoeding van immateriële schade. Er moet dan wel sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (Taxibusarrest, HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240). Affectieschade, verdriet om het overlijden van een naaste, wordt in artikel 6:106 BW niet genoemd. Vergoeding van affectieschade kent het recht vooralsnog niet.

Gelet op het bovenstaande en op de feiten en omstandigheden zoals die uit het strafdossier naar voren komen, is de rechtbank van oordeel dat de immateriële schade van [benadeelde 4], als directe waarnemer van de gebeurtenissen op 2 december 2012, valt te kwalificeren als shockschade. Hoe die schade uit te drukken valt in een geldbedrag kan, zonder dit strafproces onevenredig te belasten, niet exact worden vastgesteld. Echter, nu naar het oordeel van de rechtbank vast is komen te staan dat [benadeelde 4] nadelige psychische gevolgen van genoemde gebeurtenissen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt, zal de rechtbank hem in ieder geval als voorschot een bedrag toekennen van

€ 5.000,--.

Ten aanzien van het door de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gevorderde is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om een gecompliceerde schadevergoedingskwestie, waarin een aantal civielrechtelijk ingewikkelde vragen beantwoord dient te worden. Een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen door de rechtbank in de onderhavige strafprocedure zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk zijn in hun vordering en dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 77a, 77b, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;.

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden en medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

* zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door het Bureau Jeugdzorg/Jeugdreclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

- beveelt de gevangenneming van verdachte;

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[benadeelde 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[benadeelde 3]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 3] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[benadeelde 4]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] als voorschot, van een bedrag van € 5.000,00 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 5.000,00 ten behoeve van het slachtoffer voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige gedeelte in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. drs. S.M. van Lieshout, en mr. F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. E.H. Ruitenbeek en mr. S.J. de Vries, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2013.

Mr. Ruitenbeek voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.