Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3118

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
16/661448-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geweld tegen politieagent. Vrijspraak voor poging doodslag. Veroordeling wegens poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661448-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich onder feit 1 schuldig heeft gemaakt aan (primair) poging tot doodslag dan wel aan poging tot zware mishandeling of aan (subsidiair) mishandeling van een politieambtenaar en onder feit 2 aan belediging van een politieambtenaar.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. In de opvatting van de officier van justitie gaat het, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de op de zitting afgelegde getuigenverklaringen, in de onderhavige zaak niet om het trappen tegen het hoofd, maar tegen de nek. Gelet hierop betwijfelt de officier van justitie of er sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever. De gedragingen van verdachte dienen te worden gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling, aldus de officier van justitie. Ook het onder 2 ten laste gelegde kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde, enerzijds omdat het wettelijk bewijsminimum niet wordt gehaald en anderzijds, omdat de gedragingen van verdachte geen aanmerkelijke kans op de dood of zware mishandeling opleveren.

Voor het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging ook vrijspraak bepleit, nu voor de verklaring van de aangever in het dossier geen steun is te vinden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

Door [slachtoffer] is – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard :

“Vandaag, op 30 april 2013, deed ik dienst bij de politie als groepschef brigadier hondengeleider te Utrecht. Mijn taak was om vannacht in een auto in de binnenstad van Utrecht te surveilleren ter handhaving van de openbare orde. Ik reed de Bakkerstraat in vanaf de Lange Elisabethstraat en reed richting de Oudegracht. Op een gegeven moment halverwege de Bakkerstraat stond er een groepje mensen midden op straat waardoor ik stil moest blijven staan. Ik zag dat dit groepje opzij ging. Ik zag echter dat een man uit dit groepje midden op de weg bleef hangen. Ik stuurde toen naar links om deze man stapvoets te passeren. Ik zag dat de man die niet opzij was gegaan en die ik inmiddels met de neus van mijn bus aan het passeren was, opeens met een van zijn handen een klap gaf tegen de rug van de rechterbuitenspiegel, waardoor deze met een klap dichtsloeg. Ik sprak de man aan en vroeg hem naar zijn id-bewijs. Ik had de indruk dat deze man deel uitmaakte van het groepje dat uit zo’n vijf personen bestond, en dat zojuist aan de kant was gegaan toen ik stapvoets door de straat reed. Vervolgens zag ik dat een jongeman uit het groepje, ik schat hem op ongeveer 22 jaar oud, naast de man kwam staan van wie ik het id-bewijs wilde zien. Ik zag dat deze jongen in mijn richting keek. Terwijl hij mij aankeek hoorde ik hem hardop “tyfuslijer” zeggen. Ik deelde deze jongeman mee dat hij was aangehouden ter zake van belediging. Ik zag toen dat de oudere man (die de spiegel had ingeslagen) een stap naar voren deed. Hij ging daarmee feitelijk tussen mij en die jongeman staan. Hij belette mij daarmee om de jongeman te benaderen en aan te houden. Ik zag dat de man mij fysiek zo dichtbij naderde dat wij zowat face to face stonden. Ik voelde mij hierdoor voor mijn eigen veiligheid genoodzaakt een stap naar achteren te doen om ruimte te creëren. Met het naar achteren stappen op het moment dat de man mij bleef naderen en omdat hij pakkende bewegingen naar mij maakte, struikelde ik. Kort nadat ik op mijn rug belandde wist ik mijn linkervoet tussen mij en de man te plaatsen waardoor het mij lukte om de man met mijn linkervoet over mezelf heen te duwen. Op dat moment voelde ik twee harde schoppen tegen de linkerzijde van de grens van mijn hoofd en hals. Deze schoppen vonden heel kort achter elkaar plaats. Er zat nog niet eens een seconde tussen. De schoppen kwamen erg hard aan. Degene die schopte moet met veel kracht hebben geschopt om mij hard te raken. Ik voelde direct een hevige pijn in mijn hals en hoofd. Ik ben direct na deze twee trappen tegen mijn hoofd, met mijn handen/armen mijn gezicht/hoofd gaan beschermen, omdat ik bang was meer trappen te ontvangen tegen mijn hoofd.

Ik voelde vervolgens dat ik nog een trap kreeg tegen mijn rug. Ik voelde dat deze trap ook erg hard werd gegeven, omdat mijn lichaam erdoor een schokkende beweging maakte. Deze schop deed echter geen pijn, omdat ik immers een veiligheidsvest droeg die de impact van de schop neutraliseerde.

Terwijl ik mijn gezicht afschermde keek ik ondertussen om me heen om te kijken waar het gevaar vandaan kwam. Direct nadat ik die laatste trap kreeg, zag ik dat de jongeman, die mij eerder uitschold voor tyfuslijer, direct achter mij stond. Er stond verder niemand achter mij die op dat moment die schoppen gegeven kon hebben. Vervolgens zag ik dat mijn collega [verbalisant 1] op deze jongeman afging met kennelijk de bedoeling om hem aan te houden.”

Op de zitting is door [slachtoffer] gepreciseerd waar hij door de eerste twee schoppen is geraakt, te weten achter in de nek.

Door [verbalisant 1] is – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd.

“Op 30 april 2013 fietste ik over de Bakkerstraat te Utrecht. Ik zag dat ons op dat moment een opvallend surveillancevoertuig van de hondenbrigade tegemoet kwam rijden.

Ik zag dat er vervolgens een onbekende zwartgeklede man midden op de Bakkerstraat stond die niet aan de kant ging. Ik zag dat deze man met zijn rug richting het voertuig gekeerd stond. Ik zag dat de man daarentegen gewoon vlak voor de politieauto bleef staan. Ik zag dat de politieauto vervolgens met de rechtervoorzijde stapvoets en zachtjes de linkerzijkant van deze man schampte. Ik zag dat de man daarop omkeek en nog steeds weigerde om aan de kant te gaan. Ik zag dat deze man daarop de buitenspiegel van deze politieauto met zijn lichaam naar binnen drukte. Ik passeerde daarop deze politieauto en zag dat hierin collega [slachtoffer] als bestuurder en collega [verbalisant 2] gezeten waren. Ik stopte vervolgens even verderop en zag dat collega [slachtoffer] inmiddels ook was uitgestapt en tegenover deze man stond. Deze man bleek later te zijn genaamd: [medeverdachte]. Ik zag dat [medeverdachte] met zijn borst en hoofd naar voren en met zijn armen langs zijn lichaam en gespreide handen tegenover collega [slachtoffer] stond. Deze houding kwam op mij nogal dreigend over. Ik zag dat [medeverdachte] collega [slachtoffer] daarop direct aanvloog. Ik zag dat beiden daarop op de grond belandden. Terwijl ik bezig was keek ik om en zag dat vanaf de andere kant een andere, iets jongere, onbekende man, gekleed in een grijs vest, meerdere malen met zijn rechtervoet fors met kracht tegen collega [slachtoffer] aanschopte die op dat moment op de grond bezig was om verdachte [medeverdachte] onder controle te krijgen. Deze man die tegen collega [slachtoffer] aan schopte bleek later te zijn genaamd: [verdachte].

Doordat collega [slachtoffer] ook volop in beweging was op dat moment kon ik niet zien waar hij geraakt werd door verdachte [verdachte]. Ik zag dat verdachte [verdachte] telkens wanneer hij collega [slachtoffer] trapte een kort aanloopje nam en vervolgens vol uithaalde, zoals je een voetballer wel eens een bal een pegel ziet geven. Ik zag dat [verdachte] dit als een wilde achter elkaar bleef doen. Ik schat tenminste vijf keer.”

Op de zitting is door [verbalisant 1] verklaard, dat hij heeft gezien dat verdachte ter hoogte van de torso van de aangever stond terwijl hij die schopte.

Aanvullend ten aanzien van feit 2

Door [verbalisant 2] is – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard.

“Op 30 april 2013 reed ik samen met brigadier [slachtoffer] te Utrecht. Halverwege de Bakkerstraat zag ik dat er een groep mensen stond. Ik zag dat twee mensen van de groep midden op de rijbaan stonden en ons de doorgang belemmerde. Ik zag dat twee personen, een in een zwarte leren jas (verder genoemd als [medeverdachte]) en een met een grijze gebreide jas (verder genoemd als [verdachte]), zodanig bleven staan dat wij er niet langs konden zonder hen te raken.

Door [slachtoffer] werd tegen [verdachte] gezegd dat hij niet moest schelden. Wat [verdachte] gezegd had heb ik niet verstaan in verband met het rumoer om mij heen en een mate van doofheid. Kennelijk stopte [verdachte] niet met het uiten van beledigingen in de richting van [slachtoffer], waarop ik [slachtoffer] hoorde zeggen dat hij was aangehouden.”

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast, dat verdachte aangever tegen de hals/nek heeft geschopt, terwijl aangever op de grond lag.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte met zijn gedragingen (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op zware mishandeling van aangever heeft gehad. Vooropgesteld wordt dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat degene die de handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

In het onderhavige geval kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever. Weliswaar is er door verdachte tegen de hals/nek van aangever geschopt en is dit een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, er is echter onvoldoende informatie voorhanden die maakt dat daarmee de aanmerkelijke kans ontstaat op de dood van aangever. Dit betekent dat verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft aangever, terwijl deze op de grond lag, meermalen met geschoeide voet tegen de hals/nek geschopt. Door de agent [verbalisant 1] is gerelateerd dat dit schoppen met kracht ging, ‘zoals een voetballer een bal een pegel geeft’.

Het schoppen tegen de hals/nek brengt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans met zich dat daardoor iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Deze geweldshandelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in die van [verbalisant 2], die verdachte heeft horen schelden.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 30 april 2013 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (brigadier van politie) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht tegen diens hals en het lichaam heeft geschopt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 30 april 2013 te Utrecht, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (brigadier van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "tyfuslijer".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

Poging tot zware mishandeling;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden onder aftrek van het voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich in het kader van reclasseringstoezicht zal melden bij de reclassering en voorts dat hij een alcoholpreventietraining zal volgen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van een incident, begaan door iemand met een blanco strafblad, waarbij de kans op recidive als laag wordt ingeschat. In de opvatting van de verdediging miskent de officier van justitie met de strafeis de belangen van verdachte.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft het slachtoffer, die tijdens de Koninginnenacht in Utrecht als politieambtenaar dienst deed, terwijl die op de grond lag met heel veel kracht meermalen tegen de hals/nek en het lichaam geschopt. Het slachtoffer had hieraan zwaar lichamelijk letsel kunnen overhouden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Politieagenten als het slachtoffer in deze zaak, zijn tijdens grootschalige evenementen als Koninginnenacht belast met het handhaven van de openbare orde en moeten hun werk doen onder vaak moeilijke omstandigheden. De omstandigheid dat verdachte nu juist een politieagent heeft mishandeld, weegt zwaar. Ook het feit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden op straat waar behoorlijk wat omstanders aanwezig waren, maakt dit een ernstig strafbaar feit. Indien niet alleen de broer van verdachte, maar ook anderen zich hadden begeven in het geweldsincident, had een en ander enorm uit de hand kunnen lopen. Dankzij de aanwezigheid van meerdere politieagenten is het geweld in de kiem gesmoord. Verdachte was onder invloed van (een behoorlijke hoeveelheid) alcohol, wat ook als strafverzwarend wordt aangemerkt.

Bij het oordeel over de op te leggen straf spelen de volgende factoren een rol. Zoals hiervoor beschreven heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstig geweld tegen een politieagent op straat terwijl hij onder invloed was van alcohol. Verdachte heeft een blanco strafblad en volgt een beroepsbegeleidende leerweg. De reclassering constateert geen problemen op één van de leefgebieden behoudens dat hij bewuster zou moeten omgaan met het gebruik van alcohol in het weekend.

Alles afwegende kan – gelet op de ernst van het feit – niet worden volstaan met het opleggen van een werkstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf, ondanks het blanco strafblad van verdachte. De eis van de officier van justitie is, juist gelet op dat blanco strafblad, erg hoog. Een passende straf wordt geacht zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het is van belang dat verdachte inzicht krijgt in de invloed van alcohol op zijn gedrag en leert om bewuster om te gaan met het gebruik van alcohol. Om die reden wordt hij verplicht om reclasseringstoezicht te ondergaan en deel te nemen aan de training Alcohol en Geweld.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 500,00 aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 266, 267 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- het bewezen verklaarde levert op:

- ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

Poging tot zware mishandeling;

- ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- beveelt dat een gedeelte, groot drie maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op de dag waarop het vonnis onherroepelijk is geworden voor 17.00 uur melden bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht of – mocht veroordeelde zich op dat moment in detentie bevinden – vijf dagen volgend op de dag dat hij vrij is gekomen. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht.

- de veroordeelde moet de training Alcohol en Geweld volgen.

- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toe tot € 500,00;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 april 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 500,00 te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 april 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mrs. H.A. Brouwer en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juni 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 30 april 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] (brigadier van politie) van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen met kracht tegen diens hoofd en/of hals en/of het

(boven)lichaam heeft geschopt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 april 2013 te Utrecht, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten [slachtoffer] (brigadier van politie), gedurende en/of

terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (te weten:

surveillancedienst en/of aanhouding van een ander), meermalen met kracht tegen

diens hoofd en/of hals en/ (boven)lichaam heeft geschopt, waardoor voornoemde

ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 30 april 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer] (brigadier van politie), gedurende en / of ter zake van de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, in diens / dier tegenwoordigheid mondeling

heeft toegevoegd de woorden "tyfuslijer", althans woorden van gelijke

beledigende aard en / of strekking.