Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3084

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
UTR 13/2263
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Last onder bestuursdwang om inrichting te ontruimen vanwege ontbreken van omgevingsvergunningen. Bevoegd gezag tot handhaving: college van b&w of gedeputeerde staten? Beginselplicht tot handhaving. Redelijke begunstigingstermijn. Belangenafweging. Afwijzing verzoek tot treffen van voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 5.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6732
JAF 2013/298 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/2263

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

23 mei 2013 in de zaak tussen

[Verzoekster] V.O.F., te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Hurenkamp),

en

Gedeputeerde Staten van Utrecht, namens hen, Juridisch Ondersteuner, team Servicebureau afdeling Vergunningverlening en Handhaving verweerder

(gemachtigde: mr. drs. U.A.E. Arnhold).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[A], te [woonplaats], gemachtigde: mr. G.H.A. Versluis en

de gemeente Renswoude, te Renswoude.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster, onder aanzegging van toepassing van bestuursdwang, gelast de aanvoer van afvalstoffen naar de inrichting vanaf 1 juni 2013 te beëindigen en de inrichting vóór 1 juli 2013 te ontruimen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. Verzoekster is verschenen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij [A] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij de gemeente [woonplaats] zijn [X] en [Y] verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter, na een korte schorsing, onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft voor de afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening de volgende motivering.

2. Verzoekster, gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel), is een groothandel in schroot. Haar bedrijfsactiviteiten bestaan uit het inzamelen/inkopen van ijzerafval en metalen in ruime zin, maar ook bijvoorbeeld witgoed (geen koelkasten), auto’s en accu’s. De metalen worden op het terrein van verzoekster vervolgens gesorteerd, op- en overgeslagen in containers. Verzoekster is sinds begin 2010 op voornoemde locatie gevestigd. Aanvankelijk besloeg de inrichting een oppervlakte van minder dan 1000 m², maar inmiddels is er ruim 3000 m² grond in gebruik door verzoekster. Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd gesteld maximaal ongeveer vijf containers met 40 m³ schroot per container tegelijk op het terrein te hebben staan. In totaal gaat het volgens verzoekster om maximaal 100 ton metaalafval dat op enig moment op het terrein aanwezig is.

3. De aan verzoekster opgelegde last onder bestuursdwang strekt tot stillegging en algehele ontmanteling van de inrichting van verzoekster, op de grond dat verzoekster de inrichting drijft zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

In het besluit van 25 maart 2013 is abusievelijk vermeld dat toestemming is vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, in plaats van onder i. Dit zal in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Uit de overige gedingstukken blijkt dat het om een vergissing gaat. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster hierdoor op het verkeerde been is gezet of anderszins is benadeeld.

4. Aanleiding voor het handhavend optreden van verweerder zijn de handhavingsverzoeken van [A], eigenaren en bewoners van een naburige woning, en de gemeente [woonplaats] van respectievelijk 17 december 2012 en 27 november 2012.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten van verzoekster op het perceel omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en i, van de Wabo. Op grond van het onder c van dit artikellid bepaalde is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Niet in geschil is dat inrichting van verzoekster vanwege haar omvang valt onder een zwaardere categorie bedrijvigheid dan het vigerende bestemmingsplan ter plaatse toestaat en dat er containers zijn geplaatst op gronden die niet een bedrijfsbestemming hebben.

Omdat dit niet in geschil is gaat de voorzieningenrechter hiervan uit. Wel verdient opmerking dat deze overtreding in het besluit van 25 maart 2013 niet is uitgewerkt aan de hand van de relevante planvoorschriften. Dat zal in de te nemen beslissing op bezwaar alsnog dienen te gebeuren.

Evenmin is tussen partijen in geschil dat voor de inrichting van verzoekster een zogenaamde omgevingsvergunning met beperkte milieutoets zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wabo benodigd is. Deze omgevingsvergunning is volgens verweerder vereist op grond van artikel 2.2a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Uit dit artikel volgt dat de activiteit, bedoeld in categorie 18.8 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, zijnde de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor de opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken, een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wabo, tenzij artikel 7.18 van de Wet Milieubeheer van toepassing is, hetgeen in onderhavige zaak niet het geval is. Nu partijen het hierover eens zijn, gaat ook de voorzieningenrechter hiervan uit.

6. Vaststaat dat verzoekster zich op het perceel heeft gevestigd zonder de vereiste omgevingsvergunning en daar nog altijd niet over beschikt. Omdat het verzoekster duidelijk is dat zij op de huidige locatie haar bedrijfsactiviteiten niet, althans niet in gelijkblijvende omvang, kan voorzetten is zij zich in overleg met de gemeente [woonplaats] gaan oriënteren op een verplaatsing van haar activiteiten. Daags voor de behandeling ter zitting van het verzoek heeft verzoekster een concept overgelegd van de aanvraag omgevingsvergunning voor de beoogde locatie, gelegen op het bedrijventerrein [adres], op een afstand van ongeveer 250 meter van de huidige locatie.

7. Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster handelt in strijd met de genoemde bepalingen uit de Wabo. Er is dus sprake van de overtreding van een wettelijk voorschrift waartegen het bevoegd gezag mag – en in beginsel ook moet – optreden.

8. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vraag wie het bevoegd gezag is om handhavend tegen deze overtreding op te treden het volgende. Op grond van artikel 28.4 aanhef en onder a. 5º van Bijlage I, onderdeel C, van het Bor zijn gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van van buiten de inrichting komende gevaarlijke afvalstoffen. Verzoekster heeft niet betwist dat haar inrichting, vanwege de opslag van loodzuuraccu’s, in deze categorie valt. Op grond van artikel 3.3a van het Bor zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag als sprake is van een inrichting type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer voor zover het een inrichting betreft als bedoeld in categorie 28.4 van bijlage I, onderdeel C, van het Bor en als voor de activiteiten van de inrichting een omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist is. Omdat niet in geschil is dat aan al deze voorwaarden is voldaan, zijn gedeputeerde staten, anders dan door verzoekster is geopperd, het bevoegde gezag. Daarmee zijn zij op grond van het bepaalde in artikel 5.2 van de Wabo tevens bevoegd om handhavend op te treden in deze zaak.

9. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Een bestuursorgaan kan onder bijzondere omstandigheden van handhaving afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht bestaat op legalisatie of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat concreet zicht op legalisatie niet aan de orde is. Vast staat immers dat verzoekster niet streeft naar legalisering van de inrichting op de huidige locatie. De overgelegde concept-aanvraag omgevingsvergunning heeft dan ook betrekking op de beoogde nieuwe locatie. Daarbij komt dat de gemeente [woonplaats] niet bereid is mee te werken aan de vereiste toestemming voor de afwijking van het bestemmingsplan op de huidige locatie.

Gelet op de aard van de overtreding en de milieueffecten van de inrichting is evenmin sprake van de situatie dat handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Dit is door verzoekster overigens ook niet betoogd.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder gehouden is tot handhaving over te gaan.

11. Verzoekster heeft betoogd dat haar geen redelijke begunstigingstermijn is gegeven. Daartoe stelt zij dat het niet mogelijk is om binnen de gestelde termijn de beoogde bedrijfsverplaatsing te realiseren. Een tussentijdse stillegging en ontmanteling van de inrichting zou het einde van de onderneming betekenen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit een begunstigingstermijn van ruim twee maanden heeft opgelegd. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk is om de overtreding op te heffen (ABRvS 7 maart 2007, LJN: BA0084). Nu het hier hoofdzakelijk het staken van activiteiten betreft en verweerder de last zo heeft ingekleed dat verzoekster voor 1 juni 2013 de aanvoer van ijzerwaren dient te staken maar nog wel een maand daarna de tijd heeft om voor de afvoer zorg te dragen, kan niet worden geoordeeld dat de opgelegde begunstigingstermijn te kort is om de overtreding ongedaan te maken. De omstandigheid dat verzoekster voor de verhuizing naar een andere locatie afhankelijk is van een nog te volgen procedure leidt niet tot het oordeel dat het onmogelijk is voor verzoekster om binnen de begunstigingstermijn het illegale gebruik te beëindigen. De begunstigingstermijn is niet bedoeld om verzoekster de tijd te geven een legale situatie te bewerkstelligen.

12. Op grond van hetgeen daartegen is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit van 25 maart 2013 gebrekkig is en na heroverweging niet in stand zou kunnen blijven en aldus in een eventueel beroep niet de rechtmatigheidstoets zal kunnen doorstaan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin kan deze aanleiding worden gevonden enkel in de in geding zijnde belangen van verzoekster. Weliswaar heeft verzoekster evident een groot belang bij het kunnen continueren van haar bedrijfsactiviteiten. Daar staat echter tegenover dat het bedrijf op de huidige locatie illegaal is en duidelijke milieueffecten op de woon- en leefomgeving heeft. De omwonenden ondervinden al geruime tijd ernstige hinder van de activiteiten van verzoekster. De gevolgen van het zonder de vereiste toestemmingen vestigen van de inrichting ter plaatse komen voor rekening en risico van verzoekster. Daarbij komt dat verzoekster al geruime tijd weet dat zij haar activiteiten op de huidige locatie dient te staken. In dit stadium is er bovendien nog veel onduidelijkheid over de mogelijke verplaatsing van het bedrijf naar de beoogde locatie, aangezien de daarvoor benodigde vergunningen en financiering nog niet geregeld zijn. Een realistische termijn voor een eventuele verplaatsing bedraagt, zo is ter zitting besproken, minimaal een jaar. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de belangen van verzoekster bij het voorlopig laten voortbestaan van de illegale situatie zwaarder te wegen dan het algemeen belang bij beëindiging van de illegale situatie.

13. De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 mei 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.