Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA2717

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
848962 UC EXPL 13-435 LH 4059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eenzijdige verlaging van het loon van een garagemedewerker die tijdens zijn dienstverband de bevoegdheid om APK-keuringen te doen tijdelijk heeft verloren. Beroep van werkgever op het eenzijdig wijzigingsbeding afgewezen. Maatstaf waaraan de eenzijdige loonsverlaging moet worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2013/132
AR-Updates.nl 2013-0485
XpertHR.nl 2013-367165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 848962 UC EXPL 13-435 LH 4059

Vonnis van 12 juni 2013

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.P. Leenders,

toevoeging verleend onder nummer 4JR0385,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederende bij de heer [A], directeur van [gedaagde].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 maart 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de door [gedaagde] toegezonden nadere producties;

- de door [eiser] toegezonden nadere producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser];

- het verkorte proces-verbaal van comparitie van 24 mei 2013. Van hetgeen ter comparitie is besproken heeft de griffier aantekening gehouden.

1.2. Daarna is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiser] is op 1 maart 2012 voor de duur van 12 maanden als ‘1e monteur met APK II bevoegdheid’ in dienst getreden van [gedaagde], tegen een bruto loon van € 2.800,-- per maand (exclusief vakantiebijslag). Artikel 19 van de door partijen op 24 december 2011 ondertekende arbeidsovereenkomst luidt: ‘De werkgever heeft conform artikel 7:613 BW de bevoegdheid om een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen, indien werkgever bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor moet wijken.’

2.2. Bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst was [eiser] in het bezit van een IBKI-bevoegdheidspas ‘Keurmeester Periodieke Keuring Lichte Voertuigen.’ De bevoegdheid om als APK-keurmeester te werken wordt telkens voor de duur van twee jaren verleend. De bevoegdheid wordt verlengd nadat het betreffende examen succesvol is afgelegd. De genoemde bevoegdheidspas van [eiser] was geldig tot 9 juli 2012.

2.3. Op 9 mei en 10 juli 2012 heeft [eiser], ter verkrijging van een verlenging van zijn bevoegdheid om als APK-keurmeester te werken, examen gedaan. Beide keren is hij gezakt. De herkansing van 13 september 2012, waarvoor [eiser] zich had aangemeld, heeft - buiten zijn toedoen - geen doorgang gevonden.

2.4. Bij brief van 29 september 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser] bevestigd dat de arbeidsovereenkomst op 28 februari 2013 van rechtswege eindigt en niet verlengd wordt. Verder schreef [gedaagde]: ‘Vanwege het feit dat contractuele afspraken door u niet worden nagekomen (het door u niet (-) bevoegd zijn als APK II Keurmeester) zal met ingang van

1 oktober 2012 uw salaris worden aangepast naar € 2.100,00 bruto per maand.’ Vanaf

1 oktober 2012 is [gedaagde] aan [eiser] dit lagere loon gaan betalen.

2.5. Van de volgende gelegenheid om examen te doen (op 15 oktober 2012), heeft [eiser] geen gebruik gemaakt, omdat hij geen geld had om het examengeld (van € 152,64) te betalen.

2.6. Bij brief van 14 november 2012 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat deze zich niet kan verenigen met de loonsverlaging van € 700,-- bruto per maand. Nader overleg tussen partijen heeft niet tot een minnelijke regeling geleid.

2.7. Vanaf 17 november 2012 is [eiser], daartoe verwezen door zijn huisarts, onder psychologische behandeling geweest voor ‘angst en paniekklachten.’ Nadat hij op 19 november 2012 eerder van zijn werk was vertrokken omdat hij zich niet in orde voelde, heeft [eiser] zich op 20 november 2012 met overspannenheidklachten ziek gemeld.

2.8. [eiser] heeft tegen [gedaagde] een kort geding aangespannen, kort gezegd om onverminderde doorbetaling van het loon vanaf 1 oktober 2012 te verkrijgen. Het kort geding is ter zitting van de kantonrechter te Utrecht van 12 december 2012 behandeld.

2.9. Op 19 december 2012 heeft [eiser] het spreekuur van de door [gedaagde] ingeschakelde bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [eiser] wegens ziekte verhinderd was zijn werkzaamheden te verrichten. Volgens de bedrijfsarts had het arbeidsconflict van partijen ‘een forse impact (-) op zijn mentale belastbaarheid’ en waren er ‘beperkingen t.a.v. concentratie, aandacht en alertheid, ook is er een verminderde conflicthantering. De afspraak met meneer is gemaakt om over 2 weken te gaan re-integreren.’

2.10. Toen [gedaagde] op 19 december 2012, na afloop van het bezoek van [eiser] aan de bedrijfsarts, vernam dat [eiser] daags tevoren het examen ter herkrijging van zijn APK-bevoegdheid met succes had afgelegd, en zij hiervan de bedrijfsarts op de hoogte had gesteld, heeft de bedrijfsarts aan [gedaagde] meegedeeld dat het (ook voor de bedrijfsarts nieuwe) feit dat [eiser] op 18 december 2012 voor bedoeld examen was geslaagd ‘in enige mate haaks’ staat op zijn eerdere beoordeling, maar: ‘Een adequaat advies of hij op dit moment reeds kan re-integreren kan ik (-) momenteel niet geven (-).’ In een latere e-mail heeft de bedrijfsarts hierover opgemerkt: ‘Het wel of niet volgen van een opleiding/cursus/ examen en het al dan niet daar voor slagen heeft zeker te maken met de mate van arbeids(on)geschiktheid. Mogelijk niet rechtstreeks met uw eigen werkzaamheden, zoals u zelf aangeeft, maar wel u(w) mogelijkheden om belastbaar te zijn.’

2.11. Omdat [eiser] tijdens zijn bezoek aan de bedrijfsarts op 19 december 2012 niet eigener beweging had verteld dat hij op 18 december 2012 voor het examen was geslaagd, de bedrijfsarts na de spreekuurafspraak van 19 december 2012 met hem geen contact had kunnen krijgen en [eiser] desverzocht geen contact met de bedrijfsarts had opgenomen, heeft [gedaagde] de loondoorbetaling aan [eiser] met ingang van december 2012 gestopt. Over de periode van 1 december tot het einde van het dienstverband (1 maart 2013) heeft [gedaagde] het loon c.a. niet betaald. Een hernieuwde oproep heeft [eiser] van de bedrijfsarts niet gekregen.

2.12. Bij vonnis van 21 december 2012 heeft de Utrechtse kantonrechter in genoemd kort geding de vordering van [eiser] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

2.13. Op uitnodiging van [gedaagde] om op 24 december 2012, 11 en 24 januari en 25 februari 2013 met [gedaagde] over zijn re-integratie te overleggen, is [eiser] niet verschenen.

2.14. Op 31 december 2012 heeft [eiser] aan het UWV een deskundigenoordeel gevraagd. De UWV-verzekeringsarts heeft geconcludeerd: ‘Op basis van mijn eigen onderzoeksbevindingen, ondersteund door de gegevens van de behandel(en)d sector, constateer ik dat er sprake is van (-) psychische klachten door combinatie werk en privé problematiek. De aard van de stoornis acht ik dusdanig dat cliënt hiermee arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk op datum geding vanwege de stresserende werkomstandigheden op de werkplek.’ Op 13 februari 2013 heeft het UWV op grond hiervan geoordeeld dat [eiser] zijn eigen werk op 19 december 2012 niet kon doen.

3. De vorderingen en de standpunten van partijen

In conventie

3.1. [eiser] vordert dat [gedaagde], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld om aan hem te voldoen het achterstallige loon (van € 9.800,-- bruto) over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 28 februari 2013, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling. [eiser] vordert dat deze veroordeling wordt versterkt met een dwangsom van € 200,-- per (gedeelte van een) dag dat [gedaagde] hieraan niet voldoet. Voorts vordert [eiser] de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de advocaatkosten en de proceskosten. Ter comparitie heeft [eiser], zo verstaat de kantonrechter zijn opgave ter comparitie van het onbetaald gebleven loon c.a., zijn eis in die zin vermeerderd dat hij van [gedaagde] ook de onbetaald gebleven vakantiebijslag vordert.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het recht op onverminderde betaling van het overeengekomen loon niet afhankelijk was van de tijdige verlenging van zijn bevoegdheid om APK-keuringen te doen. Hij betwist dat hem een verwijt is te maken van het niet tijdig slagen voor het betreffende examen. [gedaagde] heeft ook geen schade geleden doordat het examen pas op 18 december 2012 met succes is afgelegd, omdat [eiser] zijn werkzaamheden op en na 9 juli 2012 gewoon heeft voortgezet. Alleen de ‘afmelding’ van een keuring heeft hij aan een daartoe bevoegde collega moeten overlaten.

Voor het stopzetten van de loondoorbetaling met ingang van december 2012 was geen grond, omdat [eiser] tot het einde van het dienstverband volledig arbeidsongeschikt is gebleven en niet tot passend ander werk in staat was, aldus [eiser].

3.3. [gedaagde] betwist de vordering. Het loon mocht vanaf 1 oktober 2012 worden verlaagd naar dat van een medewerker zonder keuringsbevoegdheid, omdat [eiser] vanaf 9 juli 2012 niet langer als APK-keurmeester kon worden ingezet. Dit heeft tot een drastische verandering van zijn werkzaamheden geleid. Het behoort tot de persoonlijke verantwoorde-lijkheid van de medewerker om voor tijdige verlenging van zijn IBKI-pas te zorgen. Als geen aansluitende verlenging plaats vindt, komt dit voor zijn risico.

De bevindingen van de bedrijfsarts van 19 december 2012 zijn in een heel ander licht komen te staan toen bleek dat [eiser] daags tevoren examen had gedaan en was geslaagd. Hij heeft dit in het gesprek met de bedrijfsarts verzwegen. Zoals de bedrijfsarts naderhand te kennen heeft gegeven moet [eiser], nu hij in staat was het examen te halen, geacht worden (psychisch) meer belastbaar te zijn geweest dan de bedrijfsarts eerder had aangenomen. [eiser] heeft zich echter niet voor zijn re-integratie willen inspannen en hij heeft zijn resterende arbeidsmogelijkheden niet benut. Dit rechtvaardigt dat de loondoorbetaling vanaf december 2012 is stopgezet, aldus [gedaagde].

In reconventie

3.4. [gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld dit geding te beëindigen en het kort geding vonnis van 21 december 2012 na te komen. Tevens vordert [gedaagde] dat [eiser] zich beschikbaar stelt voor passende arbeid.

3.5. [eiser] betwist deze tegenvordering.

4. De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. Waar partijen zich in dit geding hebben uitgelaten over de overwegingen en beslissing in het kort geding vonnis van 21 december 2012, wijst de kantonrechter erop dat dit eerdere rechterlijke oordeel in het onderhavige geding geen zelfstandige betekenis heeft en dat het kort geding vonnis noch partijen, noch de rechter bindt. Het kort geding is bedoeld om op korte termijn, in afwachting van de uiteindelijke beslissing in een bodemprocedure, een spoedvoorziening te verkrijgen. Het bodemgeding kan niet als een hoger beroep van dat kort geding worden aangemerkt. Het geschil van partijen moet dan ook nu in volle omvang worden beoordeeld.

In conventie

4.2. Het geschil van partijen roept twee vragen op. De eerste is: mocht [gedaagde] het overeengekomen loon van [eiser] per 1 oktober 2012 eenzijdig met € 700,-- bruto per maand verminderen? De tweede vraag luidt: mocht [gedaagde] de loondoorbetaling met ingang van december 2012 stopzetten? De kantonrechter zal deze vragen hierna achtereenvolgens beantwoorden.

De loonsvermindering met ingang van oktober 2012

4.3. Bij de beoordeling van eerstgenoemde vraag neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat [eiser] niet heeft ingestemd met de verlaging van zijn loon. Uit het enkele feit dat hij er pas in november 2012, bij monde van zijn gemachtigde, tegen heeft geprotesteerd, kan die instemming niet worden afgeleid. Waaruit de uitdrukkelijke instemming overigens zou zijn op te maken, heeft [gedaagde] niet gesteld. In dit geding moet er dus van worden uitgegaan dat [gedaagde] het loon van [eiser] eenzijdig heeft verlaagd.

4.4. De kantonrechter stelt voorop dat het loon een primaire arbeidsvoorwaarde is en voor de werknemer het meest wezenlijke aspect van de arbeidsovereenkomst uitmaakt. Dat komt omdat de werknemer voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van zijn inkomsten uit arbeid. Dit brengt mee dat de werkgever met eenzijdige verlaging van het loon zeer terughoudend moet zijn en daartoe uitsluitend onder uitzonderlijke omstandigheden over mag gaan. Voor een verlaging van het loon kan de werkgever geen beroep doen op het eenzijdige wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW). Al lijkt die wetsbepaling - net als artikel 19 van de arbeidsovereenkomst van partijen - op het eerste gezicht ook dáárvoor te zijn geschreven, geldt deze wettelijke regeling alleen voor de eenzijdige wijziging van collectieve (secundaire of tertiaire) arbeidsvoorwaarden, waartoe de werkgever zich de wijzigingsbevoegdheid heeft voorbehouden, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding geven.

4.5. In het algemeen geldt dat de werkgever het loon niet kan verlagen zonder dat de werknemer daarmee uitdrukkelijk instemt. De vraag is of en - zo ja - onder welke omstandigheden van de werknemer mag worden gevergd dat hij met een loonsverlaging instemt. In het kort geding vonnis van 21 december 2012 is aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad die bekend staat onder de naam Stoof/Mammoet (genoemd naar het arrest dat is gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie van 2011, nr. 185). Deze rechtspraak maakt wijziging van arbeidsvoorwaarden mogelijk in het geval zich op het werk een zodanige verandering van de omstandigheden voordoet dat de werknemer positief behoort in te gaan op een redelijk voorstel van de werkgever tot wijziging van een arbeidsvoorwaarde. Het gaat in deze rechtspraak om toepassing van het beginsel van goed werknemerschap, zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. In het midden kan blijven of deze rechtspraak wel van toepassing is op een loonsverlaging (in de zaak Stoof/Mammoet ging het om een functiewijziging). Hierover kan van mening worden verschild. Maar ook indien dat het geval zou zijn, dient daarbij de terughoudendheid te worden betracht die gepast is, nu het om wijziging van het loon, de belangrijkste primaire arbeidsvoorwaarde, gaat. Juist omdat de werknemer van het loon financieel afhankelijk is en hij zijn uitgavenpatroon daarop duurzaam zal hebben aangepast, bestaat voor eenzijdige loonsverlaging in het algemeen minder ruimte dan voor wijziging van de functie-inhoud. In een geval als in dit geding aan de orde, waarin de bevoegdheid om als APK-keurmeester te werken tijdens het dienstverband is vervallen, zal een (tijdelijke) wijziging van de overeengekomen werkzaamheden in de rede liggen. Maar dat betekent dus niet zonder meer dat ook een overeenkomstige verlaging van het loon kan worden doorgezet. Of uit een functiewijziging ook een loonsverlaging voortvloeit, moet worden beoordeeld aan de hand van een strengere maatstaf.

4.6. Of de omstandigheden die voor [gedaagde] aanleiding waren om het loon van [eiser] te verlagen voldoende zwaar wogen, moet dus kritisch worden beoordeeld. De vraag is of zich tussen partijen zodanige zwaarwegende feiten of omstandigheden hebben voorgedaan dat [gedaagde] het loon van [eiser] mocht verlagen, ook al stemde deze hiermee niet in. Beoordeeld moet worden of [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde loonbetaling mocht verwachten en of het (naar diezelfde maatstaven gemeten) onaanvaardbaar was dat hij [gedaagde] aan betaling van het overeengekomen loon hield. De kantonrechter verwijst naar het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 en 6:258 BW.

4.7. Bij deze beoordeling moet aansluiting worden gezocht bij de wettelijke regels die het risico van de arbeid, en dat van het niet kunnen werken, over werkgever en werknemer verdelen. De wet bepaalt dat de werknemer recht op loon behoudt als hij zijn werk niet heeft kunnen verrichten door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (artikel 7:628 BW) en dat de werknemer die aan zijn werkgever schade toebrengt daarvoor niet aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 BW). Anders dan [gedaagde] meent, was de kwestie van de tijdige verlenging van de APK-bevoegdheid geen kwestie die alleen [eiser] persoonlijk aanging. Doordat [gedaagde] hem (mede) als APK-keurmeester voor een jaar in dienst had genomen en omdat zij bij het aangaan van het dienstverband wist of kon weten dat de IBKI-bevoegdheidspas van [eiser] op 9 juli 2012 - dus gedurende het jaar waarvoor de arbeidsovereenkomst was aangegaan - verliep, heeft [gedaagde] het risico genomen dat [eiser] niet tijdig voor het vereiste examen zou slagen. Dat men voor dit examen normaliter probleemloos slaagt, maakt dit niet anders. Niet gesteld of gebleken is dat aan [eiser] kan worden verweten dat hij bij zijn pogingen om het examen succesvol af te leggen opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Met name is niet gebleken dat hij tussen 10 juli en 18 december 2012, in welke periode hij een of twee mogelijkheden tot herkansing heeft laten lopen, de bedoeling heeft gehad [gedaagde] te schaden. Dat [gedaagde] [eiser] heeft aangesproken op het feit dat hij zijn examen nog niet had gehaald, en hem op haar (financiële) belang bij verlenging van zijn keuringsbevoegdheid heeft gewezen, is niet gesteld of gebleken. Uit hetgeen de heer [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard, moet veeleer worden opgemaakt dat [gedaagde] de kwestie geruime tijd aan [eiser] zelf heeft overgelaten, om pas maanden later (eind september 2012) tot loonsverlaging over te gaan.

4.8. De kantonrechter neemt bij zijn beoordeling verder in aanmerking dat [eiser] in de periode dat hij geen geldige IBKI-pas had (en nog niet ziek was), als monteur kon - en is - blijven werken. Tegenover de stelling van [eiser] dat het keuringwerk slechts een betrekkelijk bescheiden onderdeel van zijn werk en van de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] uitmaakte, heeft [gedaagde] geen inzicht gegeven in het relatieve aandeel van het keuringwerk in haar bedrijfsvoering en omzet. Onder deze omstandigheden gaat de kantonrechter ervan uit dat de aard en waarde van het werk dat [eiser] vanaf 9 juli 2012 is (kunnen) blijven doen, niet substantieel verschilde van het werk dat hij tot die datum heeft verricht. [eiser] mocht dan ook ongewijzigde loonbetaling verwachten en het is niet onaanvaardbaar dat hij [gedaagde] daaraan houdt. De hierboven, onder 4.2. als eerste genoemde vraag wordt daarom ontkennend beantwoord.

De stopzetting van de loondoorbetaling per december 2012

4.9. De onder 4.2. als tweede genoemde vraag heeft betrekking op de loondoorbetaling bij ziekte. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] recht had op volledige loondoorbetaling, indien hij door ziekte niet in staat was te werken en hij voldeed aan zijn verplichting om aan zijn re-integratie mee te werken. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat uit het feit dat [eiser] op 18 december 2012 voor het examen is geslaagd, volgt dat hij niet volledig arbeidsongeschikt was en in het kader van zijn re-integratie passende andere werkzaamheden kon verrichten. De kantonrechter verwerpt dit standpunt. De bedrijfsarts heeft [eiser] gezien op 19 december 2012, enkele dagen na de zitting in het kort geding. De bedrijfsarts heeft hem toen op psychische gronden volledig arbeidsongeschikt bevonden. De beperkingen lagen op het vlak van de concentratie, aandacht, alertheid en conflict-hantering. Toen naderhand bleek dat [eiser] op 18 december 2012 voor het examen was geslaagd (wat [eiser] in het gesprek met de bedrijfsarts niet had verteld) heeft de bedrijfsarts zich weliswaar op het standpunt gesteld dat dit aspect de beoordeling van de belastbaarheid beïnvloedt, maar niet in welke mate dat het geval zou kunnen zijn. Daarvoor was nodig dat de bedrijfsarts de psychische belasting die het examen met zich meebracht afwoog tegen de belastbaarheid die het werken voor [gedaagde] vergde. Deze afweging heeft de bedrijfsarts niet gemaakt. Gelet op de aard van de door de bedrijfsarts beschreven gezondheidsklachten van [eiser] en de nadrukkelijke koppeling die hij met het arbeidsconflict van partijen legde, ligt het voor de hand dat het doen van examen een andere vorm van concentratie en aandacht vergde dan het werken voor [gedaagde]. Het doen van examen stond immers los van het arbeidsconflict, het werken niet.

4.10. Zolang de bedrijfsarts zijn advies van 19 december 2012, inhoudende dat [eiser] voorshands niet tot enig werk in staat was, niet in die zin had heroverwogen en aangepast dat er medisch beschouwd wèl mogelijkheden tot re-integratie waren, mocht [eiser] ervan uitgaan dat hij volledig arbeidsongeschikt en niet tot het verrichten van passend ander werk in staat was. Hij hoefde daarom, voorafgaand aan die herbeoordeling van de bedrijfsarts, ook geen gevolg te geven aan de uitnodigingen voor een gesprek met [gedaagde]. Voor de beoordeling van de vraag of re-integratie-inspanningen al aan de orde waren, was een voorafgaande medische beoordeling namelijk onontbeerlijk.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is, in die zin dat hij over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 28 februari 2013 recht heeft behouden op volledige doorbetaling van het overeengekomen loon. Het achterstallig loon van € 9.800,-- bruto (twee maanden à € 700,-- en drie maanden van € 2.800,--) wordt dan ook toegewezen. Gezien de omstandigheden van het geval wordt de wettelijke verhoging wegens te late betaling van dit loon gesteld op 25%. De gevorderde dwangsom wordt niet opgelegd, omdat artikel 611a, eerste lid, laatste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daaraan in de weg staat. De gevorderde vakantiebijslag wordt toegewezen over het loon dat [gedaagde] gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst aan [eiser] verschuldigd is geworden. Indien en voor zover [gedaagde] aan [eiser] reeds een gedeelte van deze vakantiebijslag heeft betaald, komt dat uiteraard in mindering op de toegewezen vakantiebijslag.

4.12. [eiser] heeft ‘advocaatkosten’ gevorderd, kennelijk doelend op de kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vergoeding voor deze werkzaamheden wordt, op basis van het toegewezen loon en de wettelijke verhoging, hierover toegewezen tot het wettelijke tarief. Dit komt neer op € 897,50 exclusief btw.

4.12. [gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op € 767,17, bestaande uit € 92,19 aan dagvaardingkosten, € 75,-- aan vastrecht en € 600,-- aan salaris gemachtigde.

Aangezien aan [eiser] een toevoeging is verleend, dienen de in debet gestelde exploitkosten (€ 69,12) te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Utrecht, nadat [gedaagde] daarvoor van de rechtbank een nota heeft gekregen. De dagvaarding is uitgebracht door kandidaat-deurwaarder Ramakers van deurwaarderskantoor Kruythof te Utrecht.

In reconventie

4.13. Voor zover de door [gedaagde] ingestelde tegeneis ziet op het (niet langer) voeren van het onderhavige geding heeft het geen zelfstandige betekenis. Verwezen wordt naar hetgeen in conventie is overwogen. Voor zover [gedaagde] vordert dat [eiser] het kort geding vonnis van 21 december 2012 nakomt, heeft [gedaagde] bij haar vordering geen belang, omdat zij reeds met dat vonnis de daarin toegewezen proceskostenveroordeling kan executeren. Voor zover [gedaagde] vordert dat [eiser] zich beschikbaar stelt voor passende arbeid, stuit de vordering reeds af op het feit dat de arbeidsovereenkomst van partijen op 28 februari 2013 is geëindigd.

4.14. [gedaagde] wordt ook in reconventie in de proceskosten veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op nihil, omdat het verweer tegen de vordering van [gedaagde] de gemachtigde van [eiser] geen relevante processuele werkzaamheden heeft gevergd.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:

a. € 9.800,-- bruto aan onbetaald gebleven loon over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 28 februari 2013;

b. € 2.450,-- bruto aan wettelijke verhoging wegens te late betaling van dit loon;

c. de onbetaald gebleven vakantiebijslag over het loon dat [gedaagde] over de periode van

1 maart 2012 tot en met 28 februari 2013 aan [eiser] verschuldigd is;

d. € 897,50 exclusief btw aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 767,17 (waarin begrepen € 600,-- aan salaris gemachtigde), waarvan een bedrag van € 69,12 te voldoen aan de griffier nadat [gedaagde] daarvoor een nota van de rechtbank heeft gekregen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.