Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA2571

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
16/661190-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor meerdere diefstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661190-13 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 6 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. B.H.J. van Rhijn, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 18 februari 2013 één of meer bankpassen, een portemonnee, een telefoon (Apple, type iPhone 4) en een identiteitskaart heeft gestolen;

Feit 2: op 12 februari 2013 een telefoon (Samsung, type GT-I9001) heeft gestolen;

Feit 3 primair: op 16 februari 2013 een tablet (Apple, type iPad) en een computer (Nintendo, type Dsixl) heeft gestolen;

Feit 3 subsidiair: zich in de periode van 16 februari 2013 tot en met 18 februari 2013 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een tablet (Apple, type iPad) en een computer (Nintendo, type Dsixl).

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd feit 1, feit 2 en feit 3 subsidiair wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 3 primair ten laste gelegde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 opgemerkt dat alleen de diefstal van de telefoon wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat de overige goederen genoemd op de tenlastelegging niet bij verdachte zijn aangetroffen.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van feit 2.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 3 primair en feit 3 subsidiair, omdat verdachte te goeder trouw was en slechts een iPad te koop aan heeft geboden op verzoek van een ander.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[benadeelde 1] heeft, mede namens[benadeelde 2], aangifte gedaan van diefstal op 18 februari 2013 uit het Meander Ziekenhuis, locatie Sint Elisabeth, te Amersfoort. Uit de kamer van [benadeelde 2] zijn twee bankpassen, één portemonnee, een iPhone4 en een identiteitskaart weggenomen.

[benadeelde 4] heeft aangifte gedaan van diefstal van haar telefoon, merk Samsung, type GT-I9001. De telefoon is op 12 februari 2013 uit haar kantoor in het ziekenhuis aan de Ringweg-Randenbroek 110 te Amersfoort weggenomen.

Verbalisanten[verbalisant 1]en [verbalisant 2] komen op 18 februari 2013 ter plaatse bij het Elisabeth Ziekenhuis, gevestigd aan de Ringweg-Randenbroek 110 in Amersfoort. [verbalisant 1] ziet de hem ambtshalve bekende [verdachte] lopen. [verbalisant 1] ziet dat [verdachte] zich omdraait en wegloopt. Beide verbalisanten rennen achter [verdachte] aan en houden hem aan. In zijn fouillering treffen verbalisanten onder meer een iPhone 4 en een mobiele telefoon van het merk Samsung, type GT-I9001, aan. Uit onderzoek in het politiesysteem naar deze telefoons blijkt dat deze telefoons als gestolen gesignaleerd stonden.

Verdachte heeft verklaard dat hij de Samsung telefoon op 12 februari 2013 en de iPhone 4 op 18 februari 2013 uit het ziekenhuis heeft weggenomen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewezen verklaarde het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij zowel op 12 als op 18 februari 2013 een telefoon heeft weggenomen uit het ziekenhuis. Verdachte heeft niets verklaard over de andere goederen die op 18 februari 2013 uit de kamer van [benadeelde 2] zijn weggenomen. De rechtbank acht het evenwel hoogst onwaarschijnlijk dat een ander de goederen heeft gestolen en daarna de telefoon heeft achtergelaten of aan verdachte heeft gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte alle goederen genoemd in de tenlastelegging heeft gestolen.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over waar hij de telefoons heeft weggenomen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dat punt daarom niet betrouwbaar. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over wanneer hij de telefoons heeft weggenomen wel betrouwbaar, omdat deze verklaring steun vindt in de aangiftes. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit deel van de verklaring van verdachte voor het bewijs gebezigd kan worden.

Het bewijs ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[benadeelde 3] (hierna te noemen: [benadeelde 3]) heeft aangifte gedaan van diefstal van een iPad en een Nintendo Dsixl op 16 februari 2013. Op 16 februari 2013 was hij thuis met zijn zoons in hun woning aan het [adres]in Soest. Omstreeks 17.15 uur konden zij de iPad nergens meer vinden. Deze lag om 15.00 uur nog op de keukentafel. Vervolgens zag [benadeelde 3] dat ook de Nintendo DS van zijn zoon weg was. [benadeelde 3] zag dat de achterdeur niet was afgesloten. De knip van de poortdeur was geopend.

Verbalisant[verbalisant 3]heeft de camerabeelden van de Telecomshop in Amersfoort uitgekeken. Op de beelden is te zien dat een persoon op 16 februari 2013 om 16.54 uur de winkel binnenkomt. De persoon verkoopt een iPad aan de eigenaar van de winkel.

Uit onderzoek is gebleken dat de iPad in de Telecomshop de iPad van aangever [benadeelde 3] betreft.

Verdachte heeft verklaard dat hij de persoon is die te zien is op de camerabeelden en dat hij in de Telecomshop een iPad heeft verkocht op 16 februari 2013.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank stelt vast dat de iPad en de Nintendo van [benadeelde 3] is gestolen in Soest op 16 februari 2013 tussen 15.00 uur en 16.54 uur. Daarbij betrekt de rechtbank de vaststelling dat verdachte in het bezit was van de iPad in Amersfoort op 16 februari 2013 om 16.54 uur. De rechtbank overweegt, gelet op de korte tijdspanne, dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de woning van [benadeelde 3] is binnengegaan en de goederen daar heeft weg genomen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het scenario dat verdachte heeft geschetst dat hij de iPad heeft verkocht voor een maatje van hem niet aannemelijk is geworden. Daargelaten het feit dat verdachte over de gang van zaken met betrekking tot de verkoop van deze iPad en betrokkenheid van dat ‘maatje’ wisselende verklaringen heeft afgelegd, heeft verdachte geen gegevens van dit ‘maatje’ bekend gemaakt waarmee zijn identiteit is te achterhalen. Het door verdachte geschetste, en door de rechtbank niet zonder meer aannemelijk geachte, scenario is daarmee niet controleerbaar zodat aan dat scenario verder voorbij wordt gegaan.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 18 februari 2013 te Amersfoort met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- meer bankpassen en

- een portemonnee en

- een telefoon (merk Apple, type iPhone 4) en

- een identiteitskaart,

toebehorende aan [benadeelde 2];

2.

op 12 februari 2013 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (merk Samsung, type GT-I9001), toebehorende aan [benadeelde 4];

3.

Primair

op 16 februari 2013 te Soest, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen

- een tablet (merk Apple, type iPad) en

- een computer (merk Nintendo, type Dsixl),

toebehorende aan [benadeelde 3].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 1, feit 2 en feit 3 primair: telkens: diefstal.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 weken, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daartoe opgemerkt dat zij in deze zaak geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden zal vorderen, omdat er nog een andere strafzaak tegen verdachte loopt waarin een reclasseringsadvies is uitgebracht.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen. De rechtbank rekent het verdachte extra aan dat dit diefstallen betreft van personeel en van een patiënt uit een ziekenhuis en uit een woning waar op dat moment ook mensen thuis waren. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en gevoelens van angst en onveiligheid bij hen veroorzaakt.

De rechtbank heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld voor onder andere vermogensdelicten.

De rechtbank is dan ook, gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur noodzakelijk is. De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij, anders dan de officier van justitie, ook tot een bewezenverklaring van feit 3 primair komt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van het onder feit 3 primair ten laste gelegde

De behandeling van de vordering van [benadeelde 3] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 562,79 (vijfhonderdtweeënzestig euro en negenenzeventig cent), te weten € 280,-- aan immateriële schade en € 282,79 aan materiële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 16 februari 2013. De vordering kan dan ook geheel worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1, feit 2 en feit 3 primair: telkens: diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot € 562,79 (zegge vijfhonderdtweeënzestig euro en negenzeventig cent), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 16 februari 2013.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 562,79 (zegge vijfhonderdtweeënzestig euro en negenenzeventig cent), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 16 februari 2013 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 11 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juni 2013.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2013 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen

- een of meer (bank)pas(sen) en/of

- een portemonnee en/of

- een telefoon (merk Apple, type iPhone 4) en/of

- een identiteitskaart,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2013 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk Samsung, type GT-I9001), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op of omstreeks 16 februari 2013 te Soest, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen

- een tablet (merk Apple, type iPad) en/of

- een computer (merk Nintendo, type Dsixl),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 februari

2013 tot en met 18 februari 2013 te Amersfoort en/of Soest, in elk geval in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een tablet (merk Apple, type iPad) en/of

- een computer (merk Nintendo, type Dsixl)

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben

overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde tablet en/of computer

wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);

art 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht