Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA2425

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
16/661137-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk lestel door met veel kracht een vuistslag in het gezicht van het slachtoffer te geven, waardoor ernstig lestel is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661137-13 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van28 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

gedetineerd in P.I. Nieuwegein, het Huis van Bewaring Nieuwegein, locatie Nieuwegein.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 mei 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens advocaat, mr. F. Visser, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: op 19 december 2012 in Utrecht zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]);

Subsidiair: op 19 december 2012 [slachtoffer] heeft mishandeld.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrij dient te worden gesproken van het primair aan hem ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

De verklaringen van [getuige 1] dienen als onbetrouwbaar van het bewijs te worden uitgesloten. Bij de politie heeft [getuige 1] verklaard dat hij heeft gezien wat er zich tussen verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld, terwijl hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij dat nu juist niet gezien heeft. Omdat voor beide verklaringen geen aanknopingpunten in het dossier te vinden zijn, dienen zowel de verklaring bij de politie als de verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris van het bewijs te worden uitgesloten.

Er kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijk zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk lestel aan [slachtoffer]. Het enkele feit dat verdachte [slachtoffer] met kracht heeft geslagen is onvoldoende om dit opzet wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Daarbij heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer] maar één keer geslagen. Ook heeft verdachte zich direct van de situatie verwijderd en had hij nooit verwacht dat hij zoveel letsel zou veroorzaken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De verklaringen van [getuige 1]

Voorafgaand aan de bespreking van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het van belang stil te staan bij de verklaringen die [getuige 1] als getuige bij de politie op 7 januari 2013 en bij de rechter-commissaris op 15 april 2013 heeft afgelegd. De verdediging heeft zich immers op het standpunt gesteld dat beide verklaringen van het bewijs uitgesloten moeten worden, nu [getuige 1] in beide verklaringen een andere lezing geeft van hetgeen hij heeft gezien en voor beide lezingen geen aanknopingspunten in het dossier te vinden zijn.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze verklaringen van [getuige 1] het volgende:

De rechtbank heeft vastgesteld dat [getuige 1] in zijn verklaring afgelegd bij de politie inderdaad een andere lezing van het gebeurde geeft dan in zijn verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Echter, de rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat de verklaring van [getuige 1], afgelegd bij de politie, onbetrouwbaar is. [getuige 1] heeft deze verklaring relatief kort na het gebeurde afgelegd en heeft daarin een gedetailleerde verklaring gegeven van hetgeen zich tussen verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld en van de wijze waarop hij dit heeft waargenomen. Daarbij wordt de verklaring van [getuige 1], afgelegd bij de politie, op belangrijke punten ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2]. Op die onderdelen acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd bij de politie, dan ook voldoende betrouwbaar. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding deze verklaring van [getuige 1] van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank zal voor het bewijs evenwel enkel gebruik maken van deze verklaring van [getuige 1] voor zover deze verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.

De verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 april 2013, zal de rechtbank evenwel als onbetrouwbaar terzijde schuiven. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd die haaks staat op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring. Voorts bevat het dossier geen aanknopingspunten die deze verklaring van [getuige 1] kunnen ondersteunen, terwijl zijn eerdere verklaring wel wordt ondersteund.

4.3.2 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Daarvoor zijn de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 19 december 2012 [slachtoffer] een klap heeft gegeven. Dit was een goede klap met de vuist. Slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 19 december 2012 bij fietsenwinkel Fietsplezier was. Hij zag en voelde dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte], verdachte) hem een keiharde klap tegen zijn gezicht gaf. Getuige [getuige 1] heeft op zijn beurt verklaard dat hij de eigenaar is van de winkel Fietsplezier Domstad te Utrecht. Op 19 december 2012 was verdachte in zijn winkel. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer] ook de winkel binnen. Getuige [getuige 1] zag dat [verdachte] tegen[slachtoffer]sloeg. Hierop liep [getuige 1] achter [slachtoffer] en [verdachte] aan. [getuige 1] kon voorkomen dat [verdachte][slachtoffer] nog een keer sloeg door hem vast te pakken. Getuige [getuige 2] heeft bevestigd dat [verdachte] beet hield om ze uit elkaar te halen.

Op 19 december 2012 werd vastgesteld dat [slachtoffer] een breuk had aan zijn jukbeen/oogkas en de rechterkant van zijn neus. Ook was sprake van uitval van zijn gevoelszenuw aan de rechterkant van zijn wang, neus en lip. Mogelijk blijft er restschade in de zin van permanente beschadiging van de gevoelszenuw van zijn wang, neus en lip. Op 27 december 2012 heeft [slachtoffer] een operatie ondergaan in verband met zijn jukbeenfractuur en neusfractuur.

4.3.2 Aanvullende bewijsoverweging

Zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Uit de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] volgt dat hij onder andere een gebroken jukbeen, oogkas en neus had, waarbij mogelijk sprake is van blijvende schade aan een gevoelszenuw. Hieraan is [slachtoffer] op 27 december 2012 geopereerd. Gelet op bovengenoemde omstandigheden dient het letsel van aangever naar het oordeel van de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt.

Het opzet

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat verdachte het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer]. Verdachte heeft immers met kracht, met zijn vuist, tegen het gezicht van [slachtoffer] geslagen. Hij deelde een goede klap uit, aldus de eigen verklaring van verdachte. Daarbij komt dat, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], verdachte de bedoeling had om [slachtoffer] nogmaals te slaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is, dat vele vitale functies herbergt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kans dat [slachtoffer] door deze vuistslag in het gezicht zwaar lichamelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Hieruit volgt dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 19 december 2012 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en gebroken oogkas en beschadigde aangezichtszenuw, heeft

toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met veel kracht tegen diens gezicht te stompen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

6.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweer(exces)situatie. Uit de stukken in het dossier volgt niet dat de klap die verdachte aan [slachtoffer] gaf op dat moment gerechtvaardigd was ter verdediging van zijn eigen lijf.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte het slachtoffer een klap heeft gegeven uit zelfverdediging. Het slachtoffer is samen met een derde achter verdachte aan gelopen, terwijl verdachte zich juist van het conflict wilde distantiëren. Dit resulteerde erin dat verdachte in een hoek van het pand stond met twee jongens tegenover zich. Verdachte stond letterlijk met zijn rug tegen de muur. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechterlijke aanranding van het lijf van verdachte. Met het geven van een enkele vuistslag heeft verdachte zich niet op een onevenredige wijze verweerd tegen deze aanranding.

Het beroep op noodweer dient gehonoreerd te worden, zodat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Alles aldus de raadsman.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte, zoals hij zelf verklaart, in een hoek is gezet door het slachtoffer en een derde en zelf als eerste een klap heeft gehad. Van een situatie die omschreven kan worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van het lijf van verdachte, waartegen verdachte zich diende te verdedigingen, is geen sprake. Het beroep op noodweer(exces) wordt daarom verworpen.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Zware mishandeling.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de volgende bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen:

* dat verdachte zich na zijn invrijheidstelling moet melden bij de Reclassering van het Leger des Heils op het volgende adres: Zeehaenkade 30 te Utrecht. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte wordt verplicht zich te laten behandelen bij (forensische) psychiatrie – ambulante behandeling: i-Psy of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de Reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* dat verdachte wordt verplicht deel te nemen aan urinecontroles gericht op softdruggebruik zolang en zo vaak de Reclassering dat nodig acht.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie gevorderd deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat de eis van de officier van justitie niet in overeenstemming is met de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken.

De raadsman heeft verzocht, bij een eventuele strafoplegging, een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Meer specifiek heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan tweeënhalve maand voorwaardelijk, aan verdachte op te leggen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft met veel kracht een vuistslag gegeven tegen het gezicht van [slachtoffer]. Dit had onder meer een gebroken jukbeen, oogkas en neus bij slachtoffer [slachtoffer] tot gevolg. Om de schade aan het gezicht van [slachtoffer] te herstellen was een operatie aan zijn jukbeen en neus noodzakelijk. Tot op heden heeft slachtoffer [slachtoffer] nog last van gedeeltelijke gevoelloosheid van zijn bovenlip en zijn rechter neusvleugel. Mogelijk heeft de klap blijvende schade aan een gevoelszenuw veroorzaakt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten nog lange tijd lichamelijke, maar ook psychische, nadelige gevolgen hiervan ondervinden. Dit volgt ook uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer], waarin onder meer staat dat hij niet meer op plaatsen durft te komen waar veel mensen zijn en hij zich ongemakkelijk voelt op straat.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij kennelijk met de gevolgen van zijn handelen geen rekening heeft gehouden. Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij beschouwd kan worden als een gewaarschuwd mens. Uit het strafblad van verdachte d.d. 29 maart 2013 volgt immers dat verdachte nog op 24 januari 2011 door de politierechter is veroordeeld wegens mishandeling.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een over verdachte opgemaakt reclasseringsadvies d.d. 10 mei 2013. Door de reclassering wordt het risico op recidive hoog/gemiddeld ingeschat. De reclassering ziet aanleiding om verdachte te verplichten zich te laten behandelen bij i-Psy of een soortgelijke ambulante forensische instelling, als ook verdachte verplicht deel te laten nemen aan urinecontroles gericht op softdruggebruik. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard open te staan voor hulp van de reclassering.

Ook heeft de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Mede om die reden ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf. De rechtbank zal deze matigen. Wel zal de rechtbank overgaan tot het opleggen van de bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie voorgesteld. Gelet op de hoog/gemiddelde kans op recidive zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe te wijzen, met dien verstande dat het gevorderde bedrag betreffende immateriële schade dient te worden gematigd tot € 1.750,00. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, alsmede de wettelijke rente toe te passen.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bezwaar gemaakt tegen het toewijzen van de gevorderde materiële schade, bestaande uit reiskosten. Ten aanzien van het gevorderde schadebedrag betreffende immateriële schade heeft de verdediging verzocht dit bedrag te matigen tot € 1.500,00.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het (primair) ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 2.518,06, ter zake materiële en immateriële schade.

De behandeling van de vordering van [slachtoffer] levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 18,06 betreffende reiskosten naar het ziekenhuis een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen.

Het gevorderde bedrag van € 2.500,00, betreffende immateriële schade, zal de rechtbank matigen tot een bedrag van € 1.750,00. De rechtbank acht het gevorderde voor dat deel voldoende aannemelijk. De benadeelde partij zal voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard worden. Zij kan haar vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank wijst dan ook in totaal een schadevergoeding toe van € 1.768,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de respectievelijke schadeposten zijn ontstaan tot de dag der algehele voldoening. Voor de immateriële schade van € 1.750,00 geldt dat deze is ontstaan op de dag van de mishandeling, te weten 19 december 2012. De materiële schade is ontstaan op de verschillende door [slachtoffer] gestelde dagen dat hij een bezoek aan het ziekenhuis heeft moeten brengen.

Met betrekking tot de gedeeltelijk toegekende vordering van benadeelde partij [slachtoffer] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 234 (tweehonderdenvierendertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 120 (honderdtwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. dat verdachte zich na zijn invrijheidstelling binnen 3 dagen moet melden bij de reclassering van het Leger des Heils op het volgende adres: Zeehaenkade 30 te Utrecht. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat verdachte wordt verplicht zich te laten behandelen bij (forensische) psychiatrie – ambulante behandeling: i-Psy of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. dat verdachte wordt verplicht deel te nemen aan urinecontroles gericht op softdruggebruik zolang en zo vaak de reclassering dat nodig acht;

- verklaart de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.768,06, ter zake van materiële en immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.750,00 vanaf 19 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening en over € 18,06 vanaf de door [slachtoffer] gestelde dagen dat hij een bezoek aan het ziekenhuis heeft moeten brengen tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk voor het overige deel van haar vordering;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] € 1.768,06 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.750,00 vanaf 19 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening en over € 18,06 vanaf de door [slachtoffer] gestelde dagen dat hij een bezoek aan het ziekenhuis heeft moeten brengen tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mrs. M.C. Oostendorp en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken

jukbeeen en/of gebroken oogkas en/of beschadigde aangezichtszenuw), heeft

toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk (met veel kracht) op/tegen

diens gezicht te slaan en/of te stompen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met veel kracht) op/tegen diens

gezicht heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]

zwaar lichamelijk letsel (gebroken oogkas en/of gebroken jukbeen en/of

beschadidgde aangezichtszenuw), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen

en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht