Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA2141

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
16/656634-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen woninginbraak en ongewenst vreemdeling.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/656634-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Algerije),

zonder vaste woon-/ of verblijfplaats,

thans gedetineerd in het [naam].

Raadsman B.H.J. van Rhijn, advocaat te IJsselstein (uitdrukkelijk gemachtigd).

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 april 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te verschijnen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 27 december 2012 samen met anderen heeft ingebroken in een woning;

feit 2: in Nederland heeft verbleven terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte de ten laste gelegde feiten heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

ten aanzien van feit 1:

- de verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 103 en 104 van proces-verbaalnummer PL091A 2012291077;

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris ten tijde van zijn verhoor betreffende zijn inverzekeringstelling en inbewaringstelling;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 6 t/m 8 van proces-verbaalnummer PL091A 2012289508;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 december 2012, opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 122 van proces-verbaalnummer PL091A 2012291077;

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte ], opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 93 van proces-verbaalnummer PL091A 2012291077;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2012, opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 50 t/m 53 van proces-verbaalnummer PL091A 2012289508;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2012, opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 54 t/m 56 van proces-verbaalnummer PL091A 2012289508;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2012, opgemaakt in de wettelijke vorm en opgenomen op pagina 63 van proces-verbaalnummer PL091A 2012289508.

ten aanzien van feit 2:

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris ten tijde van zijn verhoor betreffende zijn inverzekeringstelling en inbewaringstelling;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2012, pagina 62 en 63;

- een afschrift van de beschikking tot ongewenstverklaring van verdachte [verdachte] d.d. 24 mei 2006, pagina 65 t/m 67;

- een afschrift van het uitreikingsblad, behorende bij voornoemde beschikking tot ongewenstverklaring, pagina 68.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1.

op 27 december 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en een geldbedrag, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak op een voordeur van die woning;

ten aanzien van feit 2:

op 27 december 2012 te Utrecht, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders ingebroken in een woning en daarbij spullen weggenomen. Verdachte heeft kennelijk geen oog gehad voor het leed dat hij daarmee bij anderen kan aanrichten en heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht door in Nederland te verblijven, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem dus niet was toegestaan in Nederland te verblijven. Het opzettelijk handelen in strijd met de bepalingen van de vreemdelingenwetgeving en met de daarop gegronde beslissingen van de autoriteiten, is een voor de Nederlandse samenleving bezwarend delict.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de justitiële documentatie van 1 maart 2013. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld zowel voor het plegen van woninginbraak als overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is voor het onwettig verblijf een gevangenisstraf van 2 maanden passend, waarbij de straf telkens met een maand wordt verhoogd ingeval van een eerdere veroordeling. Voor een woninginbraak is, indien er sprake is van recidive, een gevangenisstraf van 5 maanden passend. De rechtbank heeft in het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank ziet geen reden voor een lichtere of andere straf.

De rechtbank zal verdachte derhalve een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 197 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. T. Reichardt, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2013.

Mr. T. Reichardt is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 december 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen

op/aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden en/of

een geldbedrag van (ongeveer) 365 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een

(voor)deur van die woning;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 december 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl

hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67

van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift,

tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

art 197 Wetboek van Strafrecht