Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1848

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
16/650846-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing en poging afpersing door drie personen. Slachtoffer is een persoon met wie zij nog een appeltje te schillen hadden. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een werkstraf van 180 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/650846-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 31 mei 2013.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2013. De zaak van verdachte is tegelijk maar niet gevoegd met de zaken van medeverdachten[medeverdachte 1] met parketnummer 16/650845-12 en [medeverdachte 2]l met parketnummer 16/650847-12.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. J.L.J. Leijendekker, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 15 tot en met 16 juli 2011 te Elst samen met anderen:

feit 1: [slachtoffer] heeft afgeperst;

feit 2: heeft geprobeerd om [slachtoffer] af te persen of met geweld te bestelen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Er is, naar de mening van de verdediging, sprake van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Zo betreft onderhavige zaak een oude zaak en is er sprake van slecht en onvolledig onderzoek.

De officier van justitie acht zichzelf wel ontvankelijk in de vervolging en heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat er voldoende onderzoek is gedaan. Bij het onderzoek zijn echter wel keuzes gemaakt.

De rechtbank begrijpt dat de verdediging een beroep doet op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging en overweegt daartoe dat er geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek.

Ten aanzien van de oudheid van de zaak. De rechtbank is van oordeel dat het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn niet is geschonden. Bij de berechting van een strafzaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Verdachte is op 16 juli 2011 aangehouden, in verzekering gesteld en voor het eerst als verdachte verhoord. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank op dat moment aangevangen. De zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2013 en het vonnis dateert van 31 mei 2013. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. Desalniettemin is de rechtbank van mening dat onderhavige zaak een oude zaak betreft. De rechtbank zal daar bij de straftoemeting rekening mee houden.

Ten aanzien van het onderzoek. De rechtbank is met de verdediging van mening dat het onderzoek mogelijk wat uitgebreider had kunnen zijn, maar verdachte is niet in zijn recht op een eerlijk proces ingevolge artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is geschaad. De rechtbank neemt daarbij mede in overweging dat de verdediging, indien zij van mening was dat er te weinig onderzoek werd gedaan, ook zelf onderzoekswensen had kunnen indienen. De verdediging heeft dit echter verzuimd.

De rechtbank zal de officier van justitie dan ook ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van aangever [slachtoffer] en de verklaringen van verdachte [verdachte] en diens medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]l. Verdachte heeft tezamen en in vereniging met voornoemde medeverdachten [slachtoffer] afgeperst en daarna geprobeerd hem nogmaals af te persen. [slachtoffer] heeft gezien het jegens hem gebruikte geweld geenszins vrijwillig geld afgestaan en is absoluut niet vrijwillig gaan pinnen om nog meer geld te kunnen afgeven aan verdachte en diens mededaders.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de haar ten laste gelegde feiten heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken.

De verdediging is ten eerste van mening dat de brief van de vermeende aangever niet als bewijs kan worden gebruikt, omdat niet is geverifieerd of de brief ook daadwerkelijk afkomstig was van aangever.

De verdediging voert voorts aan dat er geen sprake is van afpersing. Het vereiste oogmerk kan niet worden bewezen. Het doel van verdachte was dat [slachtoffer] vrijwillig zijn geld zou afgeven.

Tot slot is de verdediging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit van mening dat er geen sprake kan zijn van medeplegen, omdat verdachte niet bij dat feit aanwezig is geweest.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Het bewijs

De rechtbank baseert haar oordeel op de hierna volgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer] ([voornaam 1]) heeft verklaard dat hij in de avond van 15 juli 2011 door zijn ex-vriendin [verdachte] was uitgenodigd om te komen praten. Hij ging daarop naar de [adres] te [woonplaats]. Vervolgens werd hij tegen zijn wil de woning in gesleurd. Twee mannen – die hij kent als [medeverdachte 1]en [medeverdachte 2]uit [woonplaats] – en [verdachte] gaven hem klappen in zijn gezicht. Vervolgens werd hij gedwongen om in een busje te gaan zitten en werd hij gedwongen om bij de ABN AMRO geldautomaat aan de Herenstraat te Rhenen geld te pinnen. [slachtoffer] moest zijn geld afgeven.

Uit bevindingen van de politie blijkt dat zij naar aanleiding van een melding op 16 juli 2011 om 00.07 uur ter plaatse kwamen op de Herenstraat te Rhenen. Aldaar troffen zij een man aan, [slachtoffer], die verward en angstig uit zijn ogen keek en die verklaarde dat hij zojuist in elkaar was geslagen door twee mannen en een vrouw. De politie zag dat de man bulten in zijn gezicht en bloed op zijn lippen had.

Verdachte [medeverdachte 1] ([voornaam 2]) heeft verklaard dat hij op vrijdagavond 15 juli 2011 samen met [medeverdachte 2] bij [verdachte] thuis was. [verdachte] had nog geld tegoed van haar ex-vriend [slachtoffer]. [medeverdachte 2] had problemen met [slachtoffer] in verband met een auto die op zijn naam stond. [medeverdachte 1] heeft vervolgens in de woning samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] besproken dat zij [slachtoffer] naar de woning moesten zien te krijgen. Ze spraken af dat [verdachte] zou beginnen over de relatie tussen haar en [slachtoffer], om [slachtoffer] te spreken te krijgen zodat [medeverdachte 2] een vrijwaringbewijs zou krijgen en [verdachte] haar geld. Toen [slachtoffer] uiteindelijk voor de deur stond heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] de woning in getrokken, vuistslagen op zijn gezicht gegeven en getrapt. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] ook klappen uitgedeeld aan [slachtoffer]. Ook is er gesproken over het geld dat [verdachte] en [medeverdachte 2] nog van [slachtoffer] tegoed hadden. [slachtoffer] pakte daarop zijn portemonnee, haalde er geld uit en gaf dit af. [medeverdachte 1] heeft vervolgens tegen [slachtoffer] gezegd dat hij niet voldoende geld bij zich had en dat hij moest gaan pinnen. Voorts heeft hij tegen [slachtoffer] gezegd dat hij niet het huis uit kwam voordat hij het geld aan [verdachte] zou hebben betaald. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens met [slachtoffer] naar de pinautomaat van de ABN AMRO te Rhenen gereden. [slachtoffer] is vervolgens gaan pinnen en [medeverdachte 1] keek over zijn schouder mee. Het lukte [slachtoffer] echter niet om te pinnen.

[verdachte] [voornaam 3]) heeft verklaard dat zij op 15 juli 2011 bezoek kreeg van [medeverdachte 2] en van [medeverdachte 1]. Het gesprek ging over een auto die op haar naam had gestaan en daarna op naam van [medeverdachte 2] is gezet en over het feit dat [medeverdachte 2] en zij nog geld van [slachtoffer] tegoed hadden. Met zijn drieën bedachten ze een plan om [slachtoffer] naar de woning te lokken. Ze wilden regelen dat hij hen het geld zou terugbetalen. Ze kwam er achter dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [slachtoffer] klappen zouden gaan geven. Toen [slachtoffer] in de woning was heeft zij hem vuistslagen tegen zijn gezicht en armen en een trap tegen zijn lichaam gegeven. Zij zag dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [slachtoffer] meermalen sloegen en schopten. In het gesprek dat daarop volgde hadden zij het met [slachtoffer] over het geld dat hij nog moest betalen. Het geld dat [slachtoffer] in zijn portemonnee had zitten gaf hij vervolgens af. Achteraf blijkt dat [slachtoffer] € 45,- had gegeven. [verdachte] zag voorts dat [medeverdachte 2] daarna de portemonnee van [slachtoffer] afpakte om te kijken of hij wel al zijn geld had afgegeven. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verlieten vervolgens samen met [slachtoffer] de woning en liepen naar de bus om met [slachtoffer] te gaan pinnen.

Verdachte[medeverdachte 2]l [voornaam 4]) heeft verklaard dat hij wilde regelen dat hij een vrijwaringsbewijs van [slachtoffer] wilde krijgen voor de auto die op zijn naam had gestaan. Hij hoorde van [medeverdachte 1] dat zijn vriendin ook nog geld kreeg van [slachtoffer]. [medeverdachte 2] is toen samen met [medeverdachte 1] naar de woning van [verdachte] gegaan. Aldaar hebben zij overlegd hoe ze [slachtoffer] naar de woning konden krijgen. [medeverdachte 2] wilde geld zien van [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] in de woning was gaf [medeverdachte 1] [slachtoffer] vuistslagen in zijn gezicht en trappen tegen zijn lichaam. [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] daarop ook vuistslagen op zijn armen en gezicht gegeven. Hierop zijn ze met [slachtoffer] in gesprek gegaan. [slachtoffer] gaf daarop € 45,-. [medeverdachte 2] heeft vervolgens nog in de portemonnee van [slachtoffer] gekeken. Hierna zijn hij en [medeverdachte 1] met [slachtoffer] naar de ABN AMRO in Rhenen gereden, zodat [slachtoffer] kon pinnen.

4.3.2 Nadere overwegingen

De rechtbank acht, gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Verdachte heeft samen met haar medeverdachten [slachtoffer] gedwongen een geldbedrag (van uiteindelijk € 45,-) af te geven door geweld tegen die [slachtoffer] te gebruiken en heeft ook samen met haar medeverdachten vervolgens geprobeerd die [slachtoffer] te dwingen om nog meer geld af te geven door hem, kort nadat zij geweld jegens hem hadden gebruikt, te laten pinnen. Verdachte en haar medeverdachten hadden met het door hen gebruikte geweld onmiskenbaar het oogmerk om [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld. Gelet op het gebruikte geweld en de bedreiging die verdachte[medeverdachte 1]egens [slachtoffer] heeft geuit, inhoudende dat deze de woning niet zou mogen verlaten voordat hij had betaald, acht de rechtbank onbegrijpelijk dat verdachte [verdachte] – zoals zij ter zitting heeft verklaard – in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] vrijwillig het geld heeft afgegeven en vrijwillig meeging om te pinnen. Het moet voor ieder van de aanwezigen volkomen duidelijk zijn geweest dat van vrijwilligheid in het geheel geen sprake was.

Ten aanzien van beide feiten was er sprake van medeplegen: te weten een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Verdachte en haar medeverdachten hadden van tevoren gezamenlijk een plan opgesteld om geld te innen van [slachtoffer] en allen hebben een aanzienlijk aandeel gehad in de uitvoering daarvan. Zo hebben zij allemaal geweld gebruikt jegens [slachtoffer] en waren zij ook allemaal aanwezig toen verdachte [medeverdachte 1], kort nadat zij geweld tegen [slachtoffer] hadden gebruikt en die [slachtoffer] geld had afgegeven, voorstelde om met [slachtoffer] te gaan pinnen. Verdachte [medeverdachte 2]l heeft [medeverdachte 1] en [slachtoffer] zelfs naar de pinautomaat gereden en verdachte heeft zich daar op geen enkele wijze van gedistantieerd.

Ten aanzien van de niet ondertekende aangifte – wat overigens is veroorzaakt doordat aangever onvindbaar was – merkt de rechtbank op dat dit stuk hierdoor weliswaar niet kan worden beschouwd als een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, maar wel als een geschrift. De inhoud van dit geschrift wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen (zoals hierboven onder voetnoot 2 opgenomen) waarin wordt gerelateerd wat [slachtoffer] heeft verteld toen de agenten hem op straat aantroffen. De rechtbank overweegt voorts dat, nu zij de brief van de vermeende aangever niet voor het bewijs gebruikt, het ten aanzien van dat geschrift gevoerde verweer geen bespreking behoeft.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 15 juli 2011 tot en met 16 juli 2011 te Elst, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander te bevoordelen door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 45 euro, toebehorende aan die [slachtoffer], welk geweld hierin bestond, dat zij, verdachte, en haar mededaders,

- die [slachtoffer] in verdachte’s woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] hebben getrokken en vervolgens

- die [slachtoffer] in die woning meermalen met kracht in het gezicht en elders tegen het lichaam hebben geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en

- (aldus) een dreigende sfeer hebben gecreëerd en in stand gehouden waardoor die [slachtoffer] enige tijd werd belet om zich vrijelijk te bewegen en te gaan staan waar hij wilde;

2.

zij in de periode van 15 juli 2011 tot en met 16 juli 2011 te Elst en Rhenen, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag toebehorende aan die [slachtoffer],

welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- nadat die [slachtoffer] 45 euro, had afgegeven en vervolgens in de portemonnee van die [slachtoffer] hebben gekeken of er meer geld was dan het door die [slachtoffer] afgegeven geldbedrag, tegen die [slachtoffer] hebben gezegd dat hij moest pinnen en vervolgens

- met die [slachtoffer] naar een geldautomaat van de ABN AMRO (gelegen aan de Herenstraat te Rhenen) zijn gereden en

- met die [slachtoffer] zijn meegelopen naar die geldautomaat en hebben meegekeken bij het pinnen en

- (aldus) een dreigende sfeer hebben gecreëerd en in stand gehouden waardoor die [slachtoffer] enige tijd werd belet om zich vrijelijk te bewegen en te gaan staan waar hij wilde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

feit 1: afpersing door twee of meer verenigde personen;

feit 2: poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen;

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft voorts een werkstraf van 180 uren met aftrek van voorarrest gevorderd, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de oudheid van de zaak, met het aandeel van het slachtoffer in het geheel en met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om enkel een geheel voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met twee anderen een persoon in elkaar geslagen, omdat ze geld van hem wilden dat zij naar hun mening nog van hem tegoed hadden. Toen uiteindelijk bleek dat het slachtoffer ‘slechts’ € 45,- in zijn portemonnee had zijn de medeverdachten met hem naar een pinautomaat gegaan, in de hoop dat hij nog geld kon pinnen. Uiteindelijk bleek het slachtoffer onvoldoende saldo op zijn rekening te hebben en hebben verdachte en haar mededaders er enkel de eerdergenoemde € 45,- aan overgehouden.

De rechtbank acht voornoemde feiten zeer ernstig. Een dergelijke vorm van eigenrichting is onacceptabel. Het was een laffe daad van drie tegen één. Verdachte en haar mededaders hebben enkel hun eigen belangen vooropgesteld en op geen moment stilgestaan bij de belangen van en gevolgen voor het slachtoffer, die gewond en blut werd achtergelaten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij de ernst van het feit ter zitting heeft gebagatelliseerd door kennelijk tegen beter weten in en volkomen onbegrijpelijk vol te houden dat het slachtoffer vrijwillig geld heeft afgestaan en vrijwillig is gaan pinnen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met:

- een de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De officier van justitie heeft een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een werkstraf van 180 uur met aftrek van voorarrest gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in beginsel vraagt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Alleen vanwege het feit dat het feit bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden zal de rechtbank daarvan afzien en de officier van justitie volgen in haar eis. De rechtbank ziet geen reden om een andere of lichtere straf op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

feit 1: afpersing door twee of meer verenigde personen;

feit 2: poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand;

beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

beveelt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen, en met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter,

mrs. P.W.G. de Beer en P.P.C.M. Waarts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 mei 2013.

Mr. M.A.A.T. Engbers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 15 juli 2011 tot en met 16 juli 2011 te

Elst, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft

gedwongen tot de afgifte van 45 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten

dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

althans alleen,

-die [slachtoffer] in de woning van een van de mededaders (gelegen aan de [adres]

te Elst) heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens)

-die [slachtoffer] in die woning (meermalen) (met kracht) in het gezicht en/of

(elders) tegen het lichaam heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

getrapt/geschopt en/of (in ieder geval)

-(aldus) een dreigende sfeer heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden

waardoor die [slachtoffer] enige tijd werd belet/belemmerd om zich vrijelijk te

bewegen en te gaan staan waar hij wilde;

2.

zij in of omstreeks de periode van 15 juli 2011 tot en met 16 juli 2011 te

Elst en/of Rhenen, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van

het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van

een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij

die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te

doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

-(nadat die [slachtoffer] 45 euro, althans een geldbedrag, had afgegeven en/of

(vervolgens) in de portemonnee van die [slachtoffer] heeft/hebben gekeken of er meer

geld was dan het door die [slachtoffer] afgegeven geldbedrag), tegen die [slachtoffer]

heeft/hebben gezegd dat hij moest pinnen en/of (vervolgens)

-met die [slachtoffer] naar een geldautomaat van de ABN AMRO (gelegen aan de

Herenstraat te Rhenen) is/zijn gereden en/of

-met die [slachtoffer] is/zijn meegelopen naar die geldautomaat en/of achter die [slachtoffer]

is/zijn gaan staan en/of heeft/hebben meegekeken bij het pinnen en/of (in

ieder geval)

-(aldus) een dreigende sfeer heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden

waardoor die [slachtoffer] enige tijd werd belet/belemmerd om zich vrijelijk te

bewegen en te gaan staan waar hij wilde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.