Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1829

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
16/656531-12, 16/225315-12, 16/184477-12, 16/202236-10 (tul) en 16/206351-11(tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere winkeldiefstallen wegens psychische problemen. Voorwaardelijke geldboete met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/656531-12, 16/225315-12, 16/184477-12, 16/202236-10 (tul) en 16/206351-11(tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[postcode] [woonplaats],[adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2013. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 16/656531-12, 16/225315-12 en 16/184477-12 zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. S. Spans, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/656531-12: primair: op 26 november 2012 levensmiddelen en bloemen heeft gestolen bij de Albert Heijn te Vleuten, subsidiair voornoemde goederen heeft verduisterd;

16/225315-12: op 3 november 2012 drie paar laarzen heeft gestolen bij de V&D te Zeist;

16/184477-12: op 3 april 2012 vier pakken rijst heeft gestolen bij de Albert Heijn te Vleuten.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de haar ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de haar ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van 16/656531-12

Aangezien verdachte het onder 16/656531-12 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 1]namens de Albert Heijn te Vleuten, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 4-6 van het proces-verbaal met dossiernummer[dossiernummer]

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2013.

Ten aanzien van 16/225315-12

Aangezien verdachte het onder 16/225315-12 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 2]namens de V&D te Zeist, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 5-7 met als bijlage een aangifteformulier winkeldiefstal op pagina 8-9 van het proces-verbaal met dossiernummer[dossiernummer 2]

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2013.

Ten aanzien van 16/184477-12

Aangezien verdachte het onder 16/184477-12 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- Het proces-verbaal van aangifte van[aangever 3]namens de Albert Heijn te Vleuten, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 4-6 van het proces-verbaal met dossiernummer[dossiernummer 3].

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2013.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

16/656531-12, primair

op 26 november 2012 te Vleuten, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid levensmiddelen en bloemen met een totale waarde van 54,41 euro, toebehorende aan Albert Heijn gevestigd aan [adres] te Vleuten;

16/225315-12

op 3 november 2012 te Zeist met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie paar schoenen en laarzen, toebehorende aan Vroom en Dreesmann;

16/184477-12

op 3 april 2012 te Vleuten, gemeente Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 4 pakken rijst, toebehorende aan Albert Heijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

16/656531-12, 16/225315-12, 16/184477-12: telkens, diefstal.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek pro justitia van 7 februari 2013 van S.J. Hogerzeil, psychiater. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd.

Verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Zij is vanaf haar vijfde levensjaar gedurende meer dan twintig jaar slachtoffer geweest van systematische – psychische en seksuele – mishandeling en emotionele verwaarlozing. Bij haar is sprake van een posttraumatisch stressstoornis, een depressieve stoornis en een eetstoornis. Er is daarnaast sprake van afhankelijke en obsessief compulsieve persoonlijkheidstrekken. Voornoemde stoornissen waren alle aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en de ten laste gelegde feiten kunnen hieruit worden verklaard. De onderzoeker concludeert dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

De rechtbank neemt de conclusie uit het rapport van de psychiater over en oordeelt dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Overeenkomstig dit oordeel kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 88 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht – met een meldingsgebod en een behandelverplichting bij een reguliere GGZ-instelling – en de verplichting dat verdachte gedurende de periode van een jaar niet zonder begeleider winkels zal betreden gevorderd.

De officier van justitie heeft voorts een geldboete van € 250,- gevorderd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De verdediging kan zich vinden in het overige deel van de eis.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft drie winkeldiefstallen gepleegd. De rechtbank acht dit onacceptabel. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder opleveren voor de gedupeerde bedrijven. Diefstallen kosten winkels, en daardoor ook het publiek, jaarlijks veel geld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor winkeldiefstallen, waaronder laatstelijk op 28 september 2012;

- een haar betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 29 maart 2013 opgesteld door M. Bongenaar, reclasseringswerker, waaruit blijkt dat verdachte een hoogopgeleide getrouwde vrouw is, die werkzaam is als juridisch medewerker en geen schulden of verslavingen heeft. Bij verdachte is wel sprake van persoonlijkheidsproblematiek. Geadviseerd wordt om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met een meldingsgebod en een behandelverplichting bij een reguliere GGZ instelling;

- een haar betreffend psychiatrisch onderzoek pro justitia, d.d. 7 februari 2013, opgesteld door S.J. Hogerzeil, psychiater, waaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van een posttraumatisch stressstoornis, een depressieve stoornis, een eetstoornis en van afhankelijke obsessief compulsieve persoonlijkheidstrekken. Geadviseerd wordt om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met een poliklinische psychiatrische behandeling binnen de reguliere GGZ.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 88 dagen voorwaardelijk en een geldboete van € 250,- gevorderd. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en met name gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank een andere straf opleggen dan dat door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank weegt daarbij in het bijzonder mee dat bij verdachte sprake is van psychische problematiek en dat zij enkel daardoor winkeldiefstallen pleegt. Voorts is voor verdachte haar baan haar enige houvast. Een gevangenisstraf zou haar baan in gevaar brengen en een werkstraf zou in verdachtes geval ook een risico vormen. Bovendien is de rechtbank van mening dat een gevangenisstraf of een taakstraf in het geval van verdachte geen meerwaarde heeft.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000,- passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding om deze boete geheel voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze voorwaardelijke straf maakt tevens een verplichte begeleiding door de reclassering, poliklinische behandeling bij een reguliere GGZ-instelling en de verplichting om het eerstkomende jaar niet zonder begeleiding een winkel te betreden, mogelijk.

9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden toegewezen en dat de gevangenisstraffen daarbij moeten worden omgezet in werkstraffen.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van 16/202236-10

Bij de stukken bevindt zich de op 8 november 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/202236-10, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 4 maart 2011 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voornoemde proeftijd is bij vonnis d.d. 10 november 2011 van de politierechter Utrecht met een jaar verlengd.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin echter, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdacht, geen aanleiding de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van twee weken te gelasten. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen zij hiervoor onder 8.3 heeft overwogen. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.

Ten aanzien van 16/206351-11

Bij de stukken bevindt zich de op 8 november 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/206351-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 10 november 2011 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf van vier weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin echter, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen aanleiding de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van twee weken te gelasten. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen zij hiervoor onder 8.3 heeft overwogen. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

telkens, diefstal;

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000,- (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 60 dagen;

beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

beveelt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de voorwaarden houdt;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

* zich onmiddellijk moet melden bij Reclassering Nederland aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich daarna moet blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dat nodig acht;

* zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens die reclasseringsinstelling, zolang deze instelling dat nodig vindt;

* zich poliklinisch moet laten behandelen bij een reguliere GGZ-instelling;

* gedurende het eerste jaar van de proeftijd enkel onder begeleiding een winkel zal betreden;

geeft aan genoemde instelling opdracht veroordeelde bij de naleving van die voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/202236-10;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/206351-11;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter,

mrs. P.W.G. de Beer en Y.A.T. Kruijer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2013.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

16/656531-12

primair

zij op of omstreeks 26 november 2012 te Vleuten, althans in het arrondissement

Utrecht , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een hoeveelheid levensmiddelen en/of bloemen (met een totale waarde van 54,41

euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert

Heijn (gevestigd aan [adres] te Vleuten), in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

zij op of omstreeks 26 november 2012 te Vleuten, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk een hoeveelheid levensmiddelen en/of bloemen (met een

totale waarde van 54,41 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan supermarkt Albert Heijn (vestiging [adres]), in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren)

verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen

onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren)

te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat / die

goed(eren) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

16/225315-12

zij op of omstreeks 3 november 2012 te Zeist met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie, althans één of meer,

pa(a)r(en) schoenen en/of laarzen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Vroom en Dreesmann, in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

16/184477-12

zij op of omstreeks 3 april 2012 te Vleuten, gemeente Utrecht met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 4 pakken rijst, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.