Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1734

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
16/659136-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is voor een diefstal, een vernieling, een diefstal met geweld en een belediging veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden. Omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan onderzoek door een psychiater, een psycholoog of de reclassering waardoor geen informatie is bekend geworden over de psychische problematiek bij verdachte is deze straf de juiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/659136-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in het PPC te Vught.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 14 mei 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter terechtzitting is verschenen mr. E. Uijt de Boogaardt, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.C.M. Poland en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 december 2012 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen

- een flatscreen televisie en/of afstandsbediening (merk Samsung)

- een Nintendo WII inclusief toebehoren en/of

- een spaarpot met daarin kleingeld en/of

- een fotocamera (merk Samsung) en/of

- vier, in ieder geval één of meerdere mobiele telefoon(s) (merk Nokia en/of Samsung) en/of

- twee, in ieder geval één of meerdere paar schoenen (merk Shimano en/of Dita Turf) en/of

- een mediaspeler (Apple Ipod) en/of dockingstation en/of

- een spelcomputer (Nintendo Ds Lite) en/of vijftien, in ieder geval één of meerdere (bijbehorende) spel(len) en/of

- luidsprekers (merk Trust) en/of

- twee, in ieder geval één of meerdere afstandsbediening(en) en/of

- een fietssleutel en/of

- twee, in ieder geval één of meerdere horloge(s) en/of

- twee, in ieder geval één of meerdere bril(len) en/of

- een doos bestemd voor een Apple Iphone,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

2.

hij op of omstreeks 8 januari 2013 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk een pc-monitor (merk Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan SNS Bank Flevoland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3.

hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] Almere, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte - die door die [slachtoffer 2] was vastgepakt bij de armen – zich heeft losgerukt uit die greep door hevig met zijn armen te zwaaien en/of te draaien.

4.

hij op of omstreeks 20 januari 2013 in de gemeente Almere, opzettelijk mishandelend [getuige 1] (met kracht) met zijn elleboog een stoot op/tegen de/het borst(been) heeft gegeven, waardoor voornoemde [getuige 1]letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

5.

hij op of omstreeks 1 februari 2013 in de gemeente Almere, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], werkzaam als hoofdagent bij de politie Midden-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd, immers heeft hij, verdachte in de richting van het gezicht van die [verbalisant 1] en/of op de hand van die [verbalisant 1] gespuugd.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging van feit 1 in de tweede regel [straatnaam] in plaats van "[adres]". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte onder feit 4 tenlastegelegde. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het aannemelijk is dat verdachte door de bij hem aanwezige psychische problematiek niet meer weet of hij dit feit heeft gepleegd. Daardoor is alleen de verklaring van aangever als bewijs voor dit feit in het dossier voorhanden. Verdachte dient wegens gebrek aan wettig bewijs van feit 4 te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het onder feit 5 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat het aannemelijk is dat verdachte gelet op zijn gemoedstoestand op het moment van het plegen van dat feit in een psychose zat. Daarom kan niet bewezen worden dat verdachte dit feit opzettelijk heeft gepleegd.

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit voor zover dit feit ziet op de bij de inbraak weggenomen flatscreen televisie en de bij die televisie behorende afstandsbediening. De overige in de tenlastelegging vermelde goederen zijn niet bij verdachte aangetroffen. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze goederen in zijn bezit heeft gehad, omdat deze niet bij het pandjeshuis zijn aangeboden, wat van iemand als verdachte verwacht mag worden dat hij zou doen. Verdachte dient van het onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken voor zover dit feit betrekking heeft op de overige weggenomen goederen, aldus de verdediging.

Tot slot heeft de verdediging zich voor wat betreft een bewezenverklaring van feit 2 en feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 4

De rechtbank overweegt dat verdachte bij de politie niet heeft bekend dat hij de onder feit 4 ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd. De verklaring van aangeefster [getuige 1] wordt niet ondersteund door de verklaring van een getuige dan wel door enig ander bewijsmiddel in het dossier. Nu de verklaring van aangeefster alleen onvoldoende wettig bewijs voor een bewezenverklaring oplevert zal de rechtbank verdachte van het onder feit 4 tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [aangeefster] heeft bij de politie namens haar zoon benadeelde [slachtoffer 1] aangifte gedaan van een inbraak in de woning aan de [adres] te Almere. Op 31 december 2012 om 15.00 uur was de woning nog intact en deugdelijk afgesloten. Toen aangeefster op 2 januari 2013 in de woning kwam zag zij dat er een gat in de ruit van de deur naar de binnenplaats zat en dat er glasscherven en een kapotte bloempot in de keuken lagen.

Bij de inbraak werden de goederen weggenomen, welke in de tenlastelegging staan vermeld.

Getuige [getuige 1], woonbegeleidster bij het hostel aan de [straatnaam] in Almere, heeft bij de politie verklaard dat zij op 31 december 2012 iets voor twaalf uur door haar collega [A] in kennis werd gesteld dat de bewoner van het hostel [verdachte] met een televisie het hostel binnen was komen lopen. [verdachte] kwam op 31 december 2012 rond 23.40 uur met een zwaar gevulde tas het hostel binnen. Hij leek aan zijn hand gewond. Even later ging hij weer naar buiten en kwam vervolgens met een grote tv onder zijn arm binnen.

Deze bevindingen worden ondersteund door hetgeen verbalisant [verbalisant 2] op de camerabeelden van het hostel d.d. 31 december 2012 heeft waargenomen.

Getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat zij had gezien dat [verdachte] op 3 januari 2013 de televisie in de afvalcontainer gooide.

De televisie is daarop op 3 januari 2013 door de politie veiliggesteld. Het bleek te gaan om een zwarte flatscreen televisie van het merk Samsung met serienummer [serienummer] Desgevraagd gaf de vader van de benadeelde aan dat de weggenomen televisie een Samsung betrof met het serienummer [serienummer] Deze gegevens komen overeen met de bij het hostel veiliggestelde televisie (de rechtbank beschouwt het ontbreken van een 4 op plaats zes in deze (getallen)reeks, mede gelet ook op de inhoud van de andere bewijsmiddelen als een kennelijke verschrijving).

[verbalisant 3] werd op 22 januari 2013 bij het hostel in Almere aangesproken door

getuige[getuige 1]. [getuige 1] gaf aan dat zij goederen die door [verdachte] werden weggegooid uit de container had gehaald. Bij deze goederen zaten drie afstandbedieningen van UPC, Samsung en JVC NX-3. De afstandsbedieningen zijn aan de vader van de benadeelde getoond. De vader verklaarde dat deze afstandsbedieningen uit de woning van zijn zoon kwamen. De afstandsbediening van het merk Samsung hoorde bij de televisie die ook bij de inbraak was gestolen.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat de inbraak in de woning aan de [adres] is gepleegd na 31 december 2012 om 15.00 uur. Op 31 december 2012 rond middernacht wordt verdachte met de bij de inbraak weggenomen flatscreen televisie gezien, alsmede met een volle tas. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de woninginbraak en het aantreffen van de bij die woninginbraak weggenomen televisie bij verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze woninginbraak heeft gepleegd. Nu de overige weggenomen goederen relatief kleine goederen zijn welke qua formaat in een tas meegenomen kunnen worden, op 22 januari 2013 blijkt dat de bij de flatscreen behorende afstandbediening en twee andere afstandsbedieningen die bij de inbraak zijn weggenomen in het bezit van verdachte waren en verdachte op 31 december 2012 naast de televisie met een volle tas wordt gezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook de overige goederen bij de woninginbraak heeft weggenomen. Dat van die goederen alleen de afstandsbedieningen in het bezit van verdachte zijn aangetroffen en bij het pandjeshuis geen spullen die bij deze woninginbraak zijn weggenomen door verdachte zijn aangeboden doet daar niet aan af.

De rechtbank acht aldus het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring feit 2

Aangever[aangever]heeft namens SNS Bank Flevoland te Almere aangifte gedaan. Aangever verklaarde dat er op 8 januari 2013 een man de SNS Bank binnenkwam. Aangever zat achter de pc en de man zat tegenover hem. De man wenste zijn rekening bij de bank op te zeggen. Aangever had de identiteitskaart van de man getoond gekregen en de persoon bleek te zijn [verdachte], geboren op [1978]. Toen aangever vertelde dat hij de rekening van de man niet kon opheffen zag hij dat de man reageerde. [verdachte] pakte met beide handen de onderzijde van de tafel vast en tilde deze met kracht op van de grond. De houten tafel kantelde en de pc-monitor viel op de grond. De pc-monitor was onbruikbaar beschadigd. Het betrof een pc-monitor van het merk Samsung.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 8 januari 2013 dienst had bij de SNS Bank in Almere. Hij zag [verdachte] binnen komen. Zijn collega Rabah riep [verdachte] bij zich om hem te helpen. [verdachte] nam plaats op de stoel tegenover collega Rabah en [getuige 2] hoorde hem zeggen dat hij zijn rekening wilde opheffen. Rabah zei dat dat niet kon en [verdachte] werd boos. [verdachte] pakte met beide handen de tafel vast en trok deze omhoog met het gevolg dat het beeldscherm op de grond viel. De monitor was door de val helemaal kapot gegaan.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangever en de verklaring van de getuige wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 januari 2013 een pc-monitor van SNS Bank Flevoland heeft vernield.

Bewezenverklaring feit 3

Aangever [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 9 januari 2013 werkzaam was in de [bedrijf]te Almere. Aangever zag op de camera’s een persoon die hem opviel naar de kassa’s lopen. Toen deze persoon door de poortjes liep zag aangever gelijktijdig op de alarmpoortjes de lampjes knipperen. Aangever is naar de informatiebalie gelopen waar deze persoon stond en hij zag dat de persoon een doosje van een telefoon tussen hem en de informatiebalie inklemde. Aangever had het doosje met een telefoon gepakt. Er zat geen beveiliging (spinner) meer op het doosje. Aangever had de armen van de persoon vastgepakt. De persoon probeerde zich van aangever los te rukken door hevig met zijn armen te zwaaien en te draaien. De persoon raakte hierdoor los en rende weg.

Op de afdeling telecom zag aangever in een hoekje de spinner liggen die om het doosje van de telefoon zat. Het doosje dat aangever van de persoon had teruggepakt miste in het schap.

Het betrof een mobiele telefoon van het merk Nokia.

[verbalisant 3] herkende op de bewakingsbeelden de getoonde persoon als [verdachte].

Getuige [getuige 3], verkoper bij de [bedrijf] in Almere , heeft bij de politie verklaard dat op 9 januari 2013 [slachtoffer 2] moeite had om een man staande te houden. Getuige zag dat de man zich losrukte van [slachtoffer 2].

De rechtbank acht op grond van de aangifte, welke wordt ondersteund door de verklaring van de getuige, en de herkenning door de verbalisant de onder feit 3 ten laste gelegde diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring feit 5

[verbalisant 1], hoofdagent van politie Midden-Nederland, heeft gerelateerd dat hij op 1 februari 2013 op het hoofdbureau in Almere had geholpen met de insluiting van verdachte [verdachte]. Toen de insluiting was afgerond liepen de collega’s de cel uit. De Jong zag dat verdachte [verdachte] hierop direct opsprong en een agressieve houding richting hem aannam. Verdachte keek De [verbalisant 1] in de ogen aan en hij spuugde vervolgens richting het gezicht van De [verbalisant 1]. De [verbalisant 1] kon net zijn vuist omhoog halen. De spuug van verdachte [verdachte] kwam op zijn linkervuist terecht. De [verbalisant 1] voelde zich hierdoor in zijn goede eer en naam aangerand.

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5]relateren dat toen de collega’s de cel van [verdachte] uitliepen zij zagen dat [verdachte] snel opstond en tufte in de richting van het gezicht van collega [verbalisant 1]. De rochel kwam op de hand van De Jong terecht.

De rechtbank overweegt dat door drie verbalisanten is geconstateerd dat op het moment dat de collega’s de cel uitliepen verdachte snel opstond en vervolgens naar De Jong spuugde, waarbij verdachte mikte op het gezicht van De Jong. Deze omstandigheden duiden erop dat verdachte opzettelijk heeft gespuugd in de richting van De [verbalisant 1]. Voor zover de rechtbank de psychische problematiek van de verdachte kan beoordelen staat dit aan opzettelijk handelen door verdachte niet in de weg. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de raadsvrouw op dit punt.

De rechtbank acht op basis van voornoemd bewijs het onder feit 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 31 december 2012 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in de woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen

- een flatscreen televisie en afstandsbediening (merk Samsung)

- een Nintendo WII inclusief toebehoren en

- een spaarpot met daarin kleingeld en

- een fotocamera (merk Samsung) en

- vier mobiele telefoons (merk Nokia en Samsung) en

- twee paar schoenen (merk Shimano en Dita Turf) en

- een mediaspeler (Apple Ipod) en dockingstation en

- een spelcomputer (Nintendo Ds Lite) en vijftien (bijbehorende) spellen en

- luidsprekers (merk Trust) en

- twee afstandsbedieningen en

- een fietssleutel en

- twee horloges en

- twee brillen en

- een doos bestemd voor een Apple Iphone,

toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

2.

op 8 januari 2013 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk een pc-monitor (merk Samsung), toebehorende aan SNS Bank Flevoland, heeft vernield.

3.

op 9 januari 2013 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia), toebehorende aan [bedrijf] Almere, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte - die door die [slachtoffer 2] was vastgepakt bij de armen – zich heeft losgerukt uit die greep door hevig met zijn armen te zwaaien en te draaien.

5.

op 1 februari 2013 in de gemeente Almere, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], werkzaam als hoofdagent bij de politie Midden-Nederland, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd, immers heeft hij, verdachte in de richting van het gezicht van die [verbalisant 1] en op de hand van die [verbalisant 1] gespuugd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten

voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in

zijn verdediging geschaad.

Van het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 5 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Ten aanzien van feit 5:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat een gevangenisstraf de enige strafrechtelijke optie is nu verdachte niet aan het psychologisch en psychiatrisch onderzoek heeft willen meewerken en ook niet in gesprek heeft willen gaan met de reclassering, waardoor geen informatie is verkregen over de psychische problematiek bij verdachte en de noodzakelijke behandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf naar voren gebracht dat er sprake is van ernstige problematiek bij verdachte en dat een gevangenisstraf geen oplossing biedt. De raadsvrouw heeft de officier van justitie daarom verzocht om buiten de zitting om naar andere mogelijkheden voor hulp aan verdachte om te zien.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal ernstige strafbare feiten. Met het plegen van deze feiten heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor andere mensen of andermans eigendommen.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 4 februari 2013 volgt dat verdachte eerder meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder met name vermogensdelicten. Uit de door de psychiater d.d. 22 april 2013, de door de psycholoog d.d. 15 april 2013 en de door de reclassering d.d. 22 april 2013 opgemaakte rapporten maakt de rechtbank op dat verdachte niet heeft willen meewerken aan enig onderzoek naar zijn persoon. Er is de rechtbank daardoor weinig tot niets bekend over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en over de al dan niet aanwezige psychiatrische en/of psychologische problematiek en de ernst daarvan. Dat bij verdachte sprake is van psychiatrische dan wel psychische problematiek in welke mate dan ook acht de rechtbank op basis van het dossier echter wel aannemelijk. Wellicht is een behandeling nodig om de kans op het wederom plegen van strafbare feiten in de toekomst te verminderen. Gelet echter op hetgeen bij de rechtbank aan strafrechtelijke informatie voorhanden is kan de rechtbank een dergelijke behandeling in het kader van deze strafzaak niet opleggen. Op dit moment kan zij niet anders dan verdachte afstraffen. Zij zal dat dan ook doen en verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van negen maanden.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat de officier van justitie wellicht van de haar wettelijk gegeven bevoegdheid gebruik kan maken om op basis van de Wet-BOPZ een rechterlijke machtiging voor verdachte aan te vragen. De rechtbank kan zich voorstellen dat als daar positief op wordt beslist de executie van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgeschort, zodat verdachte in het kader van de rechterlijke machtiging de behandeling krijgt die nodig geacht zal zijn.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 266, 267, 310, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 4 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 5 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 5 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Vegter, voorzitter, mrs. D.A.C. Koster en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.

Mr. Ferschtman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.