Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1717

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
07.660062-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van een poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling wegens gebrek aan bewijs. Verdachte is wel veroordeeld voor het slaan met een bierflesje op het hoofd van aangeefster, wat naar het oordeel van de rechtbank een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 07.660062-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

voorlopig postadres: [adres] te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 14 mei 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.A.M. Drubbel, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kamper en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Ens, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp voorwerp, steekbewegingen en/of snijbewegingen richting/bij de hals/keel van die [benadeelde] heeft gemaakt en daarbij opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je af!" en/of "Ik maak je dood, kankerhoer!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Ens, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans met een scherp voorwerp, steekbewegingen en/of snijbewegingen richting/bij de hals/keel van die [benadeelde] heeft gemaakt en daarbij opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je af!" en/of "Ik maak je dood, kankerhoer!", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Ens, gemeente Noordoostpolder, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snijwond in de rechterduim en/of een snijwond in de teen van de linkervoet en/of een snijwond in het gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen met een (leeg) bierflesje op/tegen het hoofd en/of in het gezicht te slaan en/of (met kracht) aan haar haar te trekken en/of (vervolgens) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de teen en/of de duim te snijden/steken;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 februari 2012 te Ens, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen met een (leeg) bierflesje op/tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen en/of (met kracht) aan haar haar heeft getrokken en/of (vervolgens) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de teen en/of de duim heeft gesneden/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en vordert om verdachte van deze feiten vrij te spreken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [benadeelde] en op de verklaring van verdachte dat hij aangeefster met een bierflesje heeft geslagen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet wordt ondersteund door de in het dossier aanwezige getuigenverklaringen of door enig ander bewijsmiddel. Daarom kan op basis van de inhoud van het dossier op geen enkele wijze hard gemaakt worden dat verdachte aangeefster van het leven wilde beroven dan wel dat hij haar (opzettelijk) lichamelijk letsel in welke gradatie dan ook wilde toebrengen. De raadsman heeft verzocht om verdachte van de genoemde ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair en feit 1 subsidiair

De rechtbank overweegt dat op basis van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat aangeefster [benadeelde] tijdens de ruzie tussen aangeefster en verdachte op

18 februari 2012 verwondingen heeft opgelopen. De medische verklaring vermeldt niet waardoor deze verwondingen zijn ontstaan. Aangeefster heeft zelf verklaard dat zij deze verwondingen heeft opgelopen toen de verdachte een mes in zijn hand had, hij daarmee stekende/snijdende bewegingen naar haar maakte en zij het mes afweerde. Voor de verklaring van aangeefster dat verdachte een mes in zijn hand heeft gehad is in het dossier echter geen ondersteunend bewijs voorhanden. Zowel de medische verklaring als de verklaringen van de getuigen bieden die ondersteuning niet. Aldus kan niet bewezen worden dat verdachte een mes in zijn hand heeft gehad en dat hij met dat mes steekbewegingen en/of snijdende bewegingen naar aangeefster heeft gemaakt, waarmee verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling.

De rechtbank zal verdachte daarom van het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Vrijspraak feit 2 primair

Onder feit 2 primair is aan verdachte tenlastegelegd dat hij aangeefster zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door met een mes in haar teen en/of duim te snijden/steken, door met een (leeg) bierflesje op/tegen haar hoofd en/of in haar gezicht te slaan waardoor zij een snijwond in haar gezicht heeft opgelopen en door (met kracht) aan haar haren te trekken.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat zij niet bewezen acht dat verdachte een mes in zijn hand heeft gehad en dat hij daarmee snijdende en/of stekende bewegingen richting aangeefster heeft gemaakt. Het onder feit 2 primair tenlastegelegde kan dus niet bewezen worden verklaard voor zover dit feit op deze vermeende handelingen van verdachte ziet.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte heeft bekend dat hij aangeefster met een bierflesje heeft geslagen, maar dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat dit bierflesje tijdens het slaan is gebroken en aangeefster daardoor een snijwond in haar gezicht heeft opgelopen. Feit 2 primair kan daarom ook niet bewezen worden verklaard voor zover dit feit op deze vermeende handeling van verdachte betrekking heeft.

De rechtbank overweegt tot slot dat nu het (met kracht) aan de haren van aangeefster trekken -hetgeen verdachte heeft bekend- in de onderhavige zaak niet heeft geleid tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster, feit 2 primair ook op dit laatste punt niet bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank zal verdachte aldus van het onder feit 2 primair tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 2 subsidiair

Aangeefster [benadeelde] heeft bij de politie verklaard dat zij op 18 februari 2012 bij [verdachte] in de woning aan de [adres] te Ens, gemeente Noordoostpolder , was en dat zij ruzie hadden. Aangeefster was op bed gaan liggen. [verdachte] had haar wakker gemaakt en hij had gezegd dat ze weg moest gaan. Aangeefster zag dat [verdachte] een leeg bierflesje pakte dat aan het hoofdeinde van het bed stond. [verdachte] sloeg meerdere malen met het lege bierflesje op haar hoofd. Aangeefster verklaarde dat zij zeker wist dat [verdachte] meer dan vijf keer met het lege bierflesje op haar hoofd had geslagen. Zij voelde hierdoor hevige pijn.

Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster twee keer met een bierflesje op haar hoofd heeft geslagen.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 februari 2012 meerdere malen met een leeg bierflesje op het hoofd van

[benadeelde] heeft geslagen.

De rechtbank overweegt dat het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel is van het lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met een hard voorwerp slaan op het hoofd kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Een bierflesje valt als een dergelijk hard voorwerp aan te merken. Verdachte heeft in de onderhavige zaak meerdere malen -in ieder geval tweemaal- met een bierflesje op het hoofd van aangeefster geslagen. Dit levert dan ook naar het oordeel van de rechtbank een poging tot zware mishandeling op. De rechtbank acht daarmee het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 2 subsidiair voor zover dit feit ziet op het (met kracht) aan de haren trekken van aangeefster en op het met een mes in de teen en/of duim steken/snijden van aangeefster, nu naar het oordeel van de rechtbank (zoals reeds overwogen) niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte met een mes snijdende en/of steekbewegingen richting aangeefster heeft gemaakt en het (met kracht) aan de haren trekken in de onderhavige zaak niet de kwalificatie poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

Subsidiair

op 18 februari 2012 te Ens, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen met een leeg bierflesje op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder feit 2 subsidiair meer of anders tenlastegelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

Geen noodweer(exces)

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweer(exces). De raadsman heeft naar voren gebracht dat er sprake is geweest van een uit de hand gelopen ruzie tussen twee ex-partners en dat aangeefster zich tijdens die ruzie niet onbetuigd heeft gelaten. Uit het dossier volgt dat aangeefster de ruzie is begonnen en dat verdachte zich slechts heeft verweerd toen hij door aangeefster werd aangevallen, aldus de raadsman.

De rechtbank is op basis van de verklaringen in het dossier van oordeel dat er geen sprake is van een begin van aannemelijkheid dat verdachte zich tijdens de ruzie moest verweren tegen aangeefster. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij heeft gehandeld in een reactie op de beweerde gedragingen van aangeefster. Verdachte heeft niet verklaard dat hij zich tegen deze gedragingen van aangeefster diende te verdedigen. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen is dan ook niet gebleken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman op dit punt.

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen waarvan 22 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van

100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen een schuldigverklaring zonder strafoplegging bepleit. De raadsman heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte na zijn aanhouding in totaal elf dagen heeft vastgezeten en dat er gelet op hetgeen zich tussen verdachte en aangeefster heeft afgespeeld voor verdere straf geen ruimte is.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft tijdens een ruzie met zijn (inmiddels ex-)vriendin met een bierflesje op haar hoofd geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn gehad. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Dat dit geweld in de huiselijke sfeer binnen een relatie, waar je je veilig moet kunnen voelen, heeft plaatsgevonden neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

De rechtbank maakt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte

d.d. 19 april 2013 op dat verdachte twee keer eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten in de huiselijke sfeer.

Gelet op de ernst van het feit en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een passende sanctie is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen. De rechtbank overweegt daarbij dat ondanks dat uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat verdachte en zijn vriendin op dit moment geen relatie hebben niet kan worden uitgesloten dat zij in de (nabije) toekomst weer bij elkaar komen dan wel dat verdachte een nieuwe relatie krijgt. Een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd van drie jaar is daarom geïndiceerd om verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen waarvan 22 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van drie jaar en een werkstraf voor de duur van 100 uur te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen als verdachte deze werkstraf niet of niet naar behoren verricht.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde] – daartoe vertegenwoordigd door mr. E.S. Reitsma – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 6.321,35, waarvan € 1.821,35 ter zake van materiële schade en € 4.500 ter zake van immateriële schade. Een bedrag van € 186,00 ziet op de gevorderde kosten voor rechtsbijstand.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting haar vordering verhoogd met een bedrag van

€ 33,60. Dit bedrag ziet op de reiskosten van en naar de rechtbank voor de extra zitting op

14 mei 2013. Derhalve wordt in totaal een bedrag van € 6.354,95 aan schadevergoeding gevorderd, alsmede de vergoeding van de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding. De officier van justitie heeft daartoe betoogd dat de vordering tot schadevergoeding ziet op alle aan verdachte ten laste gelegde feiten en dat niet eenvoudig kan worden vastgesteld welke schade de benadeelde partij concreet heeft geleden ten gevolge van het feit dat volgens de officier van justitie bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. De verdediging heeft daartoe naar voren gebracht dat de vordering te gecompliceerd is om in de strafzaak te kunnen worden meegenomen, omdat ten minste de eigen schuld van de benadeelde moet worden meegewogen en omdat nergens uit blijkt dat de opgevoerde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[benadeelde] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 624,80, waarvan € 124,80 voor de reiskosten en € 500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil. Ten aanzien van de reiskosten is de rechtbank daarbij uitgegaan van een tweetal bezoeken aan de politie (2 x 70 km = 140 km), 3 bezoeken aan haar advocaat (3 x 80 km = 240 km, waarbij als uitgangspunt geldt dat er sprake is van vrije keuze van advocaat), alsmede van het tweemaal bijwonen van een zitting van de rechtbank (2 x 70 = 140 km), totaal derhalve 520 km à € 0,24 = € 124,80. Voor zover de vordering van de benadeelde partij ziet op andere reiskosten zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren, nu het bijwonen van de extra terechtzitting niet een afstand van 140, maar van 70 km, betreft en nu de rechtbank geen directe relatie aanwezig acht tussen het bezoeken van een psycholoog en het ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal mitsdien de vordering tot een bedrag van € 624,80 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd tot die van de voldoening.

De rechtbank wijst de vordering voorts toe voor zover deze ziet op het ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand gevorderde bedrag van € 186,00.

De vordering van de benadeelde partij dient voor het meerdere te worden afgewezen, nu de gevraagde vergoedingen voor huishoudelijke hulp, verlies van zelfredzaamheid, taxikosten, make-up en het resterende deel van het smartengeld, geen rechtstreeks gevolg zijn van het specifiek bewezen verklaarde handelen door verdachte, te weten het slaan met een bierflesje op het hoofd.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag van

€ 624,80 zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit feit zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 22 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 100 uur;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 624,80 (zegge: zeshonderdvierentwintig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 18 februari 2012, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 624,80 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[benadeelde], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte voorts tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 186,00 (zegge: honderdzesentachtig euro) voor de gevorderde kosten rechtsbijstand;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in het overige deel van haar vordering voor zover die betrekking heeft op vergoeding van overige opgevoerde reiskosten;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mrs. D.A.C. Koster en

M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.

Mr. Ferschtman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.