Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1661

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
16/656484-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige. Gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek en met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/656484-12 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 31 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1934],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. C.H. Zuur, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 24 oktober 2011 tot en met 6 mei 2012 te [woonplaats] ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer].

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de verhoren van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte. De officier van justitie merkt daarbij op zij enkel bewezen acht de eerste vier van de acht ten laste gelegde feitelijkheden. Hoewel er ook voor de overige feitelijkheden voldoende wettig bewijs is, acht de officier van justitie voor dat deel van de tenlastelegging – in verband met de inhoud van het tweede studioverhoor van [slachtoffer] – onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het bewijs aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Het bewijs

De rechtbank baseert haar oordeel op de hierna volgende bewijsmiddelen.

[X] heeft verklaard dat [slachtoffer] op 6 mei 2012 aan haar vertelde dat haar baas op stage aan haar zat en haar kusjes gaf.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij na de herfstvakantie stage ging lopen en dat haar baas de hele tijd aan haar zat. Hij betaste – aaide en wreef – en likte haar borsten. Dit deed hij soms op haar kleding en soms onder haar kleding. Ook tongzoende hij haar. Hij draaide dan met zijn tong rondjes in haar mond.

Uit contact met de school van [slachtoffer] blijkt dat zij vanaf 24 oktober 2011 stage is gaan lopen bij [naam] te [woonplaats] en dat zij aldaar werd begeleid door de eigenaar van het bedrijf.

Uit de akte van geboorte blijkt dat [slachtoffer] is geboren op [1996].

Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van 24 oktober 2011 tot en met 6 mei 2012 op zijn bedrijf te [woonplaats] zijn stagiaire [slachtoffer] meermalen heeft gezoend. Daarbij kwam het ook voor dat de tongen van verdachte en [slachtoffer] tegen elkaar aan kwamen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij haar blote borsten heeft betast, gestreeld en gekust. Verdachte wist dat [slachtoffer] minderjarig was.

4.3.2 Aanvullende overwegingen

De rechtbank acht, gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft gezoend en getongzoend (in de betekenis dat de tongen elkaar hebben aangeraakt maar niet dat de tongen in elkaars mond zijn gekomen) en dat hij haar (blote) borsten heeft betast, gekust en gelikt.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar billen en vagina heeft betast, zijn penis door haar heeft laten betasten en neukbewegingen heeft gemaakt tegen haar billen. Hoewel [slachtoffer] hierover wel heeft verklaard ontkent verdachte dit ten stelligste. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van voornoemde feitelijkheden onvoldoende betrouwbaar om te kunnen spreken van voldoende overtuigend bewijs.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 24 oktober 2011 tot en met 06 mei 2012 te [woonplaats], gemeente De Bilt, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [1996],

immers heeft hij:

- die [slachtoffer] gezoend en getongzoend,

- de (blote) borsten van die [slachtoffer] betast,

- aan de blote borsten van die [slachtoffer] gelikt,

- de (blote) borsten van die [slachtoffer] gekust.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

ontucht plegen met een aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 182 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat daarbij als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een verlichte behandeling bij De Waag en een verbod op vrouwelijke stagiaires bij verdachte zijn bedrijf dienen te worden opgelegd.

De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, gevorderd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een verplichte behandeling bij De Waag en een verbod op vrouwelijke stagiaires bij zijn bedrijf op te leggen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft ontucht gepleegd met een zestienjarig meisje dat bovendien een laag IQ had. Voornoemd meisje liep bij hem, verdachte, stage en was aldus aan hem toevertrouwd.

De rechtbank acht dit zeer ernstig. Verdachte heeft door zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het meisje. Zodanig handelen kan de seksuele ontwikkeling van het meisje doorkruisen. Meisjes van die leeftijd en met zo’n beperking dienen zowel tegen zichzelf als tegen personen die op seksueel gebied misbruik van hen willen maken, te worden beschermd. Dat heeft verdachte niet gedaan, integendeel.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met:

- een de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 6 maart 2013, opgesteld door M. Hooijer, reclasseringswerker, inhoudende de conclusie dat verdachte op verschillende leefgebieden weinig problemen ervaart. Wat betreft de kans op recidive is er bij verdachte sprake van meerdere positieve beschermende factoren: hij heeft een gezond sociaal netwerk, goede huisvesting, een eigen bedrijf en een goede financiële situatie. Ook de schrik en schaamte van de strafzaak dragen bij aan een vermindering van de kans op recidive. Voorts erkent verdachte dat hij verkeerd heeft gehandeld en heeft hij spijt. De reclassering is echter van mening dat verdachte weinig inzicht heeft in zijn drijfveren ten aanzien van het feit.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 182 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar geëist. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij dit een passende en noodzakelijke straf. Deze deels voorwaardelijke straf heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden om nogmaals – een dergelijk – strafbaar feit te plegen. Mede gelet op de aard van het feit acht de rechtbank een proeftijd van drie jaar ook zeer passend.

De rechtbank ziet echter geen reden om aan voornoemde voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden. Nergens is uit gebleken dat verdachte lijdende is aan pedofilie of dat anderszins sprake is van factoren de verdachte betreffende, ten aanzien waarvan bijzondere voorwaarden noodzakelijk zijn. Dat verdachte weinig inzicht heeft getoond in zijn drijfveren ten aanzien van het feit maakt dit niet anders. Verdachte is een 79-jarige man, die een ‘normaal’ en nagenoeg ‘probleemloos’ leven leidt. Hij heeft uit lust een morele grens overschreden en is zich daar, zo is ter terechtzitting gebleken, terdege van bewust. Bovendien heeft hij zijn welgemeende spijt betuigd.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, alsook de fysieke beperkingen van de verdachte, acht de rechtbank ook een werkstraf niet op zijn plaats.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ontucht plegen met een aan zijn opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 182 (honderdtweeëntachtig) dagen;

beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

beveelt dat een gedeelte, groot 180 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

beveelt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.A.A.T. Engbers en P.W.G. de Beer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 mei 2013.

Mr. M.A.A.T. Engbers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 oktober 2011

tot en met 06 mei 2012 te [woonplaats], gemeente De Bilt,, althans in

het arrondissement Utrecht,

ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [1996],

immers heeft hij:

- die [slachtoffer] gezoend en/of getongzoend,

- de (blote) borsten van die [slachtoffer] betast,

- aan de blote borsten/tepels van die [slachtoffer] gelikt,

- de (blote) borsten van die [slachtoffer] gekust

- de vagina van die [slachtoffer] betast,

- de billen van die [slachtoffer] betast,

- haar hand op zijn penis gelegd, althans zijn penis door haar laten betasten

en/of

- zijn penis tegen de billen van die [slachtoffer] gedrukt en/of

neukbewegingen/draaiende bewegingen gemaakt.