Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1572

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
UTR 13/2712
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo evenementenvergunning studentenvereniging

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen besluit waarbij evenementenvergunning is verleend aan studentenvereniging C.S. Veritas is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/2712

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

de Stichting Behoud Lepelenburg en Omgeving, te Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),

en

de burgemeester van Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Oosterwegel).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft verweerder aan studentenvereniging C.S. Veritas (de vergunninghouder) een evenementenvergunning verleend voor het evenement Benefiet-concert Veritas op 1 juni 2013 in het park Lepelenburg van 13:00 uur tot 21:00 uur.

Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en de verleende vergunning te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2013. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door drs. [A], secretaris-penningmeester. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Namens de vergunninghouder zijn verschenen [B] en [C].

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tot doel heeft het behartigen in de ruimste zin van de belangen van de bewoners en andere belanghebbenden in de omgeving van het Lepelenburg in Utrecht. Verzoekster kan daarom als belanghebbende worden aangemerkt en is ontvankelijk in haar verzoek om een voorlopige voorziening.

3. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat ter zitting tussen partijen overleg heeft plaatsgevonden en verzoekster haar bezwaargrond voor zover deze ziet op het beschermen van de kroonprojecties van de bomen in het park, niet langer handhaaft.

4. Verzoekster betoogt dat het aan de vergunning verbonden geluidsvoorschrift is gestoeld op een onbevoegd opgestelde beleidsregel. De Beleidsregel geluidsnormen bij buitenevenementen (de Beleidsregel) is volgens verzoekster namelijk niet door de gemeenteraad vastgesteld en daarom onverbindend.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat de Beleidsregel is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Aan dat college is op grond van artikel 5:30 in samenhang met artikel 5:33 van de, door de raad van de gemeente Utrecht vastgestelde, Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (APV) de bevoegdheid toegekend om nadere regels vast te stellen met betrekking tot buitenevenementen. De Beleidsregel betreft zulke nadere regelgeving. Van een onbevoegd opgestelde beleidsregel is daarom geen sprake.

6. Verzoekster betoogt verder dat voormelde Beleidsregel niet is gemotiveerd. Volgens haar is geheel onduidelijk waarop de norm van maximaal 80 dB(A) en 95 dB(C) is gebaseerd. Langdurige blootstelling aan harde geluiden heeft nadelige effecten op de gezondheid en leidt tot gehoorschade. Verweerder heeft ten onrechte geen belangen-afweging ten aanzien van de vergunde maximale geluidsnorm verricht, aldus verzoekster.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan de verleende vergunning het voorschrift heeft verbonden dat het is toegestaan om versterkte muziek ten gehore te brengen tussen 13:00 en 21:00, mits het volume beperkt blijft tot maximaal 80 dB(A) en 95 dB(C) te meten op 100 meter loodrecht voor de geluidsbron. Dit geluidsvoorschrift komt overeen met de Beleidsregel. De voorzieningenrechter overweegt dat de Beleidsregel in 2009 is vastgesteld om geluidsoverlast voor omwonenden in verband met buitenevenementen te voorkomen of te verminderen. Uit de door verweerder overgelegde toelichting bij de Beleidsregel blijkt dat deze is gebaseerd op onderzoek dat is verricht door de firma dBControl, Event Noise Control & Research, in opdracht van de gemeente Utrecht. Dit om meer rekening te houden met de kenmerken van de hedendaagse muziek en de belangen van de omwonenden. Het advies, dat namens de firma is opgesteld door ir. [D], luidt voor de geluidsnorm Lepelenburg 80 dB(A) en 95 dB(C) op 100 meter afstand van de bron. Uit de Beleidsregel volgt dat aan deze norm een afweging van de belangen van de organisatoren van de evenementen enerzijds en die van de bewoners anderzijds ten grondslag ligt. In wat verzoekster heeft aangevoerd, zoals het ter zitting overgelegde mailbericht ‘geluidssterkte, dB(A) en afstand’ met daarin vooral een samenvatting van informatie van de website Wikipedia, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat deze gestelde geluidsnorm niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in dit geval die norm ook als uitgangspunt mogen nemen. Daarbij is van belang dat aan de vergunning nog andere geluidvoorschriften zijn verbonden. Zo dient de vergunninghouder ten minste elk uur geluidsmetingen te verrichten en hiervan een logboek met de gegevens te overleggen op 3 juni 2013. Tevens moeten de geluidsbronnen zodanig worden geplaatst dat het geluid gericht wordt, zodat zo min mogelijk geluidsoverlast wordt veroorzaakt voor omwonenden. Ook dient het opbouwen en afbreken van het evenement zoveel mogelijk plaats te vinden in de uren gelegen tussen 09.00 en 21.00 uur. In ieder geval mogen tussen 21.00 uur en 08.00 uur geen overlastveroorzakende opbouw- of afbreekactiviteiten worden uitgevoerd. Verder dienen de toestellen en installaties op zo groot mogelijke afstand van woningen te worden opgesteld en dient gebruik te worden gemaakt van geluidsarme of geluidsgedempte typen. De voorzieningenrechter begrijpt dat als gevolg van het evenement voor de in verzoekster verenigde omwonenden van het Lepelenburg ondanks deze aan de vergunning gestelde voorwaarden niettemin enige overlast kan ontstaan. Gelet op deze voorwaarden en het tijdelijke karakter van het evenement is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidsoverlast en van gehoorschade door het vergunnen van de maximale geluidsnorm. Verweerder heeft in de gestelde geluidsoverlast dan ook geen reden hoeven zien om de vergunning te weigeren.

8. Over de stelling van verzoekster dat verweerder het park Lepelenburg op zijn website heeft aangewezen als stiltegebied en het buitenevenement zich hiermee niet verdraagt, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder evenzeer op zijn website aangeeft dat parken, waaronder het Lepelenburg, voor evenementen kunnen worden gebruikt en dat stilte op zulke momenten niet aanwezig is. Deze stelling kan hierom niet worden gevolgd.

9. Verzoekster betoogt dat aan de verleende vergunning de voorwaarde had moeten worden verbonden dat de vergunninghouder er voor zorg draagt dat geen voertuigen in het park komen. Volgens verzoekster bestaat kans dat de grasmat wordt beschadigd, nu verweerder in strijd met gemeentelijke regelgeving aan de vergunning het voorschrift heeft verbonden dat begeleidende voertuigen op het terrein aanwezig mogen zijn als het desbetreffende voertuig actief wordt gelost of geladen. De APV regelt dat het is verboden met een voertuig door een park te rijden. Het college kan van dit verbod weliswaar ontheffing verlenen, maar volgens verzoekster heeft verweerder dit mandaat niet. Het voormelde aan de vergunning verbonden voorschrift is daarom in strijd met de APV en niet verbindend, aldus verzoekster.

10. In artikel 5:10, derde lid, van de APV, waarop verzoekster zich beroept, is neergelegd dat het college ontheffing kan verlenen van het verbod om met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of aangelegde beplanting of groenstrook.

De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de verleende vergunning het voorschrift is verbonden dat de vergunninghouder te allen tijde dient te zorgen dat schade aan het park wordt voorkomen. Waar met voertuigen in het park moet worden gereden dient gebruik te worden gemaakt van rijplaten. De vergunninghouder dient er verder rekening mee te houden dat 30 centimeter onder het maaiveld een drainagesysteem aanwezig is. Als er een heftruck of ander zwaar materiaal gebruikt moet worden, dient met gazonbanden te worden gereden. Verder zullen de kosten van het eventueel herstellen van beschadigingen aan het park en de grasmat op de vergunninghouder worden verhaald.

Verweerder heeft het Benefietconcert Veritas terecht aangemerkt als een evenement als bedoeld in artikel 5:30 van de APV. Verder heeft verweerder ter zitting terecht gewezen op artikel 5:39 in samenhang met artikel 5:28 van de APV, waaruit volgt dat voor een verleende evenementenvergunning niet afzonderlijk voor samenhangende activiteiten in verband met het evenement een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Anders dan door verzoekster betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college daarom geen ontheffing hoefde te verlenen van het rijverbod in verband met het op- en afbouwen van het evenement. Het voorschrift is dan ook niet in strijd met de APV. Voor het oordeel dat met dit aan de vergunning verbonden voorschrift geen passende bescherming voor het groen en de grasmat in park Lepelenburg wordt geboden, ziet de voorzieningenrechter geen grond.

11. Daargelaten de vraag of de verleende vergunning ziet op een groot of een middelgroot evenement en de vergunning volgens verweerders richtlijnen twaalf of zes weken van te voren dient te worden aangevraagd, zit tussen de aanvraag van 3 april 2013, de publicatie in het Gemeenteblad op 22 april 2013, het besluit van 23 mei 2013 en het geplande Benefietconcert Veritas op 1 juni 2013, weinig tijd. Hoewel begrijpelijk is dat verzoekster stelt dat daarom geen sprake is van een redelijke termijn om bezwaar tegen de verleende vergunning te maken, is de voorzieningenrechter, anders dan verzoekster heeft betoogd, van oordeel dat deze omstandigheid, na het afwegen van alle belangen, geen grond vormt om de vergunning te schorsen. Hiertoe wordt overwogen dat verzoekster tijdig haar zienswijze bij brief van 5 mei 2013 heeft kunnen indienen en verweerder hierop in het besluit gemotiveerd heeft gereageerd. De door verzoekster in bezwaar aangevoerde gronden verschillen ook niet wezenlijk van de zienswijze. Verder heeft verweerder relatief snel tot een gemotiveerd besluit kunnen komen omdat het evenement al stond gepland op de evenementenkalender en sprake is van een jaarlijks terugkerend evenement. Mede vanwege de ervaringen met het Benefietconcert Veritas op deze locatie in de voorgaande jaren is verweerder bekend met de relevante feiten en de belangen die in het park Lepelenburg en omgeving spelen. Daarnaast heeft verweerder, zoals ter zitting is opgemerkt, goede ervaringen met de organisatie.

12. Het voorgaande betekent dat het door verzoekster aangevoerde niet kan slagen. Of de aan de vergunning verbonden voorschriften tijdens het evenement worden nageleefd, is verder een handhavingskwestie, die in deze (vergunning)procedure niet aan de orde kan komen.

13. Er bestaat nu geen grond voor de verwachting dat het besluit in de bezwaarschrift-procedure niet in stand zal blijven en dat dit besluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.D.A. van Veghel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 mei 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.