Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1548

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
07.660387-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Verdachte lijdt aan paranoide waanvorming als gevolg van een ziekelijke stoornis schizofrenie.

De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht, locatie Lelystad

Parketnummer: 07.660387-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

wonende in[woonplaats],

thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Zwolle.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 12 maart 2013. Het onderzoek ter terechtzitting is opnieuw aangevangen op 23 april 2013, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. O. Bolluyt, advocaat te Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Zeilstra en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 december 2012 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) in/op/tegen de buik, in ieder geval in/op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt (waardoor die [slachtoffer 1] tegen een muur en/of verwarming is gekomen/gebotst en/of op de grond is gevallen), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2012 in de gemeente Almere aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] (Begeleider [naam]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken ribben en/of een inwendige bloeding en/of een klaplong), toe te brengen, met dat opzet meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) een persoon genaamd [slachtoffer 3] (Begeleider [naam]) heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer 3] tegen die [slachtoffer 2] is gekomen/gevallen/gebotst (waardoor die [slachtoffer 2] op/tegen de/een grond/kast is gevallen);

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2012 in de gemeente Almere opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]) (Begeleider [naam]) heeft mishandeld door, meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) een persoon genaamd [slachtoffer 3] (Begeleider [naam]) te duwen, waardoor die [slachtoffer 3] tegen die [slachtoffer 2] is gekomen/gevallen/gebotst (waardoor die [slachtoffer 2] op/tegen de/een grond/kast is gevallen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken ribben en/of een inwendige bloeding en/of een klaplong), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 22 november 2012 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]) (begeleider [naam]), meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) op/tegen het lichaam heeft geduwd (waarna die [slachtoffer 3] op/tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2] is gevallen/gekomen/gebotst en/of op/tegen de grond is gevallen/gekomen), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 23 oktober 2012 in de gemeente Almere [slachtoffer 3] (Begeleider [naam]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte meermalen, in ieder geval éénmaal (terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag) bij/boven die [slachtoffer 3] gestaan en/of (daarbij) een vuist voor het gezicht voor die [slachtoffer 3] gehouden en/of opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] meermalen, in ieder geval éénmaal dreigend de woorden toegevoegd:"Ik sla je helemaal verrot" en/of "ik ram je kop eraf" en/of "zal ik nu je kop er af trekken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 23 oktober 2012 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en) en/of een enveloppe en/of bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

6.

hij op of omstreeks 19 oktober 2012 in de gemeente Almere zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten verdachtes woning (behorende bij het begeleid wonen traject van Stichting [naam]), met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en/of (daarbij) zijn geslachtsdeel met één of beide handen heeft vastgehouden en/of vastgepakt en/of (daarbij) heen en weer gaande bewegingen heeft gemaakt, terwijl daarbij [slachtoffer 3] haars ondanks tegenwoordig was/waren.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in het onder 2 subsidiair in de tweede regel "mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) (Begeleider [naam])" in plaats van "een persoon (te weten [slachtoffer 2]) (Begeleider [naam]) heeft mishandeld door" en in de vierde regel “heeft geduwd” in plaats van “te duwen”. De rechtbank herstelt deze vergissingen door telkens het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder 2 primair ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de onder 1, 3, 5 en 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van de onder 2 primair en subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman gesteld dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde is er geen sprake van opzet. De situatie in de kamer is onvoldoende duidelijk geworden. Er is sprake geweest van een domino-effect waarbij het de vraag is in hoeverre dit verdachte kan worden toegerekend. De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn onvoldoende specifiek.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is er sprake van onmacht en frustratie doordat het personeel van [naam] telkens zijn kamer betrad. Het was niet zijn doel om te bedreigen. Bovendien heeft verdachte aangegeven dat hij de ten laste gelegde bedreigingen niet in die bewoordingen heeft geuit.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Feiten 1, 3, 5 en 6:

Nu verdachte de onder 1, 3,5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgaven van bewijsmiddelen worden volstaan.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit onder verwijzing naar de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit onder verwijzing naar de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde feit onder verwijzing naar de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 6 ten laste gelegde feit onder verwijzing naar de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Feit 2:

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 22 november 2012 samen met [slachtoffer 3] de woning van verdachte in het wooncomplex van [naam] te [woonplaats] binnen is gegaan om met hem te praten. Verdachte werd boos toen de televisie uit werd gezet, waarop hij begon te schelden. Verdachte kwam van zijn bed overeind en gaf [slachtoffer 3] een duw, waardoor zij haar evenwicht verloor en achterover viel in de richting van aangever [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] stond op dat moment achter [slachtoffer 3]. Hij kon haar niet meer opvangen en is ten val gekomen. Hierdoor kwam hij met zijn rug tegen een laag kastje aan, waarna hij direct een enorme pijn in zijn rug ter hoogte van zijn linker bekken voelde.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat aangever [slachtoffer 2] door de val twee ribben heeft gebroken en bloed in zijn borstholte had, waarvoor een drain is ingebracht.

Na het inbrengen van de drain bleek aangever tevens een klaplong te hebben, waarvoor nog een drain is geplaatst. Er kan sprake zijn van een langdurig herstel.

Ook [slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van de harde duw die zij van verdachte heeft gekregen. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer 2] achter haar stond en dat zij door de duw kennelijk tegen hem is aangebotst.

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 3] een duw heeft gegeven en dat [slachtoffer 2] hierdoor ook gevallen is.

De rechtbank is van oordeel dat het door [slachtoffer 2] ten gevolge van zijn val opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel is te kwalificeren. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet bewezen worden dat verdachte opzet –ook niet in voorwaardelijke zin- op dat gevolg, te weten twee gebroken ribben, een inwendige bloeding en een klaplong, heeft gehad, zodat verdachte van het onder 2 primair ten last gelegde zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat, nu gebleken is dat [slachtoffer 2] achter [slachtoffer 3] stond op het moment dat verdachte [slachtoffer 3] een krachtige duw gaf, hiermee de aanmerkelijke kans bestond dat ook [slachtoffer 2] hierdoor ten val zou komen en letsel zou bekomen en pijn zou ondervinden. Verdachte heeft door het daadwerkelijk geven van de krachtige duw tevens de aanmerkelijke kans aanvaard op dit letsel en de pijn van [slachtoffer 2], waardoor er sprake was van voorwaardelijk opzet.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 4:

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij op 22 november 2012 met [slachtoffer 2] de woning van verdachte in het wooncomplex van [naam] te [woonplaats] is binnengegaan. Verdachte is boos geworden en heeft haar vervolgens geduwd, waardoor zij en haar collega ten val zijn gekomen. Toen zij op haar rug op de grond lag, kwam verdachte met beide benen gespreid over haar heen staan, balde zijn rechterhand tot een vuist en knikte hij zijn arm, alsof hij haar hard in haar gezicht wilde slaan. Tegelijkertijd schreeuwde verdachte tegen haar: “Ik sla je helemaal verrot, ik ram je kop eraf”. Aangeefster voelde zich hierdoor bedreigd.

[slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zag dat verdachte - nadat deze [slachtoffer 3] een duw had gegeven, waardoor zij ten val is geraakt - over haar heen gebogen stond met een gebalde vuist. Hij hoorde verdachte tegen haar zeggen: “Zal ik nu je kop er af trekken”. [slachtoffer 2] vond het een bedreigende situatie voor haar en voor zichzelf.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 22 november 2012 gebogen boven aangeefster heeft gestaan en haar gedreigd heeft te slaan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij boos was en dan wel eens iets zegt. Hij maakte geen grapje op dat moment, maar had ook niet de bedoeling om aangeefster daadwerkelijk te verwonden.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de door verdachte geuite bewoordingen, mede gelet op de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zodanig zijn dat daardoor bij [slachtoffer 3] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte zijn woorden waar zou maken. Dat verdachte, naar eigen zeggen, niet het voornemen had om de bedreiging te realiseren, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat in de tenlastelegging de datum 23 oktober 2012 wordt genoemd. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat dit een kennelijke vergissing betreft. Zowel bij de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het voor verdachte duidelijk geweest dat het gaat om de bedreigingen die gedaan zijn nadat hij [slachtoffer 3] op 22 november 2012 heeft geduwd. De rechtbank leest derhalve “22 november 2012” in plaats van “23 oktober 2012”. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovenstaande, het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 02 december 2012 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 1], tegen het lichaam heeft getrapt waardoor die [slachtoffer 1] tegen een verwarming is gekomen en op de grond is gevallen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2. subsidiair

hij op 22 november 2012 in de gemeente Almere opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer 2] (Begeleider [naam]) heeft mishandeld door met kracht een persoon genaamd [slachtoffer 3] (Begeleider [naam]) te duwen, waardoor die [slachtoffer 3] tegen die [slachtoffer 2] is gekomen/gebotst waardoor die [slachtoffer 2] op een kast is gevallen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken ribben en een inwendige bloeding en een klaplong), heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 22 november 2012 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 3] (begeleider [naam]), met kracht tegen het lichaam heeft geduwd waarna die [slachtoffer 3] tegen een persoon genaamd [slachtoffer 2] is gevallen/gebotst en op de grond is gevallen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 22 november 2012 in de gemeente Almere [slachtoffer 3] (Begeleider [naam]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, immers heeft verdachte terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag boven die [slachtoffer 3] gestaan en daarbij een vuist voor het gezicht voor die [slachtoffer 3] gehouden en opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:"Ik sla je helemaal verrot" en "ik ram je kop eraf" en "zal ik nu je kop er af trekken";

5.

hij op 23 oktober 2012 in de gemeente Almere met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en een enveloppe toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte;

6.

hij op 19 oktober 2012 in de gemeente Almere zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten verdachtes woning behorende bij het begeleid wonen traject van Stichting [naam], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en daarbij zijn geslachtsdeel heeft vastgehouden en daarbij heen en weer gaande bewegingen heeft gemaakt, terwijl daarbij [slachtoffer 3] haars ondanks tegenwoordig was.

Van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feiten 1 en 3, telkens:

Mishandeling.

Feit 2 subsidiair:

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

Feit 5:

Diefstal.

Feit 6:

Schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij haars ondanks tegenwoordig is.

7 STRAFBAARHEID

De feiten zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

De officier van justitie heeft, gelet op de rapportage van de psychiater, gevorderd verdachte niet strafbaar te achten en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank heeft kennis genomen van een Pro Justitia rapportage opgemaakt door F.M.J. Bruggeman, psychiater d.d. 3 maart 2013.

De deskundige heeft in deze rapportage aangegeven dat bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type, misbruik van alcohol en antisociaal gedrag. Er is sprake van een chronisch psychotisch beeld waarbij medicatie een positief effect heeft. Schizofrenie betekent een stoornis in denken, voelen en handelen. Bij verdachte wordt duidelijk dat deze drie functies gestoord zijn. Er is sprake van paranoïde waanvorming en overwaardige ideeën over zichzelf. Sinds oktober 2012 heeft verdachte geen antipsychotische medicatie gebruikt.

Ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de deskundige een duidelijk verband gezien tussen de schizofrenie en het ten laste gelegde. Vanuit zijn toenemende paranoïdie vertrouwde verdachte de medewerkers van [naam] niet meer. Paranoïde waanvorming is een onderdeel van de ziekte schizofrenie. De aanwezigheid van de medewerkers van [naam] in zijn woonruimte wordt door verdachte vanuit zijn paranoïdie bedreigend ervaren. Ten tijde van het gebeuren was verdachte niet meer in staat om coherent te denken. De antisociale gedragingen en cognities van verdachte versterken de paranoïdie. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de deskundige opgemerkt dat verdachte vanuit zijn achterdocht niet in staat is om adequaat sociale interactie aan te gaan.

Op basis van het paranoïd psychotisch beeld – in het kader van een al vele jaren bestaande schizofrenie van het paranoïde type – acht de deskundige verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusie van de psychiater over en maakt dit oordeel van de deskundige tot het hare.

Gelet op de aard van het ziektebeeld van verdachte en de invloed die dit in zijn algemeenheid heeft op het handelen van verdachte, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat dit ziektebeeld tevens van bepalende invloed is geweest op het handelen van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten 5 en 6.

Op grond van voormelde rapportage is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van alle aan hem ten laste gelegde en bewezen feiten. De rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde maatregel niet uitgelaten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Uit de voormelde rapportage van de psychiater volgt voorts dat indien verdachte paranoïd psychotisch blijft er een aanzienlijk risico op herhaling is. Verdachte reageert vanuit paranoïde waanvorming en vervormt de realiteit, waardoor hij gedragingen als zeer bedreigend ervaart. De zorgprognose is matig tot redelijk. Van verdachte is bekend dat hij goed en snel reageert op antipsychotische medicatie. De deskundige heeft geadviseerd om verdachte krachtens artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht te plaatsen in een psychiatrische instelling gedurende een jaar. De duur van een jaar geeft de behandelaren voldoende tijd om een behandelrelatie met verdachte op te bouwen en hem te resocialiseren.

Uit het rapport van J.W.G.M. van Soest, psycholoog, d.d. 8 maart 2013 volgt dat verdachte een zorgwekkende zorgmijder is. De deskundige heeft aangegeven dat het risico van recidive groot lijkt te zijn. Verdachte is een chronisch psychiatrisch patiënt, waarbij ambulante behandeltrajecten niet voor de hand liggen.

De deskundige heeft geen uitspraak kunnen doen over interventie/behandeling, omdat hij verdachte slechts kort heeft gesproken, maar geeft wel aan dat het advies van de mederapporteur plausibel overkomt. Verder geeft de deskundige aan dat verdachte alleen geholpen lijkt te kunnen worden in het kader van een maatregel.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusie over en maakt dit oordeel van de rapportages van de deskundigen tot het hare.

Nu bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens bestond en de veiligheid voor zichzelf en/of anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde delicten, zulks eist, zal de rechtbank de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar gelasten.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 3.063,32.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 2.500,00 inclusief immateriële schade, met toepassing van de maatregel overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht met dien verstande dat de vervangende hechtenis één week bedraagt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor het onder 2 ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het immateriële deel van de vordering sterk gematigd dient te worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangehaalde jurisprudentie niet overeenkomt met het onder 2 ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 813,32 (bestaande uit € 313,32 materiële schade en € 500,00 immateriële schade), vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij, met dien verstande dat hieraan geen vervangende hechtenis wordt verbonden.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 37, 39, 57, 239, 285, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de datum van onherroepelijk worden van dit vonnis;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 813,32 (zegge: achthonderddertien euro en tweeëndertig eurocent), waarvan een deel groot € 500,00 bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 22 november 2012, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 813,32 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mrs. D.A.C. Koster en H.H.J. Harmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2013.

Mrs. D.A.C. Koster en H.H.J. Harmeijer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.