Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1244

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
16-656275-12 (p)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/656275-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 mei 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. J. Visscher, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 13 september 2012 te Utrecht primair heeft gepoogd haar echtgenoot zwaar te mishandelen door hem meermalen met een mes of puntig voorwerp in zijn hand/pols en/of zijn bovenarm te steken en subsidiair haar echtgenoot op voormelde wijze heeft mishandeld.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu uit de plaats en de aard van het geconstateerde letsel en de wijze waarop het mesje is gehanteerd geen groot risico op zwaar lichamelijk letsel aanwezig was. De officier van justitie is van oordeel dat op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen het subsidiair ten laste gelegde, de mishandeling, bewezen kan worden verklaard.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat voor het primair ten laste gelegde onvoldoende bewijs is. De verdediging refereert zich met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat niet is komen vast te staan dat het letsel is toegebracht met een mes, maar hooguit is ontstaan door te slaan met een sleutelbos waaraan een puntsleutel zat.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden

De verdachte heeft ter zitting – zakelijk weergegeven - verklaard dat zij op 13 september 2012 naar een woning in de [adres] in [woonplaats]s gegaan, waar haar man zich op dat moment bevond. Zij had hem die dag al vele malen gebeld omdat zij haar bankpas terugwilde en de huissleutel van haar dochter. Omdat de telefoon niet werd opgenomen, is zij ter plaatse gegaan, gebracht door haar dochter en vergezeld van haar zoon. Zij heeft aangebeld en haar man heeft halverwege de gang van de woning de bankpas uit zijn portemonnee gehaald.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het navolgende vast:

Aangever [X], de man van verdachte, heeft verklaard dat hij op 13 september 2012 in een woning was in de [adres] in[woonplaats]. De bel ging, [getuige 1] (de rechtbank begrijpt na te noemen getuige [getuige 1] deed open en aangever zag dat zijn vrouw in de hal van de woning stond. Hij zag dat zijn vrouw met haar hand een stekende beweging naar hem maakte. Hij voelde een prik in zijn linkerbovenarm. Het deed pijn. Hij zag dat zijn vrouw een aardappelschilmesje in haar mouw had zitten onder haar hand. Even later zag hij dat zijn hand bloedde.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij op genoemde plaats en datum op visite was. Zij zag verdachte in de hal van de woning staan en hoorde haar tegen aangever zeggen dat ze haar pasje en haar sleutel terugwilde. Ze zag dat aangever een pasje aan verdachte gaf. Zij zag dat verdachte een vest droeg met lange mouwen. Ze zag dat verdachte een mouw over een aardappelschilmesje had. Ze zag dat verdachte aangever met het mesje stak en hem op zijn onderarm raakte. Ze zag dat verdachte meerdere stekende bewegingen van boven naar beneden maakte en dat aangever in zijn bovenarm werd geraakt.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte een aardappelschilmesje in haar hand had en dat zij hoorde dat verdachte “ ik steek je kapot”schreeuwde in de richting van [getuige 1], waarna ze de gangdeur dicht duwde en 112 ging bellen. Ze zag dat aangever de gang inliep. Later hoorde ze van aangever dat hij twee keer was gestoken met het aardappelschilmesje. Ze zag kleine verwondingen aan de rechteronderarm en de linkerbovenarm.

De ter plaatse gekomen verbalisant zag dat aangever op zijn rechterpols een snee had en op zijn linkerbiceps een prikwond.

Nadere overweging met betrekking tot het bewijs

De verdediging heeft aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het letsel is toegebracht met een mesje maar hooguit is ontstaan door met een sleutelbos met daaraan een puntsleutel uit te halen, zoals ook door de verdachte bij de politie is verklaard. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich niet alles meer precies te kunnen herinneren.

De rechtbank stelt voorop dat geen van de getuigen heeft waargenomen dat verdachte met een puntsleutel of sleutelbos in haar hand stond kort voor of op het moment dat de verwondingen bij de aangever zijn ontstaan. De verklaring van aangever dat hij door verdachte is gestoken met een aardappelmesje vindt daarentegen steun in zowel de verklaring van getuige [getuige 2] als die van getuige [getuige 3]. De rechtbank heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die – van de lezing van verdachte afwijkende – verklaringen te twijfelen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte haar partner met een mesje heeft gestoken.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte met haar gedragingen geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is met het enkele feit dat verdachte met een aardappelmesje in de bovenarm en pols van aangever heeft gestoken/geprikt niet gegeven. Bovendien kan de kracht waarmee is gestoken niet met zekerheid worden vastgesteld, terwijl het toegebrachte letsel - dat zeer beperkt is gebleven - evenmin bijdraagt aan de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Nu het primair ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen is, dient de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Subsidiair

op 13 september 2012 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [X]

met een mes in de hand/pols en in de bovenarm van die [X] heeft gestoken,

waardoor voornoemde [X] letsel (te weten een snij- en prikwond) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Mishandeling.

7. De strafbaarheid van verdachte

7.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte het feit in het geheel niet is toe te rekenen en daarom moet worden ontslagen van rechtsvervolging. De raadsman bepleit dit op grond van de vaststelling van de psychiater dat de vastgestelde stoornis en gebrekkige ontwikkeling van geestvermogens “in zodanige mate onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de tenlastelegging beïnvloedden dat zij het zicht, de grip en controle over haar impulsen in grote mate verloor.”

7.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat niet is gebleken dat bij verdachte ieder inzicht met betrekking tot de reikwijdte en de gevolgen van haar gedragingen heeft ontbroken. Zij is dan ook van oordeel dat het advies van de deskundigen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is, moet worden overgenomen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken in het dossier bevindt zich een pro justitia rapport van psychiater drs. W.C.J. Kramer d.d. 16 november 2012 en een van psycholoog drs. A.P. van den Berg d.d. 12 november 2012.

Beide deskundigen komen op grond van hun onderzoek met betrekking tot de persoon van de verdachte tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van stoornis in de ontwikkeling van de persoonlijkheid met onder andere stoornissen in de regulatie van de impulsen en emoties met name op het gebied van angst en spanning, frustratie en agressie, met afhankelijke en ontwijkende trekken, in combinatie met een zwakbegaafd intelligentieniveau, welke problematiek ten tijde van het ten laste gelegde reeds aanwezig was.

Drs. Kramer meldt met betrekking tot onderzochtes mededeling dat zij zich van het tenlastegelegde niet alles meer kan herinneren expliciet dat er bij psychodiagnostisch en psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen zijn voor bewustzijnsveranderingen en met name geen dissociatieve stoornissen. Er is mogelijk sprake van “selectief geheugenverlies” samenhangend met een aantal gedragsvariabelen van onderzochte zoals conflictvermijdend gedrag en afweermechanismen als bagatelliseren, ontkennen, loochenen en verdringen.

In geval van een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, hebben beide deskundigen dan ook als advies gegeven verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Gelet op het voorgaande kan het feit in enigszins verminderde mate aan verdachte worden toegerekend, zodat zij, zij het in enigszins verminderde mate, strafbaar is voor haar daad.

Er is dan ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 18 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht met meldplicht en behandelplicht bij Kade 17.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf en subsidiair verzocht geen hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De door verdachte gepleegde mishandeling heeft plaatsgevonden in de relatiesfeer. Zij heeft –nadat zij vermoedde dat haar man vreemd ging en de emoties daarover hoog opliepen – de confrontatie met haar inmiddels elders verblijvende echtgenoot gezocht en hem met een mesje gestoken. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat zij het conflict op deze wijze heeft laten escaleren en daarbij ook andere aanwezigen in de woning – waaronder een jong meisje – angst heeft aangejaagd.

Ter zitting is gebleken dat verdachte en haar echtgenoot weer bij elkaar zijn en hun relatie een nieuwe kans willen geven.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de inhoud van voormelde pro justitia rapportages. Hieruit komt, naast het onder 7.3 vermelde, naar voren dat het risico op herhaling niet groot, maar wel aanwezig is. Met name de structurele kwetsbaarheid voor stress en de uiting daarvan in een toename van disfunctioneren met klachten, symptomen en gedrag als in het rapport beschreven – een verscheidenheid aan lichamelijke en psychische aandoeningen – ligt het in de lijn van de verwachting dat er van een adequate behandeling en begeleiding een belangrijke preventieve werking zal uitgaan om het risico voor herhaling in sterke mate te beperken. Verdachte zou meer handvatten aangereikt moeten krijgen om stress en met name stress in de relationele sfeer te leren hanteren. Aanvullend zou aan partnertherapie gedacht kunnen worden.

Geadviseerd wordt het in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis ingezette traject voort te zetten.

In het reclasseringsrapport van 31 januari 2013 wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met een meldingsgebod en een behandelverplichting van het reeds gestarte traject bij Kade 17. Uit het voortgangsverslag van 13 mei 2013 blijkt dat verdachte alle afspraken bij de reclassering, Reinaerde (ambulante woonbegeleiding) en Kade 17 (Altrecht) is nagekomen. Ter terechtzitting heeft verdachte naar voren gebracht ook behoefte te hebben aan hulp op psychisch en praktisch gebied.

De rechtbank zal om voormelde redenen de straf opleggen zoals die door de officier van justitie - en met instemming van de verdediging - is geëist.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 18 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat de verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich binnen 5 dagen na de betekening van het vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland in Utrecht bij de haar bekende contactpersoon of één van de collega’s.

* dat verdachte de reeds gestarte behandeling bij Kade 17 of soortgelijke forensische zorginstelling zal voortzetten, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

*- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de opheffing van het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C. Oostendorp, voorzitter,

mrs. A. van Maanen en R.G.A. Beaujean, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2013.

Mr. Beaujean is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE :

Tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

zij op of omstreeks 13 september 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[X] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

(meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

hand/pols en/of in de (boven)arm van die [X] heeft gestoken, zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 13 september 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk mishandelend [X]

(meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

hand/pols en/of in de (boven)arm van die [X] heeft gestoken,

waardoor voornoemde [X] letsel (te weten een of meer snij- en/of

prikwond(en)) heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht