Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:CA1241

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-04-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
SBR 12/1793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO. Beroep ongegrond. Verweerder heeft terecht omgevingsvergunning voor het slopen van een bijgebouw en het uitbreiden van het eetcafe geweigerd. Aanbouw/bijgebouw? Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. Aanleiding voor vergoeding griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2957

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/1793

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2013 in de zaak tussen

[Eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. Schaap-Huijgen).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[A], te [woonplaats], [B], en

[C], te [woonplaats], [D]

(gemachtigde: mr. G.H.A. Versluis).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een bijgebouw en het uitbreiden van het eetcafé ‘de [Naam]’ aan de [adres] te [woonplaats] (het perceel) geweigerd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

In een brief van 6 december 2011 heeft verweerder bekendgemaakt dat op 7 augustus 2011 een besluit van rechtswege is ontstaan. Hiertegen hebben [B] en [D] bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft verweerder de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen. Verweerder heeft daarbij bepaald dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[B] en [D] hebben een reactie ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [B] is verschenen in persoon. [D] is niet verschenen.

Overwegingen

1. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2. Allereerst is de rechtbank met verweerder van oordeel dat op 7 augustus 2011 van rechtswege een vergunning is ontstaan nu verweerder niet tijdig op de aanvraag van eiser heeft beslist. Vervolgens hebben de derde-partijen [B] en [D] hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. Daarop heeft verweerder alsnog de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en de gevraagde vergunning geweigerd.

3. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een bijgebouw en het uitbreiden van de [Naam] op het perceel.

4. Op het perceel is het geldende bestemmingsplan Ongerweges van de gemeente Bunschoten van toepassing. Op grond hiervan is de bestemming van het perceel ‘horeca, erf en tuin’. De uitbreiding zou worden gerealiseerd binnen de bestemming ‘erf’.

5. Artikel 1 van de planvoorschriften bij het Bestemmingsplan Ongerweges van de gemeente Bunschoten (planvoorschriften) luidt, voor zover van belang:

‘Begripsbepalingen. In deze voorschriften wordt verstaan onder: (…)

3. aanbouw: een aan een woning aangebouwd, voor bewoning bestemd gebouw, dat als uitbreiding van die woning dient; (…)

10. bijgebouw: een niet voor bewoning bestemd gebouw, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte, hobbykas of dierenverblijf, behorende bij een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw.’

Artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften luidt, voor zover van belang: ‘

1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, gelden de volgende bepalingen:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd in de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken. (…)’

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften mogen op gronden met de bestemming ‘erf’ uitsluitend aanbouwen en bijgebouwen worden gebouwd.

6. Eiser is directeur/eigenaar van ‘De [Naam]’. Deze, thans tot restaurant omgedoopte, horecagelegenheid is gevestigd op het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. Na een eerdere aanvraag, welke niet heeft geleid tot een bouwvergunning, heeft eiser op 1 mei 2011 opnieuw een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning. Deze aanvraag ziet op het slopen van een bijgebouw en het uitbreiden van het restaurant. De uitbreiding omvat het vergroten van de eetzaal en het dakterras, het vernieuwen van de spoelkeuken en de sanitaire ruimten en de plaatsing van een zogenoemde WTW-installatie alsmede een buitentrap.

7. In beroep heeft eiser betoogd dat de omgevingsvergunning ten onrechte is geweigerd. Het bouwplan is volgens eiser niet in strijd is met het bestemmingsplan. De uitbreiding van ‘De [Naam]’ kan volgens eiser namelijk worden gekwalificeerd als een aanbouw in de zin van artikel 1, derde lid, van de planvoorschriften. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij met ‘aanbouw’ een ‘bijgebouw’ bedoelt.

8. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de uitbreiding van het restaurant niet is aan te merken als een bijgebouw. De uitbreiding is voornamelijk een vergroting van de verblijfsruimte voor gasten. Het betreft dus niet het oprichten van een gebouw dat functioneel onderschikt is aan en behoort bij een hoofdgebouw. De stelling van eiser treft geen doel.

9. Vaststaat dat de uitbreiding de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken overschrijdt. Nu de uitbreiding moet worden aangemerkt als de bouw van een hoofdgebouw, is het bouwplan in strijd met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.

9. De aanvraag van eiser dateert van na de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zodat de Wabo van toepassing is.

10. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk (a) en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd is met een bestemmingsplan (c).

In artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

In artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan en betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, slechts kan worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

(…)

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur, het Bor, aangewezen gevallen (…)’

In artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat de categorieën van gevallen als bedoeld in het hierboven vermelde artikel, worden aangewezen de gevallen als genoemd in artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Het betreffen gevallen die van (relatief) beperkte planologische betekenis worden geacht, de zogenaamde kruimelgevallen.

Ingevolge artikel 4, aanhef, eerste lid en onder a, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

Volgens artikel 1 van deze bijlage wordt onder ‘bijbehorend bouwwerk’ verstaan; uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

11. Nu het bouwplan aangemerkt kan worden als een bijbehorend bijgebouw als hiervoor omschreven is verweerder in beginsel bevoegd de strijdigheid met het bestemmingsplan op grond van artikel 4, aanhef, eerste lid en onder a, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) op te heffen.

12. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning die in strijd is met een bestemmingsplan, in de in het Bor aangewezen gevallen, een discretionaire bevoegdheid van verweerder is. Daarbij mag verweerder tevens betrekken of met realisering van dit bouwplan de belangen van de omwonenden onevenredig worden geschaad. De bestuursrechter moet het al dan niet gebruik van een dergelijke bevoegdheid daarom terughoudend toetsen. Dat betekent dat aan de hand van hetgeen door eiser is aangevoerd ter beoordeling staat of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen geen gebruik te maken van deze bevoegdheid.

13. Verweerder heeft geconcludeerd dat de gevraagde uitbreiding van het restaurant te kolossaal is en te dicht op de omringende woonbebouwing komt te staan. Dit acht verweerder planologisch en stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Verder heeft verweerder bij zijn weigering betrokken, mede naar aanleiding van de gemaakte bezwaren van omwonenden, dat de verwachting is dat er met de uitbreiding meer bezoekers zullen komen, waardoor er meer klachten van omwonenden over overlast zullen komen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze motivering voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft willen maken. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren van de gegeven bevoegdheid gebruik te maken.

14. Eiser heeft verder gesteld dat het bouwplan aan de parkeernorm voldoet. Eiser heeft daarbij gewezen op een overleg met medewerkers van de gemeente Bunschoten op 5 april 2011, waar volgens eiser is gesproken over acht parkeerplaatsen, waar in de aanvraag rekening is gehouden met zeven plaatsen.

15. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt en overweegt daartoe het volgende.

16. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder b, van de Wabo wordt de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien: de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening (…).’

17. Verweerder heeft bij de beoordeling van het bouwplan, evenals eiser, geconcludeerd dat er in totaal zeven parkeerplaatsen moeten zijn. Dat betekent volgens verweerder, zo blijkt uit het verweerschrift aan de commissie bezwaarschriften van 31 januari 2012, dat er drie plaatsen bij moeten komen. Zoals ook ter zitting is besproken aan de hand van het bouwplan, met de ingetekende parkeerplaatsen, voldoen twee van de drie ingetekende parkeerplaatsen niet aan de in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening 2010 genoemde maatvoorschriften. Daarom is niet aan het vereiste van zeven parkeerplaatsen voldaan en bestaat strijd met de evengenoemde bepaling van de Bouwverordening 2010. Hierbij tekent de rechtbank ten overvloede nog aan dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat tevens is onderzocht of het creëren van openbare parkeerplaatsen tot de mogelijkheden behoorde. Dit was niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dan ook terecht heeft geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met de bouwverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat hij zijn beroepsgrond, dat de opgelegde leges buiten verhouding zijn, niet langer handhaaft. Daarom behoeft deze grond geen bespreking meer.

19. Verder heeft eiser aangevoerd dat de wethouder van ruimtelijke ordening van de gemeente, [X], op 24 augustus 2010 een positief advies heeft afgegeven over het bouwplan. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de wethouder het bouwplan ‘zag zitten’. Daarin heeft eiser aanleiding gezien de hier aan de orde zijnde aanvraag in te dienen. Op

20 april 2011 was de wethouder echter negatief over het plan. Dat getuigt volgens eiser van onbehoorlijk bestuur. Daarbij komt dat verweerder hierop in bezwaar al is gewezen. Ten onrechte heeft verweerder hierop niet beslist in de beslissing op bezwaar.

20. De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat eiser stelt dat sprake is van uitlatingen van de zijde van de wethouder op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat op zijn aanvraag positief zou worden beslist. Eiser doet daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Volgens vaste rechtspraak moet sprake zijn van aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete ondubbelzinnige toezeggingen gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Het beroep op dit beginsel slaagt niet, reeds omdat eiser zijn stelling niet met stukken heeft onderbouwd. De door verweerder overgelegde stukken bieden evenmin aanknopingspunten die de stelling van eiser ondersteunen. Daarbij komt dat verweerder in beroep een verklaring van de wethouder heeft overgelegd, die de stelling van eiser ontkracht. De beroepsgrond slaagt niet.

Met eiser is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder heeft verzuimd hierover een standpunt in te nemen in de beslissing op het bezwaar. Eerst in beroep heeft verweerder hierop gereageerd. De rechtbank acht dit gebrek niet zodanig dat om die reden het bestreden besluit moet worden vernietigd. Wel zal de rechtbank bepalen dat vanwege dit gebrek verweerder het door eiser betaalde griffierecht zal moeten vergoeden.

21. De conclusie is dat verweerder de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond.

22. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is gebleken. De rechtbank bepaalt, zoals in overweging 20. is geconcludeerd, dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 156,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 156,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Altenaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.