Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9983

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
C-16-324435 - FA RK 12-2942
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag wegens symbiotische relatie tussen de moeder en de kinderen alsmede een wederzijdse informatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/324435 / FA RK 12-2942

Gezag en informatieregeling

Beschikking van 24 april 2013

in de zaak van

[moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.W. Riezebosch te Ede,

tegen

[vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.X.C. Peters te Woudenberg.

1. Verdere verloop van de procedure

1.1. De rechtbank heeft op 24 oktober 2012 een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot laatstgenoemde datum wordt verwezen naar die beschikking.

1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken:

- het raadsrapport van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Utrecht, hierna: de Raad op 11 februari 2013;

- de brief van de zijde van de moeder op 11 maart 2013;

- de brief, inhoudende een wijziging van verzoekschrift van de zijde van de vader op 18 maart 2013;

- het faxbericht van de zijde van de moeder op 21 maart 2013.

1.3. De behandeling van het verzoek is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 maart 2013. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en de heer M.C. Oosterom, namens de Raad. Van de zijde van de moeder is ter terechtzitting een extra aanvulling op haar faxbericht d.d. 21 maart 2013 ingediend.

2. Vaststaande feiten

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de op 24 oktober 2012 gegeven beschikking.

Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat de minderjarige kinderen, hierna: de kinderen, van partijen zijn:

- [kind 1], hierna ook: [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [[geboorteplaats]]

- [kind 2], hierna ook: [kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. De rechtbank heeft bij beschikking van 24 oktober 2012 de zaak pro forma aangehouden tot 19 februari 2013 in afwachting van het onderzoek van de Raad.

3.2. Het verzoek van de moeder om te bepalen dat zij met het eenhoofdig gezag over [kind 1], geboren op [geboortedatum] en [kind 2], geboren op [geboortedatum] wordt belast staat nog ter discussie. Evenals het verzoek van de vader om een informatie-/consultatie-/communicatieregeling vast te stellen.

3.3. Gezag

De Raad heeft als volgt gerapporteerd. De Raad is van mening dat een wijziging in het gezag tegemoet komt aan de belangen van de kinderen. Partijen zijn niet in staat met elkaar te communiceren en er zijn ook geen mogelijkheden om de communicatie te verbeteren. Daarnaast speelt de symbiotische relatie van de kinderen met de moeder een belangrijke rol. Het beeld van hun vader wordt beïnvloed door het gedrag van moeder en door haar houding jegens de vader. Gezien de beperkte draagkracht van [kind 2] en de negatieve beleving van vader door [kind 1] is het aannemelijk geworden dat de kinderen klem en verloren raken bij het in stand houden van het gezamenlijk gezag. Om die reden adviseert de Raad het verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen toe te wijzen.

3.4. De vader kan het raadsadvies omtrent het gezag niet volledig volgen. Naar aanleiding van dit rapport wijzigt de vader zijn verzoek als volgt. De vader verklaart dat hij nog altijd graag het ouderlijk gezag over de kinderen wil behouden. Echter wenst de vader bij te dragen aan een situatie, waarbij de kinderen niet klem en verloren raken tussen partijen. De vader geeft aan dat hij bereid is om in te stemmen met een ‘uitgekleed’ gezag, inhoudende dat de vader en moeder gezamenlijk het gezag over de kinderen zullen behouden, met inachtneming van een aantal voorwaarden. Die voorwaarden houden in dat de vader alle bevoegdheden met betrekking tot de dagelijkse verzorging delegeert aan de moeder, en dat de overige niet spoedeisende beslissingen gezamenlijk worden voorbereid. Indien de ouders vervolgens niet gezamenlijk tot een eensluidende beslissing geraken, beslist de moeder, onverlet het recht van de vader de beslissing in het kader van de geschillenregeling ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, aan de rechter voor te leggen. De vader geeft ter terechtzitting te kennen dat de communicatie tussen partijen zal moeten verbeteren en dat hij openstaat voor mediation. De vader begrijpt niet waarom de kinderen bang voor hem zijn, nu ze hun vader al ruim vijf jaar niet meer gezien en gesproken hebben. De vader vraagt zich af wanneer het genoeg is voor de moeder. In het verleden heeft hij in het belang van de kinderen zijn verzoek tot vaststelling van een zorgregeling al ingetrokken en nu wordt van hem verwacht ook afstand te nemen van het gezag.

3.5. De moeder voert verweer tegen het gewijzigde verzoek van de vader. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat het ‘uitgekleed’ gezag op geen enkele wijze bijdraagt aan het belang van de kinderen. De moeder is van mening dat zolang de vader belast is met het gezag hij negatieve invloed kan en zal uitoefenen over het gezin. Door de negatieve invloed van vader zijn de kinderen al klem en verloren geraakt. Tevens is de moeder van mening dat ook zij zelf van deze negatieve invloed van vader meer dan wenselijk last heeft ondervonden. Volgens de moeder zijn de kinderen gebaat bij een stabiele situatie waarin moeder er voor hen kan zijn. Het is in het belang van de kinderen dat zij een moeder hebben die voldoende tijd, energie en financiële mogelijkheden heeft om haar kinderen een gedegen, verantwoorde opvoeding te geven en die een rustige, veilige en vertrouwde thuissituatie kan bieden. De moeder geeft te kennen dat zij deze situatie alleen kan creëren als zij eenhoofdig met het gezag wordt belast. De moeder is dan ook blij en opgelucht met het raadsadvies.

3.6. De rechtbank stelt voorop dat voor een gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist is dat ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

3.7. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, BW de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige kinderen toekomt, waarbij getoetst dient te worden aan de gronden zoals genoemd in artikel 1:251a, eerste lid, BW. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat moeder in de afgelopen jaren niet in staat is gebleken de angst jegens vader, die met name gelegen is in de, in haar beleving negatieve, ervaringen met vader, naar de achtergrond te verwijzen. De vader heeft destijds in het belang van de kinderen zijn verzoek tot een zorgregeling ingetrokken. Daardoor heeft hij de kinderen al meer dan vijf jaar niet gezien. Ondanks dat is de hierboven genoemde angst van de moeder nog steeds aanwezig. Deze angst bij de moeder is tot op heden leidend in haar belemmeringen om te zoeken naar mogelijkheden in samenwerking en communicatie met de vader. Het ontbreken van onderling contact tussen partijen zorgt ervoor dat partijen feitelijk niet of nauwelijks in staat zijn om gezamenlijk tot beslissingen te komen. Dit blijkt onder andere uit de problemen rondom het psychologisch onderzoek van [kind 2] en uit de kwestie omtrent het aanvragen van paspoorten voor de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit bovenstaande voldoende aannemelijk geworden dat niet valt te voorzien dat de moeder binnen afzienbare tijd haar angst zal overwinnen. Er is derhalve sprake van een gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 1:253n BW, in die zin dat de verhouding tussen partijen nu zodanig definitief verstoord lijkt te zijn dat herstel daarvan niet meer in de lijn der verwachtingen ligt.

3.8. Ingevolge artikel 1:251a BW kan de rechtbank bepalen dat het gezag over de minderjarige kinderen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een wijziging in het gezag tegemoet komt aan de belangen van [kind 1] en [kind 2]. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat partijen niet in staat zijn met elkaar te communiceren en ook in de toekomst ziet de rechtbank geen mogelijkheden deze communicatie te verbeteren, nu de moeder niet openstaat voor mediation. De rechtbank is, door de beperkte draagkracht van [kind 2] en de angst van [kind 1] voor vader, met de Raad van oordeel dat het voldoende aannemelijk is geworden dat de kinderen klem en verloren raken bij het in stand houden van het gezamenlijk gezag. Gezien de door de Raad geconstateerde symbiotische relatie tussen moeder en de kinderen valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat de moeder de kinderen kan en wil stimuleren om op een open manier tegenover hun vader te staan en hun angst te overwinnen.

3.9. Ten aanzien van het verzoek van de vader om hem te belasten met het ‘uitgekleed’ gezag is de rechtbank van oordeel dat het ‘uitgekleed’ gezag een rechtsfiguur is die de wet niet kent, wat er ook zij van uitspraken van andere gerechten. De rechtbank zal dit verzoek van de vader dan ook afwijzen.

3.10. Gelet op het rapport van de Raad en op hetgeen door partijen is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat het eenhoofdig gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder derhalve toewijzen.

3.11. Informatie- en consultatieplicht

De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vader tot een informatie- en consultatieplicht, hierna: de informatieregeling, toe te wijzen. De moeder moet vader informeren, uitgebreider dan zij op dit moment doet, inhoudende dat zij zesmaal per jaar een brief c.q. e-mail naar de vader stuurt waarin zij aangeeft hoe het met de kinderen gaat op school, wat hun vrijetijdsbesteding is en hoe hun gezondheid/voortgang behandeling verloopt. Tevens dient de moeder tweemaal per jaar een recente foto van de kinderen mee te sturen. De Raad is van mening dat de informatieplicht wederzijds is en dat vader met dezelfde frequentie de kinderen over hem en zijn leven moet informeren. Het is aan moeder om deze informatie voor de kinderen te bewaren totdat zij deze informatie tot zich willen nemen. De Raad voegt daar nog aan toe dat het voorgaande advies minder van toepassing is op [kind 1], gezien haar emotionele bezwaren en haar leeftijd. Dit houdt echter niet in dat de informatieregeling helemaal niet van toepassing is op [kind 1], echter het kan minder uitgebreid dan over [kind 2].

3.12. De vader sluit zich aan bij de door de Raad geadviseerde informatieregeling. Gelet hierop wijzigt de vader zijn verzoek, zoals geadviseerd door de Raad. Echter verzoekt de vader deze informatieregeling op te leggen aan de moeder, op straffe van een dwangsom van 25,- euro per dag of dagdeel voor iedere dag dat moeder in gebreke blijft.

3.13. De moeder geeft ter terechtzitting te kennen dat zij mee wil werken aan de informatieplicht. Zij heeft verklaard aan de vader informatie te verschaffen, in die zin dat zij dat doet op de manier zoals de Raad heeft voorgesteld en uitgebreider dan zij tot op heden heeft gedaan.

3.14. Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. Indien het belang van het kind dit vereist, kan de rechtbank zowel ambtshalve als op verzoek van de met het gezag belaste ouder bepalen dat deze bepaling buiten toepassing blijft.

3.15. Ter terechtzitting is gebleken dat beide partijen willen voldoen aan de informatieregeling zoals is voorgesteld door de Raad, inhoudende dat de moeder de vader informeert, uitgebreider dan zij tot op heden doet, door zesmaal per jaar een brief c.q. e-mail te sturen aan vader waarin zij aangeeft hoe het met de kinderen gaat op school, wat hun vrijetijdsbesteding is en hoe hun gezondheid/voortgang behandeling verloopt. Tevens dient de moeder tweemaal per jaar een recente foto van de kinderen mee te sturen. Daarnaast dient de vader met dezelfde frequentie de kinderen over hem en zijn leven te informeren. De moeder dient deze informatie van vader te bewaren, totdat de kinderen deze informatie tot zich willen nemen.

3.16. Aangezien beide partijen ter terechtzitting hebben aangegeven, dat zij willen voldoen aan de informatieregeling zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet. Wel zal de informatie die moeder over [kind 1] dient te verschaffen minder uitgebreid behoeven te zijn dan die over [kind 2], gezien de emotionele bezwaren en leeftijd van [kind 1]. Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er op dat nu vader geen gezag meer heeft hij geen officiële gesprekspartner meer is voor scholen en hulpverleners. Dit betekent dat op de moeder een extra verantwoordelijkheid rust om de vader inhoudelijke informatie te verschaffen over school, vrijetijdsbesteding en mogelijke hulpverlening en kan zij niet volstaan met het verwijzen naar een website, of andere algemene informatie.

De informatieregeling zal ingaan op 1 mei 2013, met dien verstande dat zowel de vader als de moeder over en weer op die datum voor de eerste keer de bovenbeschreven informatie dienen te verschaffen.

3.17. De verzochte dwangsom van de vader zal de rechtbank afwijzen, nu de rechtbank niet is gebleken dat de moeder niet zal handelen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders vanaf heden over:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

4.2. bepaalt dat de moeder vanaf heden voortaan alleen het gezag toekomt over de minderjarigen:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

4.3. bepaalt dat de moeder met ingang van 1 mei 2013 de vader zesmaal per jaar een brief c.q. e-mail stuurt waarin zij aangeeft hoe het met de kinderen gaat op school, wat hun vrijetijdsbesteding is en hoe hun gezondheid/voortgang behandeling verloopt alsmede dat zij tweemaal per jaar een recente foto van de kinderen aan vader stuurt;

4.4. bepaalt dat de vader met ingang van 1 mei 2013 de kinderen zesmaal per jaar een brief c.q. e-mail stuurt waarin hij informatie geeft over hem en zijn leven alsmede dat hij tweemaal per jaar een recente foto stuurt;

4.5. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Crouwel, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van A.H. de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.?