Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9969

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
16-659074-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/659074-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 22 april 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter terechtzitting is verschenen

mr. J.M.J.J. Coumans, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.S.J. Visser en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2012 tot en met 15 januari 2013 in de gemeente Zeewolde en/of Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] en/of diens vader, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (20.000,00 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of diens vader en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met (één of meer van) zijn mededader(s) meermalen, in ieder geval éénmaal,

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gebeld en gevraagd bij hem/hen te komen en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd bij hem/hen in de auto te stappen en/of met die [slachtoffer 1] een rondje heeft/hebben gereden en/of (onderweg) heeft/hebben beschuldigd van een inbraak en/of het rippen van een hennepplantage en/of

- die [slachtoffer 1] in een/zijn zaak [bedrijf] heeft/hebben opgezocht en/of

- die [slachtoffer 1] uit de zaak [bedrijf] mee naar buiten heeft/hebben genomen en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben verteld dat hij en/of zijn mededader(s) een geldbedrag (van 20.000,00 euro) van [slachtoffer 1] wil/willen hebben en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben verteld/bedreigd dat de zaak [bedrijf] vernield zou gaan worden en/of dat de vader van die [slachtoffer 1] klappen zou krijgen en/of zou worden vermoord en/of

- in de zaak [bedrijf] die [slachtoffer 1] naar de keuken is/zijn gevolgd en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben bedreigd te gaan ontvoeren en/of te martelen en/of vast te binden en/of af te maken met een slijptol en/of

- de vader van die [slachtoffer 1] heeft/hebben opgezocht en/of bedreigd en/of

- de vader van de [slachtoffer 1] telefonisch heeft/hebben gezegd: “Waar woon je” en/of “Ik maak je af” en/of “ Geld of moeten wij[slachtoffer 1]met een slijptol afmaken” en/of

- aan de vader van die [slachtoffer 1] een sms heeft/hebben gestuurd inhoudende zakelijk weergegeven dat de jongens op weg waren naar Zeewolde en/of

- die [slachtoffer 1] (onder andere) heeft/hebben gesmst dat “Dit de laatste kans is” en/of “Betaal desnoods een deel” en/of “Negeer je mij, whollah en ik komen achter jou, begin bij je ouders en je zaak” en/of “Vandaag de helft, ja of nee” en/of “Als je gewoon wat regelt is er niks” en/of “Maar als ik voor 3 uur niks hoor, dan stuur ik mijn gappie naar je” en/of “Duurt me te lang” en/of “Sms wat je nu hebt liggen” en/of “Waar en hoe laat morgen” en/of “Maak geen geintjes” en/of “Dinsdag klaar, laatste kans” en/of “Ik wil vandaag 5 rug” en/of Hoeveel heb je nu over, dat kom ik halen en dinsdag de rest” en/of “Reageer nu a flikkertje of ik rij nu naar jou” en/of “Ik kom nu me kk geld halen desnoods trek ik je uit je huis” en/of “ Vieze kk jood je komt er niet mee weg” en/of “Ey luister vriend let op je kk woorden k heb jou tog gezegt dat k dinsdag contact zou opnemen met jou! K ben straks in de zaak hoe laat kan je” en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gebeld en (onder andere) heeft/hebben gezegd: “Hé je praat stoer he met die kankerwoorden, je praat stoer he. Ik kom naar je toe, helemaal alleen, jij gaat er aan, ik kom nu naar je toe”,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de nader in het ter zitting overgelegde schriftelijk requisitoir omschreven gronden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De verdediging heeft daarbij gewezen op de in het ter zitting overgelegde schriftelijk pleidooi omschreven gronden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 23 december 2012 (dit blijkt later 20 december 2012 te zijn geweest) aan het werk was in zijn shoarmazaak [bedrijf]te [woonplaats]. ’s Avonds kwamen er twee Marokkaanse jongens de zaak binnen. Eén persoon was genaamd[medeverdachte] De jongens vroegen of aangever met hen wilde meelopen naar buiten om met hen te praten. Ze liepen vervolgens een rondje en[medeverdachte] zei tegen aangever dat hij € 20.000,00 van hem wilde hebben. Hij gaf daarbij aan dat ze aangever ervan verdachten dat hij hun weedplantage had geript.

Tijdens het rondje lopen werden aangever en de twee jongens staande gehouden door de politie die ter controle hun gegevens noteerde. De verbalisanten relateren in het door hen opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat zij op 20 december 2012 drie personen hadden gecontroleerd, zijnde [slachtoffer 1], [A]en [medeverdachte].

Aangever [slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat hij na het eerste gesprek op 20 december 2012 nog twee tot drie keer in de zaak is bezocht en zij weer met elkaar hebben gesproken. Tijdens deze gesprekken werd de sfeer grimmiger en dreigden de jongens [bedrijf] te vernielen en aangever en de vader van aangever te slaan en te vermoorden als aangever niet zou betalen. In het laatste gesprek op 10 januari 2013 werd er weer om geld gevraagd en werden ze weer met de dood bedreigd.

Op 10 januari 2013 kwamen[medeverdachte] en een andere jongen zijn zaak binnenlopen. [medeverdachte] zei dat hij de vader van aangever probeerde te bellen. Aangever had daarop zijn vader gebeld en hij had de telefoon aan [medeverdachte] gegeven. [medeverdachte] was met de telefoon naar buiten gelopen. Aangever hoorde later van zijn vader dat [medeverdachte] hem over de telefoon had bedreigd met “waar woon je?” en “ik maak je af”. Na een tijdje kwam [medeverdachte] weer naar binnen en hij liep door naar de keuken.

[medeverdachte] zei tegen aangever dat hij geld wilde hebben en hij vroeg hoe ze dat gingen oplossen. De andere jongen liep ook naar binnen en hij liep door naar de keuken. Beide jongens hadden aangever toen bedreigd. De jongens zeiden dat ze aangever zouden ontvoeren en zouden vastbinden aan een stoel. Dan zouden ze hem mishandelen en martelen. De jongens waren behoorlijk agressief en spraken met verheven stem. Op 12 januari 2013 had aangever een afspraak gemaakt voor 15 januari 2013. Op die avond zou het geld gegeven worden.

Aangever verklaarde dat hij op 11 januari 2013 en 12 januari 2013 verschillende sms-jes had gehad afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer] Deze sms-jes zijn woordelijk in het proces-verbaal van verhoor van aangever opgenomen. Op 14 januari 2013 had aangever ook een sms afkomstig van genoemd telefoonnummer gehad.

Aangever liet verbalisant later nog meerdere sms-berichten lezen. Ook deze sms-jes zijn in het proces-verbaal van verhoor van aangever opgenomen. Uit de uitgewerkte tapgesprekken blijkt dat daarnaast ook nog een sms is verstuurd inhoudende “Ik kom nu me kk geld halen desnoods trek ik je uit je huis”.

Aangever was op 15 januari 2013 in zijn zaak aan het werk en hij zag toen [medeverdachte]. Aangever herkende hem voor 100% als degene die hem vanaf het begin probeerde af te persen. Op de avond van 15 januari 2013 belde [medeverdachte] aangever op. Aangever herkende hem aan zijn stem en de jongen aan de telefoon vertelde dat hij [medeverdachte] was. Aangever zei dat hij het geld had liggen en [medeverdachte] gaf aan dat hij er binnen een uur zou zijn. Daarna was aangever gebeld door de jongen met het litteken. Hij hoorde dat het de jongen met het litteken was, omdat hij deze jongen enkele dagen ervoor, op 10 januari 2013, in de zaak had gesproken. Deze jongen begon aangever gelijk te bedreigen. Nadat de jongen met het litteken had gebeld belde [medeverdachte] aangever weer op. [medeverdachte] vertelde dat hij alleen zou komen. Aangever had daarna gelijk de politie gebeld.

Na de telefonische melding op 15 januari 2013 van [slachtoffer 1] betreffende de afpersing is de politie bij shoarmazaak [bedrijf] gaan posten. De politie zag een man naar het eetcafé lopen. Verbalisant [verbalisant ]herkende deze verdachte als zijnde [medeverdachte]. Verbalisant is met zijn collega achter deze verdachte aangelopen. Zij zagen dat verdachte de parkeerplaats overstak en dat hij bij een andere persoon ging staan. Verbalisanten zagen dat zij contact maakten met elkaar. Verbalisant [verbalisant] zag dat de tweede persoon overeenkwam met de persoon op de beelden van de beveiligingscamera van het eetcafé.

Het onderzoeksteam had de foto’s van die beelden ter beschikking gesteld. Verbalisant zag dat de jas die de persoon droeg overeenkwam met de persoon op de beveiligingsbeelden. Via de portofoon werd door een medewerker van het onderzoeksteam gevraagd of één van de verdachten een litteken in het gezicht had. Verbalisant zag dat de man waar verdachte [medeverdachte] naar toe was gelopen een litteken in het gezicht had. Beide personen zijn aangehouden als verdachten. Dit waren [medeverdachte] en [verdachte].

De mobiele telefoon met nummer [telefoonnummer] waar aangever[slachtoffer 1] meerdere keren mee was bedreigd is aangetroffen in de auto waarmee de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] op de avond van de aanhouding mee naar Zeewolde waren komen rijden.

Onderzoek naar de telefoongegevens wijst uit dat op 15 januari 2013 het telefoonnummer[telefoonnummer] meerdere malen contact heeft gehad met het telefoonnummer van aangever [slachtoffer 1]. Uit de uitgewerkte tapgegevens blijkt dat op 15 januari 2013 een sms-bericht is verstuurd met als inhoud “Ey, luister vriend let op je kk woorden k heb jou tog gezegt dat ik dinsdag contact zou opnemen met jou! K ben straks in de zaak hoe laat kan je?”. Tevens blijkt uit de uitgewerkte tapgegevens dat er op 15 januari 2013 een bedreigend gesprek op het telefoonnummer van aangever is binnen gekomen inhoudende “he, je praat stoer he met die kankerwoorden, je praat stoer he, ik kom naar je toe, helemaal alleen, je gaat eraan, ik kom er nu naar toe”.

Bij de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat hij de jongen met het litteken [verdachte] noemde en dat hij [verdachte] één keer had gezien op een donderdag, de dag waarvan de camerabeelden ter beschikking zijn gesteld. Aangever verklaarde de persoon met het litteken te hebben gesproken en dat deze persoon hem meerdere malen had gesmst. Aangever verklaarde [medeverdachte] en [verdachte] ongeveer 15 à 20 minuten in de keuken te hebben gesproken. Op dinsdag had [medeverdachte] naar de zaak gebeld. Daarna had [medeverdachte] gebeld en gezegd dat ze met z’n tweeën kwamen. Later kreeg aangever sms-jes van [verdachte] en belde [verdachte] dat hij nog wel een keer alleen kwam. Ongeveer een uur later kwamen ze met z’n tweeën en zag aangever dat er twee man werden gearresteerd. Aangever herkende vervolgens op de door de rechter-commissaris getoonde foto 2, welke foto is gevoegd achter het verhoor van aangever bij de politie op 11 februari 2013, de man met het litteken als [verdachte]. Aangever heeft verklaard dat de jongen op deze foto hem had bedreigd en voor alles had uitgemaakt en dat hij de meest agressieve was.

Aangever [slachtoffer 2], de vader van [slachtoffer 1], heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 januari 2013 werd gebeld door een jongen die [medeverdachte] heette. Hij hoorde [medeverdachte] zeggen “die zaak van [slachtoffer 1], hoe gaan wij dat oplossen?” Zijn zoon moest betalen anders zouden ze hem afhakken. [medeverdachte] wilde dat aangever naar Zeewolde kwam om te praten. Een paar dagen later werd aangever door zijn zoon gebeld. Hij hoorde zijn zoon zeggen “die jongens zijn hier”. Aangever hoorde één van de jongens in de telefoon schreeuwen “geld of moeten wij [slachtoffer 1] met een slijptol afmaken”. Aangever heeft bevestigd dat dit is gezegd. Aangever verklaarde dat hij snel [getuige] had gebeld en hem had gevraagd of hij naar zijn zoon in [bedrijf] wilde gaan.

Aangever had van zijn zoon gehoord dat er een aantal jongens in [bedrijf] waren geweest die hem bedreigden. Zelf had aangever één keer drie jongens gezien. Zijn zoon vertelde hem dat hij deze jongens € 20.000,00 moest betalen en dat de jongens hem anders zouden afhakken.

Aangever had één van de jongens twee keer aan de telefoon gehad. Beide keren zei deze jongen dat hij moest betalen. Aangever was ervan overtuigd dat de jongens de bedreigingen serieus meenden. In beide telefoongesprekken had aangever met [medeverdachte] gesproken.

Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij begin januari werd gebeld door [naam] de rechtbank begrijpt [slachtoffer 2]). [slachtoffer 2] klonk heel erg hysterisch. [slachtoffer 2] zei tegen hem dat hij naar zijn zoon in [bedrijf] moest gaan. [getuige] was daarop naar [bedrijf] gegaan. Toen hij binnen kwam zag hij twee jongens aan de bar zitten. Het leek of zij op [slachtoffer 1] aan het wachten waren. [getuige] zag dat de wangen van [slachtoffer 1] trilden, dat zijn lippen droog waren en dat hij bleek zag. [getuige] vroeg aan [slachtoffer 1] wat er aan de hand was en [slachtoffer 1] gebaarde daarop met zijn ogen naar de twee jongens aan de bar. [getuige] gaf aan dat één van de jongens een litteken op zijn gezicht had. Hij zag aan het gezicht, het uiterlijk en de houding van [slachtoffer 1] dat hij echt bang was. [getuige] zag vervolgens dat jongen 1 achter de bar langs liep naar de keuken. Daarna kwam jongen 2 binnen en hij liep ook naar de keuken. [slachtoffer 1] had met beide jongens zo’n vijf tot tien minuten in de keuken gesproken. [getuige] kreeg mee dat [slachtoffer 1] ergens mee akkoord moest gaan.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 20 december 2012 tot en met 15 januari 2013 samen met een mededader schuldig heeft gemaakt aan –kort gezegd- poging tot afpersing van

[slachtoffer 1] en diens vader onder de in de tenlastelegging opgenomen bedreigingen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 20 december 2012 tot en met 15 januari 2013 in de gemeente Zeewolde, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] en diens vader, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (20.000,00 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of zijn vader, met (één of meer van) zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gebeld en gevraagd bij hen te komen en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd bij hen in de auto te stappen en met die [slachtoffer 1] een rondje heeft/hebben gereden en onderweg heeft/hebben beschuldigd van een inbraak en het rippen van een hennepplantage en

- die [slachtoffer 1] in zijn zaak [bedrijf] heeft/hebben opgezocht en

- die [slachtoffer 1] uit de zaak [bedrijf] mee naar buiten heeft/hebben genomen en vervolgens

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben verteld dat hij en zijn mededader een geldbedrag van 20.000,00 euro van [slachtoffer 1] wil/willen hebben en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben bedreigd dat de zaak [bedrijf] vernield zou gaan worden en dat de vader van die [slachtoffer 1] klappen zou krijgen en zou worden vermoord en

- in de zaak [bedrijf] die [slachtoffer 1] naar de keuken zijn gevolgd en vervolgens

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben bedreigd te gaan ontvoeren en te martelen en vast te binden en af te maken met een slijptol en

- de vader van die [slachtoffer 1] heeft/hebben opgezocht en bedreigd en

- de vader van de [slachtoffer 1] telefonisch heeft/hebben gezegd: “Waar woon je” en “Ik maak je af” en “ Geld of moeten wij [slachtoffer 1] met een slijptol afmaken” en

- aan de vader van die [slachtoffer 1] een sms heeft/hebben gestuurd inhoudende zakelijk weergegeven dat de jongens op weg waren naar Zeewolde en

- die [slachtoffer 1] (onder andere) heeft/hebben gesmst dat “Betaal desnoods een deel” en “Negeer je mij, whollah en ik komen achter jou, begin bij je ouders en je zaak” en “Vandaag de helft, ja of nee” en “Als je gewoon wat regelt is er niks” en “Maar als ik voor 3 uur niks hoor, dan stuur ik mijn gappie naar je” en “Duurt me te lang” en “Sms wat je nu hebt liggen” en “Waar en hoe laat morgen” en “Maak geen geintjes” en “Dinsdag klaar, laatste kans” en “Ik wil vandaag 5 rug” en “Hoeveel heb je nu over, dat kom ik halen en dinsdag de rest” en “Reageer nu a flikkertje of ik rij nu naar jou” en “Ik kom nu me kk geld halen desnoods trek ik je uit je huis” en “Ey luister vriend let op je kk woorden k heb jou tog gezegt dat k dinsdag contact zou opnemen met jou! K ben straks in de zaak hoe laat kan je” en

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben gebeld en heeft/hebben gezegd: “Hé je praat stoer he met die kankerwoorden, je praat stoer he. Ik kom naar je toe, helemaal alleen, jij gaat er aan, ik kom nu naar je toe”,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Poging tot afpersing door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 137 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel een contactverbod met aangever [slachtoffer 1] en zijn vader [slachtoffer 2], een locatieverbod ten aanzien van horecagelegenheid [bedrijf] en (voorzetting van) contact met De Waag in een verplicht kader als bijzondere voorwaarden te koppelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en overigens geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Verdachte heeft de slachtoffers daarbij op zeer ernstige wijze bedreigd met geweld. Verdachte heeft alleen aan zijn eigen gewin gedacht en hij heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers. Het handelen van verdachte moet zeer beangstigend zijn geweest voor de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog lange tijd gevoelens van angst kunnen ondervinden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 april 2013 volgt dat verdachte in 2011 is veroordeeld voor een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld.

De reclassering vermeldt in het rapport van 10 april 2013 dat verdachte sinds een half jaar een behandeling volgt bij De Waag. De behandeling is gericht op het vergroten van zijn copingvaardigheden, waardoor agressief gedrag voorkomen kan worden. Verdachte toont zich gemotiveerd en komt zijn afspraken goed na. Het gegeven dat verdachte een behandeling volgt bij De Waag is een recidiveverlagende factor. De reclassering heeft geen problemen op verschillende leefgebieden gesignaleerd die een reclasseringstoezicht noodzakelijk maken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit, zijn strafblad, het feit dat verdachte bij de politie totaal geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor hetgeen hij heeft gedaan en verdachte ook niet daarvoor ter zitting is verschenen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank acht het feit dermate ernstig dat niet kan worden volstaan met de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke straf. De rechtbank zal verdachte een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte te doordringen van de ernst van wat hij heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijk strafdeel daarbij noodzakelijk is om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van drie jaar verbinden. De rechtbank heeft in het verhandelde ter zitting geen aanleiding gezien om een lagere proeftijd op te leggen dan de in artikel 14b onder twee van het Wetboek van Strafrecht bepaalde maximale proeftijd van drie jaar. Voorts zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel een contactverbod met aangever [slachtoffer 1] en zijn vader

[slachtoffer 2], een locatieverbod ten aanzien van horecagelegenheid [bedrijf] en verplichte voorzetting van de reeds gestarte behandeling bij De Waag als bijzondere voorwaarden koppelen.

Alles overziende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaar, alsmede de genoemde bijzondere voorwaarden.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] - daartoe vertegenwoordigd door

mr. M.G.M. Frerix - zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 3.619,04, waarvan € 1.000,00 ter zake van immateriële schade en € 2.619,04 ter zake van materiële schade. De benadeelde partij heeft tevens de gemaakte kosten voor rechtsbijstand gevorderd tot een bedrag van € 955,60.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.619,04, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor zover deze ziet op de gevorderde kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 955,60.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.000,00 ter zake van immateriële schade en € 955,60 ter zake de kosten voor rechtsbijstand, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil. De rechtbank zal de vordering daarom ter hoogte van het bedrag van € 1.955,60 toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het overige gevorderde, te weten het bedrag van € 2.619,04 ter zake van materiële schade, een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dit deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag van

€ 1.000,00 aan immateriële schade zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van drie jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangever [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]:

* zich niet zal bevinden in de directe omgeving van shoarmazaak [bedrijf], gevestigd aan het [adres] te [woonplaats];

* de reeds gestarte behandeling bij De Waag zal voortzetten;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 1.955,60 (zegge: negentienhonderdvijfenvijftig euro en zestig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 15 januari 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mrs. M. Ferschtman en M.C. Stoové, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2013.

Mr. Ferschtman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.