Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9790

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
16-440247-11 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 149.810,00. Gelet op het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtekijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht, stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkegen voordeel vast op nihil. Om die reden wijst de rechtbank de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/440247-11 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 8 mei 2013

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsvrouw mr. R. van Manen, advocaat te Utrecht

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering van de officier van justitie d.d. 17 juli 2012, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/440247-11 waaruit blijkt dat verdachte op 8 mei 2013 door de rechtbank is veroordeeld ter zake van afdreiging tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het rapport van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 12 juli 2011, rapportnummer 2010036406;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken;

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 26 april 2013 is de officier van justitie gehoord. De verdachte heeft zich ter terechtzitting laten vertegenwoordigen door mr. R. van Manen.

2 De beoordeling.

2.1 De vordering van de officier van justitie.

Bij vordering van 17 juli 2012 heeft de officier van justitie het door verdachte verkregen voordeel geschat op € 150.290,00

( € 133.540,00 + € 16.750,00). Dit standpunt heeft de officier van justitie ter terechtzitting gehandhaafd.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van een bedrag van € 480,00. Daarbij heeft zij rekening gehouden met de in de hoofdzaak gevorderde materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde]. Ter zake van het dan resterende bedrag van € 480,00 is de officier van justitie van mening dat dit bedrag vanwege een soortgelijk feit, te weten oplichting, is verkregen.

2.2 Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de vordering niet weersproken.

2.3 Het oordeel van de rechtbank.

Dat verdachte het bewezen verklaard heeft begaan blijkt uit het door de meervoudige kamer van deze rechtbank gewezen vonnis van 8 mei 2013 en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen.

De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat kan worden op een bedrag van

€ 149.810,00 (€ 150.290,00 - € 480,00), aangezien het bedrag van € 480,00 niet als gevolg van afdreiging een ook niet als gevolg van een soortgelijk feit is overgemaakt.

Uit het vonnis van de meervoudige kamer van 8 mei 2013 blijkt dat de vordering van de benadeelde partij tot onder meer een bedrag van € 149.810,- voor de materiële schade (afgedreigde bedragen) is toegewezen.

Gelet op het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht, stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie om die reden afwijzen.

3 De beslissing.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 17 juli 2012, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier A. Heijboer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 mei 2013.

Mrs. P.W.G. de Beer en L.M.G. de Weerd zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.