Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9377

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
C-16-307846 - HA ZA 11-1206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Wettelijke rente over niet tijdig betaalde uitkeringstermijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

zittinghoudende te Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/307846 / HA ZA 11-1206

Vonnis van 1 mei 2013

in de zaak van

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

AMERSFOORTSE ALGEMENE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. B. Holthuis te Deventer.

Partijen zullen hierna [Eiser] en De Amersfoortse genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 oktober 2012;

- de akte met wijziging van eis van [Eiser];

- de antwoordakte van De Amersfoortse.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. [Eiser] heeft zijn eis gewijzigd. Hij vordert nu, samengevat, het volgende:

• een verklaring voor recht dat hij vanaf 29 mei 2007 volledig arbeidsongeschikt is en recht heeft op een uitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid, en voor de periode van 29 mei 2007 tot 1 februari 2009 subsidiair een beslissing in goede justitie;

• een verklaring voor recht dat De Amersfoortse per 29 mei 2007 niet opnieuw een eigen-risicotermijn van 90 dagen mocht hanteren;

• een verklaring voor recht dat hij recht heeft op premievrijstelling;

• veroordeling van De Amersfoortse tot betaling van die uitkering en tot terugbetaling van betaalde premies, met rente;

• veroordeling van De Amersfoortse tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en van de proceskosten.

2.2. Deze zaak kenmerkt zich met name hierdoor dat het lang geduurd heeft voordat bij [Eiser] de juiste diagnose gesteld kon worden. De eerste ziekmelding dateert van 2003; pas sinds 2011 staat vast dat hij lijdt aan de ziekte van Parkinson en aan apneu. Inmiddels zijn partijen het erover eens dat [Eiser] arbeidsongeschikt is; het geschil betreft vooral nog het arbeidsongeschiktheidspercentage.

2.3. De Amersfoortse heeft een onderzoek laten instellen door de verzekeringsarts drs. [A]. Haar rapportage van januari 2012 leidt tot de conclusie, kort gezegd, dat [Eiser] tweemaal drie uur per dag kan werken. Op basis van dat rapport heeft [X] in april 2012 een arbeidskundig rapport opgesteld. De conclusie daarvan luidt als volgt:

Verzekerde is voor de periode van 29-05-2007 tot 31-01-2009 op praktische gronden 65-80% arbeidsongeschikt te beschouwen.

Verzekerde is voor de periode van 01-02-2009 tot einddatum polis op theoretische gronden 80-100% arbeidsongeschikt te beschouwen.

De Amersfoortse refereert zich aan dit advies. [Eiser] is het niet eens met het rapport van [A] en dus ook niet met dat van [X], dat gebaseerd is op het rapport van [A]. [Eiser] is van mening dat hij gedurende de hele periode vanaf 29 mei 2007 volledig arbeidsongeschikt was. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk verklaard dat hij geen verder onderzoek meer wil, en hij heeft de rechtbank gevraagd om over de periode 29 mei 2007 tot 1 februari 2009 naar redelijkheid en billijkheid te beslissen.

2.4. Over de periode vanaf 1 februari 2009 zijn partijen het dus eens. Dat geldt niet voor de periode van 29 mei 2007 tot 1 februari 2009. Voor die periode wordt een arbeidsongeschiktheid van 65-80% erkend, terwijl [Eiser] stelt dat hij ook toen al volledig arbeidsongeschikt was. Hij voert aan dat hij in die periode weliswaar nog twintig uur per week werkte, maar dat niet is onderzocht, kort gezegd, in hoeverre zijn beperkingen toen leidden tot een verminderde productiviteit. Daarnaast stelt hij dat de arbeidsdeskundige ten onrechte geen financiële spiegeling gemaakt heeft.

2.5. Bij de beoordeling hiervan staat voorop dat [Eiser], op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling in artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), de bewijslast heeft met betrekking tot de stellingen waarop hij zijn vordering baseert, waaronder de mate van arbeidsongeschiktheid. Weliswaar ligt in zaken als deze het initiatief tot het vaststellen van die arbeidsongeschiktheid bij de verzekeringsmaatschappij, maar dat brengt geen verandering in het uitgangspunt voor de verdeling van bewijslast en bewijsrisico.

2.6. [Eiser] heeft in zoverre gelijk dat het enkele feit dat hij twintig uur per week werkte niet doorslaggevend is. Vanwege de bovengenoemde bewijslastverdeling mocht echter wel van hem verwacht worden dat hij ten minste zou stellen in welke mate hij nog productief was en dat concreet zou toelichten, ook omdat [X] naar aanleiding van opmerkingen van mr. Machielsen wel op dat punt is ingegaan. [Eiser] diende dus toe te lichten in welke opzichten het rapport van [X] volgens hem niet deugde. Daarvoor is niet voldoende dat het gebaseerd is op het rapport van [A]. Ook als dat rapport niet zou deugen, zoals [Eiser] stelt, dan raakt dat niet per definitie het rapport van [X]. [X] stelt immers een veel hogere mate van arbeidsongeschiktheid vast dan het rapport van [A] zou doen vermoeden, zodat men mag aannemen dat hij niet blindelings op dat rapport is afgegaan. Omdat [Eiser] op dit punt zijn standpunt onvoldoende concreet heeft toegelicht, verwerpt de rechtbank dit bezwaar.

2.7. [Eiser] voert verder aan dat de arbeidsdeskundige heeft nagelaten om een financiële spiegeling te maken, terwijl inkomensderving een relevante factor kan zijn. Hij beroept zich daarbij op artikel 3 van de polisvoorwaarden. Deze bepaling luidt als volgt.

3 Strekking van de verzekering

Deze verzekering heeft ten doel uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid.

Daaruit kan worden afgeleid dat men zonder inkomensderving geen recht heeft op een uitkering, maar niet dat de mate van arbeidsongeschiktheid geheel of mede wordt bepaald door de mate waarin men inkomen derft. De rechtbank ziet daarvoor ook geen andere aanwijzingen. [Eiser] licht bovendien niet concreet toe dat zijn inkomen inderdaad ook in die periode al zozeer gedaald was dat hij op die grond ook toen al als volledig arbeidsongeschikt beschouwd had moeten worden.

2.8. Aangezien [Eiser] met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid de bewijslast heeft, mocht van hem verwacht worden dat hij zijn betwisting van de conclusies van [X] tenminste heel concreet zou toelichten. Omdat hij dat heeft nagelaten, zal de rechtbank voor de periode tot 1 februari 2009 uitgaan van een arbeidsongeschiktheid van 65-80%, zoals vastgesteld door [X] en door De Amersfoortse geaccepteerd. De gevorderde verklaring voor recht kan in zoverre worden toegewezen. De Amersfoortse zal veroordeeld worden om aan [Eiser] de uitkering te betalen waarop hij recht heeft, voor zover zij dat nog niet gedaan heeft.

2.9. De Amersfoortse erkent dat zij in 2007 ten onrechte opnieuw een eigen-risicoter¬mijn gehanteerd heeft. De verklaring voor recht die [Eiser] hierover vordert kan daarom eveneens worden toegewezen.

2.10. [Eiser] vordert de wettelijke handelsrente. Deze is verschuldigd bij vertraging in de voldoening van een geldsom bij handelsovereenkomsten. De vordering van [Eiser] in deze procedure strekt tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst. Een verzekeringsovereenkomst is geen handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) (vergelijk Hof Amsterdam 21 juni 2011, LJN BR5292). De Amersfoortse is dan ook geen wettelijke handelsrente verschuldigd.

2.11. De Amersfoortse is wel gewone wettelijke rente verschuldigd over de niet tijdig betaalde uitkering. Nu achteraf is komen vast te staan dat [Eiser] arbeidsongeschikt is gebleven sinds 29 mei 2007 is namelijk sprake van vertraging in de nakoming van de verplichting tot betaling van de verzekerde uitkeringen. Op grond van het bepaalde in artikel 17 van de polisvoorwaarden had de verzekerde uitkering in vierwekelijkse periodes achteraf betaald moeten worden. Dat is niet gebeurd. De schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest (artikel 6:119 BW). Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van verzuim van De Amersfoortse als bedoeld in artikel 6:83 sub a BW omdat de in artikel 17 van de polis voor de betaling van de verzekerde uitkering gestelde termijn is verstreken. Dat lange tijd niet vast stond hoe groot de arbeidsongeschiktheid nu precies was doet aan de opeisbaarheid van de vordering tot betaling van de verzekerde uitkering niet af. Een vordering kan namelijk ook opeisbaar zijn als haar omvang nog niet is vastgesteld (vergelijk HR 21 september 2007, NJ 2009, 50).

2.12. De vertraging in de nakoming die ontstaan is tijdens het verzuim moet in deze zaak volledig worden toegerekend aan De Amersfoortse (artikel 6:84 BW). De Amersfoortse heeft namelijk geen (voldoende) feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de vertraging aan [Eiser] moet worden toegerekend. De Amersfoortse heeft zelf in of omstreeks maart 2007 beslist om de uitkering te stoppen met ingang van 29 mei 2007. [Eiser] heeft daarmee niet ingestemd. Zijn advocaat heeft bij brief van 12 september 2007 (productie 32 bij dagvaarding) duidelijk en ondubbelzinnig aan De Amersfoortse bericht dat [Eiser] het afwijzend standpunt niet accepteert en heeft De Amersfoortse gesommeerd om de verschuldigde uitkering uit te betalen. Dat het daarna lang heeft geduurd voordat [Eiser] opnieuw actie heeft ondernomen maakt niet dat de vertraging die tijdens het verzuim van De Amersfoortse is ontstaan aan hem moet worden toegerekend. De wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de uitkeringen kan dus worden toegewezen als gevorderd.

2.13. De wettelijke rente over de onverschuldigd betaalde premies kan worden toegewezen met ingang van 7 januari 2011. Bij brief van die datum (productie 11 bij dagvaarding) heeft [Eiser] gesommeerd tot restitutie van teveel betaalde premie. [Eiser] heeft niet toegelicht dat De Amersfoortse tegen een eerdere datum in gebreke is gesteld of dat De Amersfoortse de premie te kwader trouw als bedoeld in artikel 6:205 BW heeft ontvangen.

2.14. De Amersfoortse betwist niet dat [Eiser] op grond van artikel 21 van de polisvoorwaarden recht heeft op een premievrijstelling naar evenredigheid van de betaalde uitkering. De verklaring voor recht die hij hierover vordert kan dan ook in die vorm worden toegewezen. De Amersfoortse dient – voor zover zij dat nog niet gedaan heeft – aan [Eiser] terug te betalen hetgeen hij te veel betaald heeft.

2.15. [Eiser] vordert een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, namelijk buitengerechtelijke advocaatkosten en kosten van een medisch adviseur. De Amersfoortse verzet zich daartegen. [Eiser] licht niet toe dat het hierbij gaat om andere werkzaamheden dan die ter voorbereiding van deze procedure. Daarom zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen; de kosten waarvan [Eiser] vergoeding vordert, vallen onder de proceskostenveroordeling.

2.16. De Amersfoortse zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Eiser] worden begroot op:

- betaalde explootkosten € 22,70

- in debet gestelde explootkosten 68,11 (gerechtsdeurwaarder F.J.M. van Vuuren)

- betaald griffierecht 71,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.517,81

Aangezien aan [Eiser] een toevoeging is verleend, dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland.

2.17. In het incident tot betaling van een voorschot is een beslissing over de proceskosten aangehouden. De incidentele vordering is afgewezen, omdat op dat moment niet kon worden vastgesteld in welke mate [Eiser] arbeidsongeschikt was. Inmiddels is gebleken dat [Eiser] inderdaad recht had op een aanzienlijk bedrag. Daarom zal De Amersfoortse ook in de kosten van het incident veroordeeld worden. Omdat de incidentele vordering gedaan is in de dagvaarding, zullen de kosten aan de zijde van [Eiser] op nihil gesteld worden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart voor recht dat [Eiser] vanaf 29 mei 2007 voor 65-80% arbeidsongeschikt is en vanaf 1 februari 2009 voor 80-100%, en dat hij recht heeft op een uitkering van De Amersfoortse naar die mate van arbeidsongeschiktheid, met 3% indexering;

3.2. verklaart voor recht dat De Amersfoortse per 29 mei 2007 niet opnieuw een eigen-risicotermijn van 90 dagen kon hanteren;

3.3. veroordeelt De Amersfoortse om aan [Eiser] vanaf 29 mei 2007 een uitkering te betalen naar 65-80% arbeidsongeschiktheid en vanaf 1 februari 2009 naar 80-100% arbeidsongeschiktheid, verminderd met hetgeen zij reeds betaald heeft en vermeerderd met 3% indexering en vermeerderd met de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 BW vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand, waarop de uitkering betrekking heeft tot de voldoening;

3.4. verklaart voor recht dat [Eiser] vanaf 29 mei 2007 recht heeft op een premievrijstelling naar evenredigheid van de uitkering waarop hij recht heeft, overeenkomstig de mate van arbeidsongeschiktheid zoals vastgesteld onder 3.1;

3.5. veroordeelt De Amersfoortse om aan [Eiser] terug te betalen de door [Eiser] sedert 1 november 2003 onverschuldigd betaalde premies, verminderd met hetgeen De Amersfoortse al heeft terugbetaald en vermeerderd met de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 BW vanaf 7 januari 2011 tot de dag van terugbetaling door De Amersfoortse;

3.6. veroordeelt De Amersfoortse in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op € 1.517,81, waarvan € 68,11 aan explootkosten te voldoen aan de griffier op het moment dat De Amersfoortse een nota van de rechtbank daarvoor heeft ontvangen;

3.7. veroordeelt De Amersfoortse in de kosten van het incident, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op nihil;

3.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.?