Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9196

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
649576 ME VERZ 13-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van eiser strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze na het ontslag op staande voet van 30 december 2012 nog mocht bestaan, onmiddellijk wordt ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding, op grond van gewichtige redenen, primair in de zin van dringende redenen en subsidiair in de zin van veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. In een arbeidsrelatie moeten werkgever en werknemer elkaar kunnen vertrouwen. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat werknemer tijdens werktijd van etenswaren heeft gegeten waarvan niet is komen vast te staan dat deze onverkoopbaar waren, waarmee zij de huisregels heeft overtreden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer door haar eigen toedoen een situatie gecreëerd waarin werkgever het noodzakelijke vertrouwen in haar heeft verloren. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, voor het geval deze nog zou bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/170
RAR 2013/103
AR-Updates.nl 2013-0367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te [vestigingsplaats]

zaaknr.: 649576 ME VERZ 13-74

datum : 1 mei 2013

Beschikking op een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding

van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij,

verder te noemen [verzoekster],

gemachtigde mr. J.M.P. Blom, advocaat te Lelystad,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

verder te noemen [verweerster],

gemachtigde mr. J. Bel, jurist bij FNV Bondgenoten.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift,

- het verweerschrift,

- nadere producties en de door de gemachtigde van [verzoekster] overgelegde pleitnotities.

De mondelinge behandeling is gehouden op 18 november 2013.

Verschenen zijn:

- [verzoekster], bij de heer [A], assistent directeur, bijgestaan door mr. Blom, en;

- [verweerster], bijgestaan door mr. Bel.

Het geschil

1. Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze na het ontslag op staande voet van 30 december 2012 nog mocht bestaan, onmiddellijk wordt ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding, op grond van gewichtige redenen, primair in de zin van dringende redenen en subsidiair in de zin van veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De dringende reden is gebaseerd op de navolgende verwijten die zijn gebruikt om [verweerster] op staande voet te ontslaan, aangevuld met een aantal – al dan niet na het ontslag op staande voet voorgevallen – feiten en omstandigheden, te weten uitlatingen in de pers en (sociale)media van [verweerster] aangevuld met het opzeggen van het vertrouwen in [verzoekster] door [verweerster]. Naar de mening van [verzoekster] leveren de feiten en omstandigheden voldoende grond op om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden wegens het verlies van vertrouwen in haar. [verzoekster] verwijt [verweerster] dat zij zonder deugdelijke redenen op 28 en 29 december 2012 tijdens werktijd een half (afgebakken) pecannotenbroodje, een flink stuk appeltaart, beide helften van een gebroken stokbrood en een appelflap heeft gegeten. Daarmee heeft [verweerster] bepaalde verbodsbepalingen uit de huisregels en de CAO overtreden. Van de meeste feiten zijn videobeelden gemaakt en [verweerster] heeft niet ontkend dat zij de genoemde etenswaren heeft genuttigd. [verweerster] heeft haar standpunt trachten te onderbouwen met een aantal verklaringen. Het door haar gestelde bestendige gebruik en het gedogen hiervan door de leiding van [verzoekster] wordt hierdoor echter geenszins aangetoond. [verzoekster] verwijt [verweerster] - en overige personeelsleden - niet dat zij van tijd tot tijd wel eens iets van de voor de proeverij bestemde etenswaren pakken, maar wat [verweerster] heeft gedaan gaat veel verder, namelijk dat zij etenswaren voor zichzelf apart heeft gelegd en in grotere hoeveelheden tot zich heeft genomen dan bij het enkele proeven en keuren in de rede zou liggen. [verzoekster] moet vertrouwen in [verweerster] kunnen hebben en er worden dan ook hoge eisen gesteld aan haar integriteit. Volgens [verzoekster] staat de door [verweerster] gepleegde diefstal/verduistering vast en is zij derhalve terecht vanwege deze dringende reden op staande voet ontslagen. Daarnaast heeft [verweerster] na haar ontslag op staande voet de publiciteit gezocht en zij heeft zich in de pers en (sociale)media onvolledig uitgelaten over de feiten en omstandigheden. Dit heeft tot een stortvloed aan negatieve reacties geleid en dit kan [verweerster] ook worden aangerekend. Ten slotte heeft [verweerster] aangegeven dat zij, ook als het ontslag op staande voet als onterecht zou worden bestempeld, niet meer terug zal keren omdat zij geen vertrouwen meer heeft in [verzoekster]. In ieder geval is er volgens [verzoekster] daarom sprake van een wijziging van de omstandigheden die van dien aard is, dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk moet eindigen. De arbeidsverhouding is immers in ernstige mate verstoord. Omdat dit geheel aan [verweerster] is te wijten, is er geen aanleiding voor toekenning van een ontbindingsvergoeding.

2. [verweerster] heeft verweer gevoerd. [verweerster] is van mening dat er geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt, en derhalve evenmin de thans door [verzoekster] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] heeft aangevoerd dat het nuttigen van etenswaren, die voor de verkoop of een proeverij bestemd waren, waaraan [verweerster] zich schuldig zou hebben gemaakt, een dringende reden oplevert. [verweerster] is echter van mening dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan diefstal of verduistering. Het behoort tot haar taak om etenswaren die voor de verkoop of de proeverij bestemd zijn te controleren. In dat kader heeft zij bijvoorbeeld van het pecannotenbroodje geproefd omdat deze te lang buiten de koeling had gestaan. Ook de appelflappen waren niet goed afgebakken en het stokbrood kwam gebroken uit de oven en één helft was op de grond gevallen, volgens [verweerster]. [verzoekster] heeft voor haar standpunt verwezen naar de huisregels 2010 waarin een kopje ‘Fraude en diefstal’ is opgenomen. Het is volgens [verweerster] niet juist dat het daarin gepropageerde strikte beleid wordt gevolgd. Zo komt het in de supermarkt dagelijks voor dat medewerkers en leidinggevenden etenswaren nuttigen. [verweerster] heeft in dat verband een lijst met namen en specifieke verklaringen overgelegd van klanten en (ex-) werknemers die bevestigen dat werknemers en leidinggevenden zeer regelmatig eten van producten die niet meer voor verkoop in aanmerking kwamen en van de proeverijen in de winkel. Op grond van deze omstandigheden is er sprake van een gebruik dat behoort tot de bedrijfscultuur en kan in redelijkheid geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een dringende reden om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen, aldus [verweerster]. Anders dan [verzoekster] meent, heeft [verweerster] bovendien niet zelf de publiciteit gezocht. Zij heeft na haar ontslag een mededeling daarover aan een bestuurder van FNV Bondgenoten getwitterd. Hij heeft dit vervolgens op zijn account geplaatst, waarna het voorval door de media is opgepikt. Vervolgens hebben de media [verweerster] benaderd en niet andersom. [verweerster] heeft zich in de media niet onvolledig uitgelaten, maar doorgaans kunnen zaken in de pers niet tot in detail worden weergegeven en heb je te maken met de interpretatie van feiten en omstandigheden door journalisten. Het argument van [verzoekster] dat [verweerster] zelf zou hebben verklaard dat zij geen vertrouwen meer heeft in [verzoekster], berust op een onjuiste interpretatie van de woorden van [verweerster]. Voor zover de gang van zaken wel een wijziging in de omstandigheden zou opleveren doordat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt, is dat niet aan [verweerster] toe te rekenen. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, moet daaraan dan ook een vergoeding van € 20.596,00 (bruto) worden verbonden.

De beoordeling

3. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken – mede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover die niet zijn betwist – het volgende vast:

a. [verweerster] is op 16 augustus 2008 in dienst van [verzoekster] getreden in de functie van verkoopmedewerker.

b. Het salaris van [verweerster] bedroeg laatstelijk € 1.453,63 (bruto) per vier weken, exclusief vakantiebijslag en andere emolumenten.

c. [verzoekster] exploiteert meerdere supermarktwinkels in Almere onder de Albert Heijn vlag.

d. In de huisregels van [verzoekster] staat, onder meer, het volgende:

“Fraude en diefstal

Fraude of diefstal lijkt misschien een “zware” term, maar wel duidelijk! In de winkel wordt gebruik gemaakt van camera’s, […] Wij wijzen je erop, dat wij arbeidsrechtelijke maatregelen zullen treffen, indien je je niet aan één of meer van deze afspraken houdt. Een schriftelijke waarschuwing, het inhouden van salaris, of in geval van diefstal en fraude altijd ontslag op staande voet behoren tot deze maatregelen. [verzoekster] supermarkten bv hanteert een zero-tolerance beleid ten aanzien van diefstal en/of fraude, al lijkt het vergrijp nog zo klein of is de waarde nog zo gering, altijd zal er een onherroepelijk ontslag op staande voet volgen […]”.

e. Met een brief van 24 maart 2011 heeft [verzoekster] [verweerster] een ernstige waarschuwing gestuurd, waarin, onder meer, het volgende staat:

“Hierbij ontvangt u een ernstige waarschuwing gezien het feit dat u kauwgom uit de winkel heeft genuttigd voordat deze afgerekend was.

U zal begrijpen dat dit gedrag ontoelaatbaar is, mocht dit onverhoopt nog een keer voorkomen, zullen we genoodzaakt zijn om verdere maatregelen te nemen.”

f. [verzoekster] heeft [verweerster] op 29 december 2012 een brief gestuurd waarin [verweerster] – verkort en zakelijk weergegeven – wordt gewaarschuwd dat zij zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan overtredingen van de werktijden, waar zij eerder voor gewaarschuwd is, dat dit niet wordt getolereerd en dat herhaling zal worden beschouwd als een reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

g. Met een brief van 31 december 2012 heeft de gemachtigde van [verzoekster], onder meer, het volgende aan [verweerster] geschreven, ter bevestiging van een gesprek op 30 december 2012:

“[…]

Tijdens dit onderhoud hebben wij u meegedeeld het voornemen te hebben u met onmiddellijke ingang op staande voet te ontslaan.

Wij deelden u mee dat aan dit voornemen – kort gezegd – de volgende feiten en omstandigheden, die zowel op zichzelf als in samenhang beschouwd een dringende reden voor ontslag vormen, ten grondslag liggen: de verduistering (in dienstbetrekking)/diefstal (en vervolgens nuttigen) van bedrijfseigendommen (voor de verkoop/proeverij bestemde etenswaren zoals een stuk stokbrood, punt appeltaart, appelflap en pecannotenbroodje) tijdens diensttijd op in elk geval 28 en 29 december 2012, alsook het u ondanks waarschuwing hardnekkig niet houden aan de werktijden en klokprocedures.

U bent vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren op ons voornemen en de gronden die wij daaraan ten grondslag leggen. Kort gezegd kwam uw reactie op het volgende neer. Aanvankelijk ontkende u na de invoering van de verscherpte huisregels in 2010 nog etenswaren te hebben zonder betaling te hebben weggenomen en genuttigd. Toen wij u erop wezen over camerabeelden te beschikken, trachtte u uw handelen te vergoelijken (het stokbrood zou zijn gevallen en daardoor onverkoopbaar zijn, de appeltaart zou voor een proeverij bestemd zijn, de appelflap zou snotterig en daardoor onverkoopbaar zijn). U was van oordeel dat op alle slakken zout werd gelegd.

U gaf er geen blijk van in te zien dat u fout had gehandeld. […]

Na enige discussie tussen u en ons, waarbij over en weer inhoudelijk werd ingegaan op de wederzijds aangevoerde argumenten hebben wij u tenslotte, al de wederzijds aangevoerde feiten en belangen afwegend meegedeeld dat wij hebben besloten u om de bovenstaande redenen op staande voet te ontslaan. […]”.

4. De kantonrechter heeft zich op basis van de door partijen gegeven informatie ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst, indien die nog blijkt te bestaan, onmiddellijk dient te eindigen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

6. [verweerster] heeft voor het door haar gevoerde verweer naar het oordeel van de kantonrechter geen, dan wel een onvoldoende overtuigende, onderbouwing gegeven. Waar door [verweerster] is aangevoerd dat het tot haar taak behoorde om etenswaren te proeven in het kader van controle, heeft [verzoekster] daar tegenover gesteld dat [verweerster] haar taken te buiten is gegaan en in feite gewoon van het eten heeft gesnoept. Naar aanleiding van de ter zitting getoonde camerabeelden is het de kantonrechter er in voldoende mate van overtuigd dat [verweerster] inderdaad – zoals het afsnijden van een stuk appeltaart het beste illustreert – etenswaren voor zichzelf heeft afgesneden en heeft gereserveerd en dat zij in ieder geval meerdere happen van één of meerdere appelflappen heeft genomen. [verweerster] is dan ook verder gegaan dan vanuit haar controlerende taak mag worden verwacht. [verweerster] heeft erop gewezen dat uit de huisregels niet kan worden afgeleid dat eten en/of proeven ook onder het kopje ‘fraude en diefstal’ valt. De kantonrechter is in dat opzicht echter van oordeel dat de inhoud voldoende duidelijk moet worden geacht, dat [verweerster] er derhalve van doordrongen had moeten zijn dat [verzoekster] zelfs het allerkleinste vergrijp zeer serieus opvat, zoals ook blijkt uit de waarschuwing met betrekking tot de kauwgom, en dat zij als een gewaarschuwd mens kan worden aangemerkt. Een overtuigende onderbouwing van haar stelling dat het gebruik om te eten en te proeven onder medewerkers en leidinggevenden van [verzoekster] wijd verspreid was en dat hierop door de leiding niet werd ingegrepen, heeft [verweerster] evenmin gegeven. In de door [verweerster] overgelegde verklaringen wordt gesproken van het nuttigen van etenswaren van de proeverijen en dit is niet zozeer wat [verzoekster] [verweerster] verwijt, zoals is gebleken.

7. [verweerster] heeft naar het oordeel van de kantonrechter ook niet de door [verzoekster] opgeroepen sfeer weten te weerleggen van een medewerker die het niet zo nauw lijkt te nemen met de geldende regels en met een beschuldigende vinger naar anderen wijst, in plaats van zich de kritiek op haar handelswijze persoonlijk aan te trekken.

8. In een arbeidsrelatie moeten werkgever en werknemer elkaar kunnen vertrouwen. Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van het voorgaande voldoende gebleken dat [verweerster] tijdens werktijd van etenswaren heeft gegeten waarvan niet is komen vast te staan dat deze onverkoopbaar waren, waarmee zij de huisregels – waarmee [verweerster] bekend was – heeft overtreden, en dit wordt niet anders doordat de etenswaren die [verweerster] heeft genuttigd mogelijk slechts van geringe waarde waren, zoals door [verweerster] nog is aangevoerd. Het verwijt dat [verzoekster] [verweerster] heeft gemaakt met betrekking tot haar uitlatingen in de media, zal de kantonrechter niet verder bespreken. Voor het oordeel op het verzoek is dit niet nodig omdat de hiervoor besproken gronden voldoende zijn. De kantonrechter is voldoende gebleken dat het vertrouwen over en weer weg is. Dit levert een wijziging van omstandigheden op die van dien aard is dat van [verzoekster] niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst in stand te laten, zodat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, voor het geval deze na het op 30 december 2012 aan [verweerster] gegeven ontslag op staande voet nog zou blijken te bestaan.

9. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerster] door haar eigen toedoen een situatie gecreëerd waarin [verzoekster] het noodzakelijke vertrouwen in haar heeft verloren. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om aan [verweerster] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe te kennen.

10. Gelet op deze uitkomst behoeft niet te worden beoordeeld of het handelen van [verweerster] (ook) een dringende reden oplevert. Gezien het voorwaardelijk karakter van deze procedure zullen de kosten van het geding op de hierna te vermelden wijze worden gecompenseerd.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor het geval deze na het op 30 december 2012 aan [verweerster] gegeven ontslag op staande voet nog zou blijken te bestaan, en bepaalt dat deze eindigt met ingang van heden;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Hofman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.