Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9174

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2013
Datum publicatie
23-05-2013
Zaaknummer
16/656489-12 en 16/512496-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal onder bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

POLITIERECHTER MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummers: 16/656489-12 en 16/512496-11 (vordering tenuitvoerlegging) (P)

vonnis van de politierechter d.d. 5 maart 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te ([postcode] [woonplaats] [adres]

raadsman mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

Verdachte is gedagvaard voor de meervoudige kamer van 19 februari 2013.

Voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling op heeft de meervoudige kamer de zaak verwezen naar de politierechter. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten op de zitting kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- op 16 september 2012 samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] te beroven dan wel af te persen.

3 De voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van aangever, getuige [getuige] en medeverdachte [medeverdachte 1].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige] volgt wel dat er sprake is van twee belagers, maar niet van twee agressors. Vast staat dat [medeverdachte 1] één van de belagers is en dat hij bedreigingen heeft geuit. Verdachte is uit de auto gestapt om[medeverdachte 2], die in het midden op de achterbank zat, te laten uitstappen. Kort nadat verdachte was uitgestapt passeerden de fietsers hem, maar hij heeft zich op dat moment niet bedreigend uitgelaten. Dit alles maakt dat er geen althans onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte één van de twee belagers was.

4.3 Het oordeel van de politierechter

[slachtoffer] fietste op 16 september 2012 rond 04.25 uur met een vriendin op de Prof. L. Fuchslaan te Utrecht toen er ineens twee jongens met bivakmutsen van achter op hem afgerend kwamen. Eén van de jongens riep dat aangever zijn geld en telefoon aan hem moest geven. Terwijl hij dit riep had hij een mes in zijn rechterhand, met het lemmet naar achteren en zijn hand schuin naar aangever wijzend. Het betrof een soort vlindermes. Het lukte aangever eerst nog om door te fietsen, maar toen drukte de jongen die ook had geroepen, hem van de fiets. Aangever duwde de jongen van zich af, waarna de jongens in een lichtgrijskleurige personenauto stapten.

De vriendin van [slachtoffer], [getuige], zag dat er ineens een auto voor hen op de weg stopte. De portieren aan de rechterzijde van de auto gingen open en uit beide portieren stapte een persoon met een bivakmuts. [getuige] fietste links langs de auto en passeerde hierbij op korte afstand één van de personen met de bivakmuts. Ze fietste snel door en hoorde dat de personen “Geef je geld” naar hen riepen. Toen ze bij de hoek van de straat was, keek ze om en zag ze dat de personen met de bivakmutsen [slachtoffer] dwongen om te blijven staan, doordat ze naast hem bleven staan. Ze zag dat één van de personen tegen de fiets van [slachtoffer] trapte.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de auto zat, die door de Marokkaanse jongen werd bestuurd. Op de bijrijdersstoel zat medeverdachte [medeverdachte 1]. Verdachte zat op de achterbank, achter[medeverdachte 1]. De Marokkaanse jongen kwam met het idee de fietsers te gaan beroven en zette de auto stil voor de fietsers. [medeverdachte 1] en verdachte stapten uit. De fietsers passeerden de auto en fietsten door. [medeverdachte 1] had een mes in zijn hand en ging schreeuwend achter hen aan, duwde tegen de mannelijke fietser en bedreigde hem.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ter zitting als getuige verklaard dat hij en verdachte zijn uitgestapt en zij beiden achter de fietsers zijn aangerend.

Bewijsoverwegingen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de politierechter van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] het ten laste gelegde feit heeft begaan. De verklaring van verdachte dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de auto is gestapt, vervolgens een kort moment samen met de anderen dichtbij de fietsers was, maar daarna weer is ingestapt, en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] achter de fietsers zijn aangerend, wordt niet ondersteund door verklaringen van aangever en getuige [getuige]. Getuige [getuige] is immers stellig over het feit dat er zowel de voor- als achterdeur van de auto één persoon stapte en dat deze twee personen hen achtervolgden. Ook aangever spreekt over 2 personen. De verklaring van medeverdachte[medeverdachte 3]dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de fietsers achtervolgden acht de politierechter niet redengevend voor de bewezenverklaring, nu geen twijfel bestaat over de positie van verdachte in de auto (achter de bijrijder) en gelet op voornoemde verklaring van getuige [getuige].

4.4 De bewezenverklaring

De politierechter acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 16 september 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van om zich en/of anderen wederrechtelijk te

bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot

de afgifte van geld en/of goederen, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer],

tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- die [slachtoffer] tot stoppen gedwongen en

- die [slachtoffer] van zijn fiets gedrukt en- een vlindermes aan voornoemde

[slachtoffer] getoond en daarbij tegen voornoemde [slachtoffer]

geroepen: "Geef mij je geld en je telefoon",

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door 2 of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 60 uur met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie, heeft op grond van het advies van de deskundigen, gevorderd minderjarigenstrafrecht toe te passen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in het geval de politierechter tot een bewezenverklaring komt bepleit aan verdachte slechts een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, gelet op de omstandigheid dat bij verdachte verstandelijke beperkingen zijn vast gesteld, de thuissituatie van verdachte ten tijde van het feit moeilijk was en verdachte thans ook tot het inzicht is gekomen dat hij behandeling nodig heeft en wil meewerken aan behandeling.

6.3 Het oordeel van de politierechter

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de politierechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft midden in de nacht samen met een ander geprobeerd een fietser te beroven van waardevolle spullen. De medeverdachte had een mes in handen en dreigde daarmee.

Dit is een ernstig feit. Slachtoffers hebben doorgaans nog lang last van een dergelijk feit. Ook leiden dit soort feiten tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Mensen durven zich ’s avonds en ’s nachts niet meer op straat te begeven.

Het initiatief tot dit feit kwam weliswaar niet van verdachte, maar hij heeft zich wel door de anderen laten meeslepen en heeft geen afstand van hen genomen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de politierechter acht geslagen op:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 januari 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake een straatroof, te weten op 14 februari 2013, waarbij aan hem een deels voorwaardelijk straf is opgelegd. Van deze straf vordert de officier van justitie thans de tenuitvoerlegging;

- een Pro Justitia rapport, d.d. 21 januari 2013, opgesteld door drs. K.G.M. Schiphorst, (kinder- en jeugd)psychiater;

- een reclasseringsrapport d.d. 14 februari 2013, opgesteld door K. Natrop, reclasseringswerker.

In het hiervoor genoemde Pro Justitia rapport staat vermeld -zakelijk weergegeven- dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het autismespectrum (PPD-NOS) en dat verdachte functioneert op de rand van het licht verstandelijk beperkte niveau. Tevens is er sprake van een grote sociaal-emotionele achterstand en een forse systeemproblematiek. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Geadviseerd wordt aan een behandeling bij Wier verdachte de Maatregel Hulp en Steun op te leggen.

Gelet op de stoornissen en beperkingen van verdachte wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen.

In het reclasseringsrapport wordt geadviseerd aan verdachte op te leggen: een meldingsgebod, een behandel- en begeleidingsverplichting door (Wier) Altrecht, in overleg met de reclassering van de William Schrikker Stichting.

Ter zitting is door dhr. H. Sluiters van de William Schrikker Stichting aangegeven dat de behandeling van verdachte in het kader van de voorwaardelijk opgelegde straf van het vonnis van de politierechter van 14 februari 2012, door verschillende oorzaken traag op gang is gekomen. Uiteindelijk heeft de intake in september/oktober 2012 bij Wier plaats gevonden. Daaruit was een deeltijdbehandeling voortgekomen. Verdachte heeft echter na een sessie laten weten dat hij aan deze behandeling niet wilde meewerken. Thans is gekozen voor een striktere aanpak, waarbij duidelijk is gemaakt dat medewerking door verdachte vereist is. De deeltijdbehandeling gaat weer opgestart worden en tevens wordt ingezet op een Multi Systeem Training.

De politierechter neemt deze conclusie van de deskundige over en maakt die tot de hare. Ook het advies het jeugdstrafrecht toe te passen zal de politierechter opvolgen.

Alles afwegende acht de politierechter een werkstraf voor de na te noemen duur passend en geboden. Bij de hoogte van deze straf heeft de politierechter ook gelet op de eerdere veroordeling van verdachte ter zake een soortgelijk feit in de zaak met parketnummer 16/512496-12. De geadviseerde behandel- en begeleidingsverplichting zijn reeds als bijzondere voorwaarde bij die veroordeling opgelegd. Gelet op de hierna genoemde beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in die zaak zal de politierechter in de onderhavige zaak geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de proeftijd van de voorwaardelijke straf van 3 maanden jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 14 februari 2012 in de zaak met parketnummer 16/512496-11 zal worden verlengd met 1 jaar.

De raadsman heeft zich aangesloten bij deze vordering van de officier van justitie.

De politierechter stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De politierechter zal gelet op de adviezen van de deskundigen hiertoe niet besluiten.

De politierechter acht de verlenging van de proeftijd met een jaar op zijn plaats.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77c, 77g, 77h, 77m, 77n, 77cc, 77gg, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De politierechter:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door 2 of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, maar verlengt de proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, politierechter, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 maart 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 16 september 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), en

daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en / of te doen

vergezellen en / of te doen volgen van geweld en / of bedreiging met geweld

tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad

aan zichzelf en / of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk van om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te

dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten dele

toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan verdachte en/of zijn mededader(s),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt

heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn

mededader(s),

- die [slachtoffer] tot stoppen gedwongen en/of

- die [slachtoffer] van zijn fiets gedrukt/geduwd en/of

- een (vlinder)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde

[slachtoffer] getoond en/of (daarbij) tegen voornoemde [slachtoffer]

geroepen/gezegd: "Geef mij je geld en je telefoon", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht