Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ8878

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
16/661036-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een filiaal van [bedrijf] in De Bilt en een tankstation in [Vestigingsplaats]. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en verplichte opname in een kliniek voor verslavingszorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661036-13 (Promis)

vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2013 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats] (Haïti),

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Wolvenplein” te Utrecht.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. G. Th. Offreins, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en de raadman naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 8 januari 2013 te [woonplaats] [slachtoffer 2] (zijnde een medewerkster van de [bedrijf 1]) heeft beroofd dan wel afgeperst door middel van bedreiging met geweld.

feit 2: op 6 januari 2013 te [woonplaats] [slachtoffer 3] (zijnde een medewerkster van het tankstation [slachtoffer 1] en [bedrijf]) heeft afgeperst door middel van bedreiging met geweld.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie verwijst met betrekking tot de op 6 januari 2013 gepleegde overval op het tankstation naar de desbetreffende aangifte, de DNA-match met verdachte en het door de dader in het tankstation achtergelaten plastic tasje, de camerabeelden en de gelijkenis tussen de door de getuige [getuige] gemaakte foto’s en de foto’s van het tankstation. Voorts verwijst de officier van justitie naar de herkenning aan de hand van de foto’s uit [woonplaats] door verbalisanten die verdachte twee dagen later in [woonplaats] hebben aangehouden.

Met betrekking tot de overval op de [bedrijf 1] verwijst de officier van justitie naar de desbetreffende aangifte, de camerabeelden van de [bedrijf 2] van 8 januari 2013, waarop een man te zien is die een jas en schoenen draagt die er hetzelfde uitzien als die de verdachte droeg in [woonplaats] op 6 januari 2013 én bij zijn aanhouding, nog geen veertig minuten nadat verdachte op de camerabeelden van de [bedrijf 2] was waargenomen. Daarnaast zijn de door de winkelmedewerkster van de [bedrijf 1] beschreven bontmuts, schroevendraaier en plastic tas met een logo bij verdachte aangetroffen. Ook komt het bij verdachte aangetroffen geld overeen met de coupures en muntstukken die bij de [bedrijf 1] zijn weggenomen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft voor beide zaken vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot de overval op de [bedrijf 1] merkt de raadsman op dat het signalement en de beschrijving van het tasje dat de overvaller bij zich had door de winkelmedewerkster niet overeenkomt met het signalement en de beschrijving van het tasje door een getuige. Dat de winkelmedewerkster later een bontmuts herkende als zijnde een dergelijke muts die de verdachte droeg, wil niet zeggen dat dit dezelfde muts is. Met betrekking tot het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag overlegt de raadsman een “overzicht mutaties rekening-courant” afkomstig van de PI Nieuwegein waaruit blijkt dat verdachte op 28 december 2012 een redelijk geldbedrag op zak had. Dat er overeenkomsten zijn tussen het weggenomen geldbedrag uit de [bedrijf 1] en het bedrag dat bij verdachte is aangetroffen wil niet zeggen dat dit geld dus van de [bedrijf 1] afkomstig is, aldus de raadsman.

Met betrekking tot de jas van verdachte merkt de raadsman op dat de foto’s in het dossier niet op elkaar lijken. Op sommige foto’s is een blauwgroenige jas te zien, op de politiefoto een groene jas. Met betrekking tot de schoenen is de raadsman van mening dat op basis van de foto’s niet kan worden vastgesteld dat het hier om dezelfde schoenen gaat. De schoenen komen slechts overeen. Bovendien blijft staan de vraag of het verdachte was die deze schoenen droeg.

Wat overblijft is slechts één bewijsmiddel, het DNA van verdachte op het aangetroffen tasje. Ook hiervoor heeft verdachte een verklaring gegeven. Mogelijk heeft hij dit tasje, dat ooit aan hem toebehoorde, weggegooid en heeft een ander (de overvaller) dit tasje ergens opgepikt en meegenomen naar het tankstation. Verder is er slechts sprake van vermoedens op basis waarvan geen veroordeling kan volgen. De foto geeft wel een beeld, maar ook hiervoor geldt dat de meer specifieke kenmerken van een gezicht ontbreken.

Verdachte is aangetroffen bij de bushalte, richting Bilthoven-. De reden dat hij daar was, was dat hij naar de kliniek [naam] in [woonplaats]wilde gaan en door een vriend was afgezet in [woonplaats]. Er kan gesproken worden van pech of toeval, maar verdachte is in ieder geval niet de persoon geweest die beide overvallen heeft gepleegd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

De rechtbank zal beide feiten in chronologische volgorde behandelen.

Op 6 januari 2013, tussen 17.00 uur en 17.30 uur, kwam er een man de shop binnen van het benzinestation [slachtoffer 1] & [bedrijf] te [woonplaats]. De medewerkster [slachtoffer 3] zat op dat moment achter de kassa. De man had een negroïde huidskleur en hij droeg een legergroene jas; een parka model met een vaste capuchon. Hij had twee plastic tasjes bij zich: een blauw/witte en een gele. De man liep rechtdoor naar de balie en legde het gele plastic tasje op de balie en zei: “Geld”. Voordat aangeefster het goed en wel door had, stond de man al naast haar achter de balie. Zij zag toen dat de man een mes in zijn handen had. De man zei ook: “geld, opschieten, opschieten, opschieten”. De man bedreigde haar met dat mes: het mes had hij in zijn linkerhand en hij stak het naar voren met de punt naar de aangeefster gericht. Zij heeft toen de kasssalade geopend en het geld uit de kassa gepakt en in de gele plastic tas gedaan die de man open hield. Kort hierna verliet de man de shop van het benzinestation. Na het opmaken van de kas bleek dat er een bedrag van

€ 299,86 door de dader was weggenomen.

Op de beveiligingsbeelden van het tankstation was waar te nemen dat een man kwam aanfietsen op een klein formaat damesfiets, deze fiets plaatste tegen de gevel en de shop van het benzinestation binnenkwam met twee plastic tasjes. De overvaller hield bij binnenkomst het blauwwitte tasje voor zijn mond. Ook was waar te nemen dat de man een mes toonde. De man op de camerabeelden betrof een negroïde man, groene parkajas met capuchon over het hoofd en zwart/wit gekleurde schoenen.

Nadat de man de shop van het benzinestation had verlaten, bleef de blauwwitte plastic tas, die hij bij binnenkomst bij zich had en voor zijn gezicht hield, achter nabij de kassa op de balie. Deze tas is door verbalisanten in beslag genomen. Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat het DNA-profiel van verdachte op deze tas werd aangetroffen. De kans dat dit DNA-materiaal van iemand anders is dan van verdachte is kleiner dan 1 op een miljard.

Diezelfde middag op 6 januari 2013 had een getuige een aantal foto’s gemaakt van een donkere man fietsende op een damesfiets in Nijkerk, richting [woonplaats]. Deze man droeg een groene parkajas en zwart/witte sportschoenen.

Op basis van deze foto’s herkenden de verbalisanten die verdachte een paar dagen later, op 8 januari 2013, hadden aangehouden ter zake van de overval op de [bedrijf 1], de daarop afgebeelde persoon voor 100% als zijnde de verdachte [verdachte]. Verbalisant [verbalisant 1] verklaarde dat hij zag dat de persoon waarvoor herkenning werd gevraagd, hetzelfde signalement had als de persoon die hij en zijn collega op 8 januari 2013 hadden aangehouden. Hij zag dat het kledingsignalement exact overeenkwam.

Ook de schoenen van verdachte waren, naast het op het hiervoor genoemde beeldmateriaal van 6 januari 2013, vastgelegd op camerabeelden van 8 januari 2013. Op 8 januari 2013 liep er rond half 11 een man langs de [bedrijf 2] in [woonplaats], die twee deuren naast de [bedrijf 1] zit. Op de beelden van de [bedrijf 2] was te zien dat deze man een soortgelijke jas en schoenen droeg als die de als verdachte herkende man droeg in [woonplaats] en die verdachte droeg bij zijn aanhouding op 8 januari 2013. De schoenen die werden waargenomen op de camerabeelden van het tankstation [woonplaats], op de fiets te [woonplaats] en via de camera van de [bedrijf 2] te [woonplaats] en de jas kwamen op deze verschillende beelden met elkaar overeen.

Met betrekking tot de overval op de [bedrijf 1] verklaarde [slachtoffer 2], assistent filiaalmanager en die dag werkzaam bij de [bedrijf 1], dat er op 8 januari 2013, rond 10.30 uur, een man met een bontmuts de [bedrijf 1] binnenkwam. Op een gegeven moment zag aangeefster de man met de bontmuts bij de kassa staan en zij zag dat hij een zakje snoep en tevens een verfrommeld doorzichtig plastic zakje met blauwrood logo op de balie legde. Aangeefster zag dat de man een schroevendraaier in zijn hand vasthield en deze in haar richting hield. Zij hoorde de man zeggen: “zakje vullen of zakje volgooien” en begreep daaruit dat hij geld wilde hebben. Aangeefster vulde het plastic zakje. Hierna verliet de man de winkel. Later wist aangeefster zich desgevraagd te herinneren dat zij ongeveer tien muntstukken van 2 euro in het zakje heeft gedaan. Het briefgeld bestond uit één bankbiljet van vijftig euro, vermoedelijk vijf bankbiljetten van tien euro en twee bankbiljetten van vijf euro. Er zaten in ieder geval geen bankbiljetten van twintig euro bij. Na het opmaken van de kas bleek dat er een bedrag van € 106,96 was weggenomen.

Via een melding Burgernet ging er een melding uit over de overval en het signalement van de overvaller. Op basis van ingekomen informatie werd kort hierna een man staande gehouden. Hem werd gevraagd zijn jas te openen, waarna een geruite bruine muts met oorkleppen, gevoerd met bont, uit zijn jas viel. Tevens bleek hij een rode schroevendraaier en een plastic tas van het merk Cool Cat bij zich te hebben. Bij de insluitingfouillering bleek hij tevens een geldbedrag bestaande uit biljetten en munten, bij zich te hebben. Dit bedrag, in totaal 106 euro, bestond uit 1x50, 2x10, 4x5 en 8x2 euro. Deze man bleek te zijn: [verdachte], geboren op [1979].

Aangeefster herkende later de in beslag genomen muts als een dergelijke muts waarover zij had verklaard. Ook het plastic zakje herkende zij zeer zeker.

Op basis het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 januari 2013 het tankstation te [woonplaats] en op 8 januari 2013 de [bedrijf 1] te [woonplaats], heeft overvallen. De door de verdediging gevoerde bewijsverweren worden door de bewijsmiddelen weerlegd zodat deze geen verdere behandeling behoeven.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 8 januari 2013 te [woonplaats], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2], medewerkster van de [bedrijf 1]-winkel, heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een plastic zakje op de balie bij de kassa heeft gelegd en een schroevendraaier aan die achter de kassa staande [slachtoffer 2] heeft getoond en op die [slachtoffer 2] gericht en op dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] gezegd: “zakje vullen” of “zakje volgooien”, waarop die [slachtoffer 2] een hoeveelheid bankbiljetten en muntgeld in dat zakje heeft gedaan.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 6 januari 2013 te [woonplaats], gemeente Nijkerk, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [bedrijf], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een mes aan die [slachtoffer 3] heeft getoond, daarbij de punt van dit mes in de richting van die [slachtoffer 3] heeft gehouden en daarbij heeft geroepen “geld”, waarop die [slachtoffer 3] een hoeveelheid geld in een plastic tas van verdachte heeft gedaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De beide bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als afpersing, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de beide door de officier van justitie bewezen geachte afpersingen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat betekent het ondergaan van een klinische behandeling in een te zijner tijd door het IFZ te indiceren kliniek.

8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat aangevoerd dat de eis van de officier van justitie fors is. Als verdachte nog twee jaar moet zitten, blijft er voor hem geen enkel perspectief over, aldus de raadsman.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft, zeer kort nadat hij een gevangenisstraf had uitgezeten voor een soortgelijk misdrijf, in een tijdsbestek van vier dagen twee overvallen gepleegd. Verdachte heeft hierbij eenmaal gebruik gemaakt van een mes en eenmaal van een schroevendraaier om de betreffende kassamedewerkster te bedreigen. Verdachte is puur uitgegaan van eigen financieel gewin en heeft niet stil gestaan bij de gevolgen die een degelijke gewelddadige daad voor anderen heeft. Slachtoffers van geweldsmisdrijven kunnen nog lange tijd last hebben van angstgevoelens. Allebei de aangeefsters verklaren ook dat zij na dit handelen van verdachte erg geschrokken waren en alleen nog maar konden huilen.

Voorts veroorzaakt en versterkt dit soort feiten in meer algemene zin gevoelens van angst en van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte ook rekening met de justitiële documentatie d.d. 6 maart 2013. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder tot forse, deels voorwaardelijke, gevangenisstraffen is veroordeeld voor de betrokkenheid bij dergelijke geweldsmisdrijven. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zelfs deze straffen hem er niet van hebben weerhouden zich wederom, slechts enkele dagen nadat hij was vrijgekomen uit de gevangenis, op brutale wijze schuldig te maken aan soortgelijke misdrijven.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen het reclasseringsadvies d.d. 25 februari 2013 van Reclassering Victas. Hieruit volgt dat verdachte problemen heeft op verschillende levensgebieden. Verdachte is verslaafd aan cocaïne, heeft geen inkomen, geen dagbesteding en geen huisvesting. De afgelopen jaren is getracht verdachte met hulpverleningstrajecten op het juiste pad te krijgen, maar tot op heden is er niets van de grond gekomen. Verdachte komt over als een intelligente gesprekspartner. Hij heeft echter ook een sombere en angstige inslag en er is sprake van narcistische trekken. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog; eerdere trajecten en toezichten zijn gestagneerd en verdachte blijft recidiveren. Geadviseerd wordt bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden op te nemen een meldingsgebod en een opname in een door het NIFP-IFZ te bepalen zorginstelling.

Op grond van de ernst van de feiten en gelet op het strafblad van verdachte komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf passend is, waarbij de rechtbank een deel voorwaardelijk zal opleggen. De rechtbank acht de hierna te noemen deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van deze straf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en ook door de officier van justitie zijn gevorderd. De rechtbank is zich ervan bewust dat een voorwaardelijk deel betekent dat van een vervroegde invrijheidstelling geen sprake zal zijn en dat verdachte het onvoorwaardelijke deel geheel moet uitzitten. De rechtbank heeft hiervoor bewust gekozen om zo een lange proeftijd mogelijk te maken, hetgeen de rechtbank in de onderhavige zaak noodzakelijk acht.

Gelet op het hoge recidiverisico en het risico op letsel bij anderen zal een proeftijd voor de duur van drie jaar worden opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van afgerond € 300,00 (kasgeld) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt de vordering voor het overige wegens gebrek aan onderbouwing af te wijzen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering is ingediend door [banadeelde] namens een rechtspersoon en dat een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel ontbreekt. De vordering dient dan ook te worden afgewezen. Subsidiair refereert de raadsman zich aan toewijzing van een vergoeding voor het gestolen kasgeld, afgerond € 300,-. Voor het overige verzoekt hij de vordering af te wijzen.

De rechtbank stelt vast dat [banadeelde], volgens zijn eigen opgave, de directeur en tevens mede-eigenaar is van het bedrijf “[slachtoffer 1] en [bedrijf]”. Er bestaat geen reden om te veronderstellen dat de heer[banadeelde]niet bevoegd is als vertegenwoordiger van de rechtspersoon [slachtoffer 1] en [bedrijf] de onderhavige vordering in te dienen. De benadeelde partij is dan ook ontvankelijk in zijn vordering. Het dienaangaande verweer van de raadsman wordt verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [banadeelde] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Tevens is komen vast te staan dat deze benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 300,00 (zegge: driehonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade op 6 januari 2013 tot aan de algehele voldoening daarvan. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

Afpersing, meermalen gepleegd

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zegge: zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 8 (zegge: acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- De veroordeelde moet zich na het eindigen van zijn detentie direct melden bij Reclassering Victas, op het adres A.B.C.-straat 5 te Utrecht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde moet zich melden bij Victas zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Tevens moet de veroordeelde zich tijdens de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering (Victas);

- Veroordeelde wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen in een specifieke instelling of een soortgelijke intramurale instelling, zulks te beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

Vordering benadeelde partij “[slachtoffer 1] en [bedrijf]”

Wijst de vordering van “[slachtoffer 1] en [bedrijf]” toe tot een bedrag van € 300 (zegge: driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 6 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan “[slachtoffer 1] en [bedrijf]” voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij “[slachtoffer 1] en [bedrijf]” voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van “[slachtoffer 1] en [bedrijf]” € 300 (zegge: driehonderd euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 6 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mrs. M.A.A.T. Engbers en M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 08 januari 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] (medewerkster van de [bedrijf 1]-winkel) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (106 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de "[bedrijf 1]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- een (plastic) tasje/zakje op de balie (bij de kassa) gelegd en/of

- een schroevendraaier, althans een op een schroevendraaier gelijkend voorwerp aan die (achter de kassa/balie staande) [slachtoffer 2] heeft getoond en/of op die [slachtoffer 2] gericht en/of

- (op dreigende toon) tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "zakje vullen" en/of "zakje volgooien", althans woorden van gelijke aard of strekking (waarop die [slachtoffer 2] een (hoeveelheid) bankbiljet(en) en/of muntgeld in dat tasje/zakjeheeft gedaan);

en/of

hij op of omstreeks 08 januari 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (106 euro) en/of een zakje snoep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de "[bedrijf 1]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

- een (plastic) tasje/zakje op de balie (bij de kassa) heeft gelegd en/of

- een schroevendraaier, althans een op een schroevendraaier gelijkend

voorwerp, aan die (achter de kassa/balie staande) [slachtoffer 2] heeft getoond en/of op die [slachtoffer 2] heeft gericht en/of - (op dreigende toon) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "zakje vullen" en/of "zakje volgooien", althans woorden van gelijke aard of strekking (waarop die

[slachtoffer 2] (een) hoeveelheid bankbiljet(ten) en/of muntgeld in dat tasje/zakje heeft gedaan);

2.

hij op of omstreeks 06 januari 2013 te [woonplaats], gemeente Nijkerk, althans in het arrondissement Oost-Nederland, met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een mes, althans een op

een mes gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 3] heeft getoond, daarbij de punt van dit mes, dan wel dit voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 3] heeft gehouden en daarbij heeft geroepen "geld" (waarop die [slachtoffer 3] een hoeveelheid geld in een plastic tas van verdachte heeft gedaan).