Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ8320

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
C/16/339602 / HA RK 13-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

zaaknummer / rekestnummer: C/16/339602 / HA RK 13-73

beslissing van 5 april 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, zitting houdend te Lelystad

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:

[bedrijf],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoeker,

gemachtigde de heer J. Quispel.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 4 maart 2013

- de e-mail van verzoekster inhoudende een nadere toelichting op het wrakingsverzoek

- de mondelinge behandeling op 5 april 2013.

1.2. Bij de mondelinge behandeling is verschenen:

- de heer J. Quispel voornoemd.

1.3. Mr. A.C. Schroten heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

1.4. Het CVOM heeft laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. A.C. Schroten in haar hoedanigheid van kantonrechter van deze rechtbank in de procedures met nummers 64[woonplaats] 3-133 en 64[woonplaats] 13-131.

2.2. Verzoekster onderbouwt haar wrakingsverzoek als volgt. Verzoekster heeft een geschil met de gemeente Hilversum. Als gevolg van dat geschil is verzoekster een twintigtal zogenaamde Muldersancties opgelegd. In 2012 hebben in totaal vier zittingen bij kantonrechter mr. Strengers van Rechtbank Amsterdam plaatsgevonden. Telkens had de Officier van Justitie niet alle zaken voorgebracht. Op de zitting van 9 november 2012 heeft verzoekster met mr. Strengers afgesproken dat op het moment dat de Officier van Justitie alle zaken compleet heeft, een zitting zal plaatsvinden waarin zij alle in één keer zullen worden behandeld. Bovendien heeft mr. Strengers aan verzoekster meegedeeld dat geen zekerheid gesteld hoefde te worden. Inmiddels is de zitting gepland op 23 april 2013. Nu zijn ondertussen twee zaken voorgelegd aan mr. Schroten van Rechtbank Midden-Nederland. Zij heeft verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid is gesteld. Verzoekster is in deze zaken niet uitgenodigd voor zittingen, waardoor verzoekster ook niet inhoudelijk is gehoord. Daardoor heeft mr. Schroten geen rekening gehouden met de afspraak van verzoekster met mr. Strengers. Gelet op deze omstandigheden zijn de beslissingen van mr. Schroten eenzijdig – en daarmee partijdig – genomen.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank stelt voorop dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan. In de twee zaken waarin verzoekster haar wrakingsverzoek heeft ingediend heeft mr. Schroten beschikkingen afgegeven waarin zij verzoekster niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze beschikkingen zijn einduitspraken. Gelet op deze omstandigheid is het wrakingsverzoek te laat ingediend, zodat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat bij een tijdige indiening van het wrakingsverzoek dit verzoek zou zijn afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

3.2.1. Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden grond vormen te vrezen dat het de rechter in de gegeven omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.2.3. De door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden houden niet in dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. Schroten jegens haar. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Ook naar objectieve maatstaven is geen sprake van feiten en omstandigheden die de (subjectieve) vrees bij verzoekster rechtvaardigen dat het

mr. Schroten aan onpartijdigheid heeft ontbroken. Bij haar beslissing heeft mr. Schroten de wet en de jurisprudentie gevolgd. De enkele omstandigheid dat mr. Schroten een andere beslissing heeft genomen dan mr. Strengers (wellicht) voorstaat, betekent niet dat mr. Schroten in deze niet onpartijdig heeft beslist, temeer nu niet gebleken is dat zij van die afspraken op de hoogte zou zijn. Dit laatste lijkt ook niet waarschijnlijk, omdat zij de zaken ter behandeling kreeg na de Herziening Gerechtelijke Kaart per 1 januari 2013, waardoor de regio waarin de overtredingen zijn begaan, gevoegd is bij het rechtsgebied van de Rechtbank Midden-Nederland. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat ook indien verzoekster haar wrakingsverzoek tijdig zou hebben ingediend, dit niet het door haar beoogde gevolg zou hebben gehad.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot wraking,

4.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan [bedrijf] en aan mr. Schroten, alsmede aan de voorzitter van de afdeling strafrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is op 5 april 2013 mondeling gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. M.C.P. de Ridder en mr. drs. S.M. van Lieshout als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2013.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.