Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ7982

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
849447 UE VERZ 13-70 LH 4059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil over de aansprakelijkheid van een orthopsychiatrische jeugdinstelling voor de schade die een sociotherapeut, in dienst van de instelling, heeft geleden doordat hij door een patiënt van de instelling tegen zijn knie is getrapt en letsel heeft opgelopen. Ontvankelijkheid. Verklaring voor recht dat werkgever niet heeft voldaan aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/155
AR-Updates.nl 2013-0323
VR 2014/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 849447 UE VERZ 13-70 LH 4059

Beschikking van 18 april 2013

inzake

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [Verzoeker],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. S. Mosk,

tegen:

de stichting

Stichting Altrecht,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen Altrecht,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. I. de Groot.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [Verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Altrecht heeft een verweerschrift ingediend.

1.2. Het verzoek is ter zitting van 21 maart 2013 behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hun pleitaantekeningen overgelegd. [Verzoeker] en mevrouw [A] (algemeen manager van afdeling Barentsz) hebben een plattegrond geschetst van de ruimte waarin zich het litigieuze incident van 18 augustus 2009 heeft voorgedaan. Deze schetsen zijn bij de processtukken gevoegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3. Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. [Verzoeker], geboren op [1965], is op 1 januari 2009 als sociotherapeutisch medewerker in dienst getreden van Altrecht. Tevoren had hij (na enkele jaren ambulancechauffeur te zijn geweest) korte tijd als groepsleider in een jeugdzorginstelling gewerkt. [Verzoeker] is voor Altrecht gaan werken als groepsleider op unit ‘Willem II’ van afdeling Barentsz, een centrum voor orthopsychiatrie en forensische jeugdpsychiatrie met onder meer een klinische voorziening met 24 bedden, bedoeld voor jongeren in de leeftijd van 15 tot en met 21 jaar met psychiatrische problemen en daarmee samenhangende ernstige gedragsproblematiek die elders niet (meer) voor vrijwillige opname in aanmerking komen (de zogenoemde ‘last resort’). De doelgroep is bekend met onvoorspelbaar en agressief gedrag. Op unit ‘Willem II’ verblijven in de regel ongeveer zeven jongeren.

2.2. Zoals te doen gebruikelijk, heeft [Verzoeker] na een inwerkperiode vanaf 4 maart 2009 een - op zijn werkervaring aangepast - coaching(‘on the job’)traject gevolgd. De coaching is naar tevredenheid verlopen en in overleg na drie gesprekken beëindigd. [Verzoeker] heeft een 3-daagse cursus ‘competentiegericht werken’ en een cursus ‘elektronisch patiëntendossier’ gevolgd. Het beleid van afdeling Barentsz is voorts dat elke nieuwe medewerker in het eerste jaar van het dienstverband wordt ingepland op een verplichte tweedaagse basistraining Praktisch Penitentiair Optreden (hierna PPO) en op twee aanvullende herhalingstrainingen (daarna hebben de medewerkers vier trainingsdagen per jaar). In de PPO-training worden de medewerkers onder meer getraind in het omgaan met agressief gedrag van patiënten. [Verzoeker] heeft - voorafgaand aan het incident van 18 augustus 2009 (zie hierna) - alleen de eerste dag van de PPO-basistraining gevolgd. De geplande tweede dag vond vanwege ziekte van de trainer geen doorgang.

2.3. De medewerkers van de afdeling Barentsz dragen tijdens hun werk een pieper waarmee zij zonodig alarm kunnen maken. Bij een inventarisatie van actie- en verbeterpunten is in oktober 2007 onder meer geconstateerd dat medewerkers onzeker waren over het al dan niet gebruiken van de alarmpieper bij incidenten. Teneinde te bereiken dat het personeel zich voldoende zeker voelt om alarm te maken indien de eigen situatie of die van anderen als onveilig wordt ingeschat, is besloten hieraan tijdens de PPO-training meer aandacht te besteden. In het protocol ‘Alarmeringssystemen en veiligheid’ van juni 2008 is vermeld: ‘(J)e bent verantwoordelijk voor je eigen veiligheid maar ook voor die van je collega, zorg dat je vaardig bent en blijft – volg de aangeboden trainingen.’

2.4. Het protocol ‘Omgaan met incidenten binnen Barentsz’ schrijft voor dat van elke patiënt een verpleegplan (met aandachtspunten voor de behandeling van de patiënt), een bejegeningsplan (met de afgesproken benaderingswijze van de patiënt) en een crisispreventie-actieplan (CPAP, een stappenplan bij ongewenst gedrag van de patiënt) wordt opgesteld. Het opstellen van een CPAP en een verpleegplan is wettelijk verplicht. Dat Altrecht voor de afdeling Barentsz ook een bejegeningsplan heeft voorgeschreven, hangt samen met de aard en ernst van de problematiek van de aldaar verblijvende patiënten. Genoemde plannen worden opgenomen in het elektronisch patiëntendossier van de betreffende patiënt. Dit dossier is voor het betrokken personeel toegankelijk.

2.5. Omstreeks medio februari 2009 is op de afdeling waar [Verzoeker] werkzaam was een jongere (hierna te noemen X.) met ‘complexe multiproblems en onvoorspelbaar gedrag’ klinisch opgenomen. X. wilde niet meewerken aan het opstellen van een verpleeg-, bejegenings- en crisispreventie-actieplan. Een bejegeningsplan is voor X. niet opgesteld. In het eenzijdig, zonder medewerking van X., opgemaakte CPAP is onder ‘Fase ernstige signalen’ vermeld: ‘Kan erg dreigen o.a. breek een kaak. Schopt en kan gericht schoppen. Hij doet kick-boxen. Kan een mes trekken gezien zijn geschiedenis. Wees alert. Af en toe kamer controle.’ Onder ‘Acties’ in deze fase vermeldt het CPAP: ‘Wat doe ik zelf: Kan dreigen. Wat doen anderen: Vooral niet aanraken en vastpakken. Niet aan zn persoonlijke eigendommen komen. Rustig blijven praten niet in een hoge EE. Praten over zijn eerdere boosheid en ppo actie. Attendeer hem hierop. Wat ging er fout maar ook wat ging er goed. Welke praktische zaken moeten afgehandeld worden; wie doet dat? Kan erg dreigen o.a. breek een kaak. Schopt en kan gericht schoppen. Hij doet kick-boxen. Kan een mes trekken gezien zijn geschiedenis. Wees alert. Af en toe kamer controle.’

2.6. In de loop van de behandeling van X. heeft [Verzoeker], als diens mentor, herhaaldelijk aan de leiding van Barentsz te kennen gegeven dat X. veel onrust veroorzaakte. In de patiënt-besprekingen is de situatie rond X. besproken. Dit heeft niet tot een aanpassing van het bejegeningsbeleid geleid. In de dagen voorafgaand aan 18 augustus 2009 was sprake van een toenemende spanning en onrust rond patiënt X. Op de avond van 17 augustus 2009 is in verband met agressiviteit van X. alarm gemaakt. Toen is het gelukt een verdere escalatie te voorkómen. Tot 18 augustus 2009 was X. met name verbaal agressief en richtte zijn fysieke agressie zich op materialen, niet tegen personen.

2.7. Op 18 augustus 2009 is X. ’s middags te laat teruggekeerd van een onbegeleid verlof. [Verzoeker] heeft hem daarop aangesproken. X. heeft hier geïrriteerd en boos op gereageerd en begon te schelden (‘Krijg kanker, ik hou me toch niet aan de afspraken’). Collega’s van [Verzoeker], die de gebeurtenissen vanuit een aangrenzend kantoor met een glazen deur volgden, hebben al in een vroeg stadium van de spanningsopbouw verzocht om versterking van andere units en beveiligingspersoneel. Deze waren snel ter plekke en hebben zich om verdere escalatie te vermijden buiten het zicht van X. opgesteld. [Verzoeker] heeft intussen geprobeerd X. te bewegen om naar buiten te gaan, omdat hij wilde voorkómen dat X. in de geagiteerde toestand waarin hij verkeerde naar de groepsruimte zou gaan. In de hal trapte X. tegen deuren, bleef schelden, begon [Verzoeker] te bedreigen (‘Ik sla je kankertanden eruit’) en probeerde hem de afdelingssleutel afhandig te maken. X. maakte kopstoten in de richting van [Verzoeker] en bleef hem bedreigen (‘Ik steek je neer’). Uit vrees voor verdere escalatie heeft [Verzoeker] zelf met zijn pieper geen alarm gemaakt. Toen X. opnieuw tegen een deur wilde trappen en [Verzoeker] zich op datzelfde moment omdraaide, kreeg [Verzoeker] een harde trap tegen zijn linkerknie. Vervolgens heeft het personeel dat zich nog altijd in het verpleegkantoor bevond alarm gemaakt, waarna beveiligingspersoneel en collega’s zijn toegesneld en X. naar buiten hebben geleid. Het incident heeft, vanaf de binnenkomst van X. en de trap tegen de knie van [Verzoeker], 15 tot 20 minuten geduurd. De behandeling van X. is na het incident afgebroken.

2.8. De psychologe (behandelcoördinator van ‘Willem II’) die van het incident getuige was, mevrouw [M], heeft verklaard dat patiënt X. schreeuwde, ‘neus aan neus met [Verzoeker] (ging) staan’, de sleutels probeerde te bemachtigen en ‘zeer dreigende taal’ tegen [Verzoeker] uitsloeg (‘ik sla je kankersmoel in elkaar’, ‘ik steek je overhoop’, ‘als ik je kankerkop buiten zie krijg je een kogel’). Zij was degene die, toen [Verzoeker] was geschopt, besliste dat alarm werd geslagen.

2.9. Bij de evaluatie van het incident is onder meer het volgende ter verbetering in overweging gegeven: ‘Er is geen bejegeningspan. Het feit dat het CPAP onvoldoende handvatten geeft, maakt het hebben van een bejegeningsplan onmisbaar. Een aantal zeer belangrijke feiten hadden hier benoemd kunnen worden: het gewelddadige verleden van de jongere, de kickbox ervaring en het traag schakelen door de jongere. (NB: een aantal dingen worden wel beschreven in het CPAP, maar hiervoor is het CPAP niet bedoeld. Het CPAP dient ervoor om samen met de jongere in een vroeg stadium te kunnen werken om escalatie te voorkomen. Het bejegeningsplan dient ervoor om snel de belangrijkste zaken m.b.t. de bejegening te kunnen vinden).’ Voorts: ‘Er werd door ST gevonden dat alleen de in conflict zijnde ST ([Verzoeker], kantonrechter) besluit om alarm te drukken. BC heeft uiteindelijk aangedrongen op alarm te drukken nadat de in conflict zijnde ST tegen zijn knie werd getrapt (-).’ Tenslotte: ‘Het geheel duurde lang. Er is uitgelegd dat het de-escaleren bij de Barentsz-doelgroep lange tijd in beslag kan nemen. Te snel handelen leidt doorgaans tot fysiek ingrijpen en soms tot separatie.’

2.10. [Verzoeker] heeft zich op 20 augustus 2009 ziek gemeld. Een kruisband van zijn linkerknie bleek afgescheurd. Ook na te zijn geopereerd, heeft [Verzoeker] knieklachten gehouden. Hij werkt thans elders als portier.

2.11. Naar aanleiding van een melding van [Verzoeker] heeft de Arbeidsinspectie op 3 december 2010 onderzoek gedaan. Daarvan is op 4 januari 2011 een ongevalsrapport opgemaakt. De arbeidsinspectie heeft geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het ongeval van 18 augustus 2009. Volgens de Arbeidsinspectie was niet aangetoond dat het ongeval niet zou zijn gebeurd als [Verzoeker] de PPO-training tijdig wel volledig had gevolgd. Voor het opleggen van een boete aan Altrecht werd geen reden gezien.

2.12. [Verzoeker] heeft Altrecht aansprakelijk gesteld en aangesproken tot vergoeding van zijn schade. Altrecht heeft aansprakelijkheid betwist. Zij meent aan haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 BW te hebben voldaan.

3. Het deelgeschil

3.1. [Verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking te bepalen dat Altrecht niet heeft bewezen dat zij aan haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 BW heeft voldaan, dat Altrecht aansprakelijk is voor de gevolgen van het op 18 augustus 2009 aan [Verzoeker] overkomen ongeval en dat zij verplicht is de schade die daaruit voortvloeit aan [Verzoeker] te vergoeden. Voorts verzoekt [Verzoeker] dat Altrecht wordt veroordeeld om aan hem te vergoeden de door de rechtbank te begroten redelijke kosten in verband met de behandeling van dit deelgeschil.

3.2. [Verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden doordat patiënt X. hem op 18 augustus 2009 tegen zijn knie heeft getrapt. Altrecht heeft haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW geschonden onder meer door haar personeel, daaronder [Verzoeker], onvoldoende op te leiden in het voorkómen van en omgaan met geweldsincidenten. [Verzoeker] had van de PPO-basistraining nog alleen de eerste dag gevolgd. Ten onrechte is nagelaten voor X. een bejegeningsplan op te stellen. Op 18 augustus 2009 is te laat alarm gemaakt, omdat een collega van [Verzoeker] in de veronderstelling verkeerde dat alleen de in conflict zijnde sociotherapeut, [Verzoeker] zelf, dat mocht doen.

Een beslissing over de aansprakelijkheidsvraag in dit deelgeschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de onderhavige vordering, aldus [Verzoeker]. [Verzoeker] maakt aanspraak op een vergoeding voor de kosten van dit deelgeschil van € 2.610,--, zijnde 14½ uur à € 180,-- per uur, te vermeerderen met het vastrecht.

3.3. Altrecht voert verweer. Zij meent dat [Verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de beëindiging van het geschil over de aansprakelijkheid niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Altrecht acht zich niet aansprakelijk voor de schade die is ontstaan door het ongeval van 18 augustus 2009 en stelt niet te zullen berusten in een voor haar nadelig oordeel van de kantonrechter hierover in dit deelgeschil. Dit deelgeschil leidt daarom niet tot een buitengerechtelijke afwikkeling. Het geschil over de aansprakelijkheid leent zich evenmin voor een behandeling in deelgeschil, omdat nadere bewijsvoering nodig is om de toedracht van het ongeval te kunnen vaststellen. Voorts zal ook nadat onverhoopt de aansprakelijkheid van Altrecht zal zijn vastgesteld, onenigheid blijven bestaan over de omvang van de schade en het causaal verband tussen ongeval en schade. Ook dat staat aan een minnelijke regeling in de weg.

3.4. Altrecht betwist dat zij aansprakelijk is voor de door [Verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Zij heeft ter voorkóming van incidenten en schade gedaan hetgeen redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden. Er zijn algemene maatregelen getroffen, zoals het aanbieden van een deugdelijk inwerk- en coachingstraject en trainingen, een protocollair veiligheidsbeleid en een adequate personeelsbezetting. Weliswaar heeft [Verzoeker] alleen de eerste dag van de PPO-basistraining gevolgd, maar toen zijn de veiligheidsaspecten van het werken met de doelgroep geïnstrueerd, onder meer het gebruik van de alarmpieper. [Verzoeker] was bovendien voldoende opgeleid en had relevante werkervaring. Ook zijn specifiek op de betrokken patiënt gerichte maatregelen genomen. Zo is er ten aanzien van X. een verpleegplan en een CPAP opgesteld en is deze informatie in de vorm van het elektronisch patiëntdossier aan [Verzoeker] ter beschikking gesteld. [Verzoeker] kende X. ook overigens goed, omdat hij diens mentor was. Voorafgaand aan het ongeval zijn de signalen met betrekking tot de onrust rond X. besproken. De inschatting was dat er geen andere benaderingswijze noodzakelijk was. X. was vóór 18 augustus 2009 niet fysiek agressief tegen personen geweest. Het incident van die dag had niet voorkómen kunnen worden, ook niet als er wèl een bejegeningsplan was geweest. Als [Verzoeker] meer of andere training of instructie zou hebben gehad, zou hij in het contact met X. die dag niet anders hebben gehandeld. Ook de Arbeidsinspectie heeft geen verband met het ongeval kunnen vaststellen.

3.5. Altrecht betwist de gevorderde kosten van het deelgeschil. Nu de rechtsbijstandverzekeraar van [Verzoeker] (DAS) deelneemt aan het Convenant Buitengerechtelijke Kosten dient de hoogte van de buitengerechtelijke kosten bij de eindafwikkeling te worden bepaald aan de hand van de bij het convenant gevoegde tabel. Voor een veroordeling tot vergoeding van deze kosten is daarom in dit deelgeschil geen plaats. Overigens kan de gevorderde kostenvergoeding de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.

4. De beoordeling

4.1. [Verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w - 1019cc Rv). Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.2. Hetgeen partijen in dit deelgeschil verdeeld houdt is de vraag of Altrecht op grond van artikel 7:658 BW jegens [Verzoeker] aansprakelijk is voor de schade die is voortgevloeid uit het hem op 18 augustus 2009 overkomen ongeval. Beantwoording van de vraag naar de aansprakelijkheid kan naar het oordeel van de kantonrechter in het algemeen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere afwikkeling. Anders dan Altrecht meent, is dit in het onderhavige geval niet anders. Zoals zal blijken uit hetgeen hierna wordt overwogen, is voor een beslissing over de aansprakelijkheid geen nadere bewijsvoering nodig. De toedracht staat daarvoor voldoende vast. Dat er na beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag nog verschillende andere geschilpunten, daaronder de causaliteitsvraag, resteren leidt evenmin tot de door Altrecht voorgestane niet-ontvankelijkheid van [Verzoeker]. Op z’n minst zal de behandeling van dit deelgeschil er toe leiden dat althans op één onderdeel van de materiële rechtsverhouding van partijen wordt beslist, en wel op het onderdeel dat tot nu toe de voortgang van de schaderegeling heeft belemmerd. Een uitdrukkelijke beslissing over de aansprakelijkheid, zonder voorbehoud in dit deelgeschil gegeven, bindt de rechter in de procedure ten principale op dezelfde wijze als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure, zo bepaalt artikel 1019cc Rv. Hoewel Altrecht heeft gesteld zich bij een voor haar nadelige beslissing over de aansprakelijkheid niet te zullen neerleggen, zal zij zich tot een dergelijke uitspraak in dit deelgeschil op dezelfde wijze hebben te verhouden als ten aanzien van een tussenvonnis als bedoeld. Dat is de voortgang die [Verzoeker] met dit deelgeschil op het oog heeft en daarom kan hij in zijn verzoek worden ontvangen.

4.3. Het deelgeschil spitst zich toe op de vraag of Altrecht jegens [Verzoeker] heeft voldaan aan haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW. Niet in geschil is dat [Verzoeker] de schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Ook zijn partijen het erover eens dat de schade niet het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Bij de beoordeling van de vraag naar de bedoelde zorgplicht stelt de kantonrechter voorop dat daarmee niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Gelet op de ruime strekking van deze zorgplicht kan echter niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden. Ook dient de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht te houden op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies. Het gaat erom of de werkgever voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft gegeven als - in verband met de aard van de arbeid - redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

4.4. Voor het werken met potentieel gewelddadige patiënten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 11 november 2011 (NJ 2011, 598) het te hanteren toetsingskader vastgesteld. Anders dan Altrecht heeft betoogd, is er geen aanleiding om de door de HR geformuleerde regels niet ook hier toe te passen. Doorslaggevend is immers niet de aard van de instelling of (de rechtstitel van) de opname, maar de gevaarlijkheid van de patiënten. Altrecht heeft erkend dat afdeling Barentsz een ‘last resort’ is voor jongeren met ernstige persoonlijkheids-problematiek en gedragsstoornissen, die onvoorspelbaar zijn en zich agressief kunnen gedragen. Nu aan het werken met patiënten, zoals X., inherent is dat gevaar bestaat voor geweldpleging tegen het personeel en vast staat dat dit gevaar zich tegenover [Verzoeker] heeft verwezenlijkt, ligt het op de weg van Altrecht om te stellen dat zij ervoor heeft zorg gedragen dat aan het vereiste, op de bedoelde structurele gevaren toegesneden, hoge veiligheidsniveau van de werkomstandigheden is voldaan. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de algemene maatregelen tot beveiliging van de werknemers tegen de gevaren van hun dagelijkse omgang met de patiënten, de daartoe gegeven voorlichting, de op die gevaren afgestemde instructies en het toezicht op de naleving daarvan. Daarnaast komt het aan op de specifieke maatregelen en instructies die tevens zijn vereist ter beveiliging van haar werknemers in hun omgang met de betrokken patiënt (X.). Aan deze stelplicht van Altrecht dienen in een geval als het onderhavige zeer hoge eisen te worden gesteld. Dat hangt samen met de omstandigheid dat het hier gaat om een ongeval, met letselschade tot gevolg, dat voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met en inherent is aan de uitvoering van de werkzaamheden van [Verzoeker] in de instelling waaraan hij zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken. Met art. 7:658 BW is niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van een werknemer als [Verzoeker], wiens werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen meebrengen. Ingevolge art. 7:658 BW is Altrecht dan ook slechts aansprakelijk indien zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht om schade te voorkomen.

4.5. Waar het de door Altrecht te treffen algemene veiligheidsmaatregelen betreft, heeft zij betoogd ter bescherming van [Verzoeker] redelijkerwijs te hebben gedaan wat van haar verlangd mocht worden. De kantonrechter volgt haar daarin slechts in zoverre, dat kan worden vastgesteld dat er binnen de afdeling Barentsz op beleidsniveau inderdaad voldoende aandacht was voor de veiligheid van het personeel. Zo is onder meer het omgaan met incidenten en het gebruik van het aanwezige alarmsysteem protocollair geregeld, is voorgeschreven dat een verpleegplan, een bejegeningsplan en een CPAP wordt opgesteld, is verplicht gesteld dat regelmatig een PPO-training wordt gevolgd waarin de veiligheids-aspecten aan de orde komen, zijn veiligheidscoaches aangesteld en is (laatstelijk in 2009) een risico-inventarisatie en -evaluatie gehouden. Willen evenwel deze - infrastructurele - maatregelen het beoogde effect sorteren dan is het toezicht op de naleving van de voorschriften onontbeerlijk, net als de inscherping van het personeel op onderdelen die onduidelijk blijken. Daaraan heeft het voorafgaand aan het incident van 18 augustus 2009 binnen afdeling Barentsz op relevante onderdelen ontbroken en daarmee is Altrecht tekortgeschoten in het treffen van de op het risico, verbonden aan de omgang van het personeel met patiënt X., toegesneden specifieke maatregelen. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

4.6. Vast staat dat er, anders dan protocollair voorgeschreven, geen bejegeningsplan ten aanzien van patiënt X. is opgesteld, terwijl juist een dergelijk plan bedoeld is om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de patiënt dient te worden benaderd. Gezien de weigerachtige opstelling van X. tegenover de behandeling en de in de loop van zijn opname toegenomen spanning rond zijn persoon was er reden om alsnog voortvarend in zo’n plan te voorzien. Dit is niet gebeurd. De reden van het ontbreken van een bejegeningsplan heeft Altrecht niet kunnen verklaren. Zoals in de evaluatie van het incident van 18 augustus 2009 is vastgesteld, was een bejegeningsplan ‘onmisbaar’ omdat juist daarin snel de belangrijkste informatie over een patiënt, zoals die over een gewelddadige voorgeschiedenis, moet kunnen worden teruggevonden.

4.7. Eenzelfde conclusie moet worden getrokken ten aanzien de PPO-basistraining. Het aanbieden van een dergelijke training aan het personeel is één ding, erop toezien dat een nieuwe medewerker als [Verzoeker] de basistraining tijdig volgt en voltooit is iets anders. Vast staat dat [Verzoeker] de PPO-training slechts ten dele heeft gevolgd. Niet gesteld of gebleken is dat hem tijdig de gelegenheid is geboden de training alsnog af te ronden. Omdat de training geacht moet worden de basisvaardigheden bij te brengen die elke sociotherapeut moet beheersen, is het opmerkelijk dat [Verzoeker] op 18 augustus 2009 de tweede dag van de training nog altijd niet had gevolgd. In haar opvatting dat hem in de eerste trainingsdag op het gebied van veiligheid reeds voldoende was bijgebracht, wordt Altrecht ook niet gevolgd omdat uit het overgelegde overzicht van de training blijkt dat op de tweede dag het onderdeel ‘Persoonlijke veiligheid praktijk’ op het programma stond. Waar Altrecht heeft betoogd dat op [Verzoeker] zelf de verantwoordelijkheid rustte het betreffende certificaat te behalen, ziet zij eraan voorbij dat zij - als zijn werkgeefster - de verplichting had erop toe te zien dat hij de gehele basistraining tijdig volgde.

4.8. Dit trainingsaspect is tevens van belang in verband met de in oktober 2007 geconstateerde onzekerheid die er bij het personeel bestond over het al dan niet gebruiken van de alarmpieper ingeval van incidenten. Teneinde te bereiken dat medewerkers zich voldoende zeker voelen om alarm te maken wanneer zij hun eigen situatie of die van anderen onveilig vinden, is indertijd besloten hieraan tijdens de PPO-training meer aandacht te besteden. Dat dit is gebeurd, heeft Altrecht niet gesteld. De enkele vermelding in het nadien vastgestelde protocol ‘Alarmsystemen en veiligheid’, inhoudende dat elke medewerker verantwoordelijk is voor de eigen veiligheid en die van collega’s, was niet voldoende. Uit hetgeen mevrouw [A] ter zitting heeft verklaard, blijkt dat binnen afdeling Barentsz - nog altijd - de regel geldt dat bij een (dreigende) escalatie de regie ligt bij degene die op dat moment het contact met de patiënt heeft. Het is dèze medewerker, zo benadrukte de algemeen manager, die geacht wordt het risico te taxeren en die het signaal dient te geven dat hij de controle over de situatie dreigt te verliezen, bijvoorbeeld door alarm te maken. Door aldus het personeel onvoldoende in te scherpen dat óók alarm moet worden gemaakt als wordt geconstateerd dat een collega in nood verkeert, heeft Altrecht het ervaringsfeit veronachtzaamd dat werknemers die dagelijks in een risicovolle situatie verkeren er gemakkelijk toe worden gebracht niet alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkóming van ongelukken geraden is. Dit geldt temeer in de situatie waarin [Verzoeker] op 18 augustus 2009 kwam te verkeren, die beangstigend moet zijn geweest en die er ook - zo heeft [Verzoeker] ter zitting verklaard - uit vrees voor de mogelijke reactie van X. toe heeft geleid dat hij geen alarm maakte. Naar het oordeel van de kantonrechter verklaart dit de bij de evaluatie van het incident van 18 augustus 2009 gebleken veronderstelling van (een van de) collega’s die vanuit het verpleegkantoor getuige waren van de agressiviteit van X. dat alleen [Verzoeker] alarm mocht maken. Hierdoor is er ten onrechte minutenlang mee gewacht om de bij de aanvang van de spanningsopbouw al - preventief - ter versterking opgeroepen personeelsleden in te zetten teneinde [Verzoeker] uit zijn hachelijke situatie te ontzetten. Aldus is kostbare tijd verloren gegaan. Eerder daadwerkelijk ingrijpen lag voor de hand, zeker toen X. probeerde de afdelingssleutel te bemachtigen, tegen deuren begon te trappen en kopstoten in de richting van [Verzoeker] maakte, en zou hebben voorkómen dat [Verzoeker] letsel opliep. Dat het de-escalaren bij de Barentsz-doelgroep lang pleegt te duren, maakt dit niet anders, omdat de agressie van X. tijdens het incident niet af- maar toenam. Ook de mogelijkheid dat de opzet van X. niet was gericht op het toebrengen van letsel aan [Verzoeker], en hij alleen tegen een deur wilde trappen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat [Verzoeker], die in de betrekkelijk nauwe ruimte in de hal dicht bij X. stond, zou worden geraakt en van X. bekend was dat hij aan kickboksen deed.

4.9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Altrecht jegens [Verzoeker] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 BW, dat zij aansprakelijk is voor zijn schade die het gevolg is van het ongeval van 18 augustus 2009 en dat zij verplicht is die schade aan hem te vergoeden. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [Verzoeker] aldus dat hij vraagt om dit voor recht te verklaren. Dat verzoek wordt toegewezen, zoals hierna in het dictum van deze beschikking omschreven.

4.10. Op grond van artikel 1019aa Rv dienen de kosten van de behandeling

van het verzoek aan de zijde van [Verzoeker] te worden begroot en komen daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking. Daaraan staat het Convenant Buitengerechtelijke Kosten niet in de weg, niet alleen omdat [Verzoeker] daaraan niet is gebonden, maar ook omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat het convenant ertoe strekt om het recht op vergoeding van de kosten van een deelgeschil te beperken. Naar het oordeel van de kantonrechter is het redelijk dat [Verzoeker] voor dit deelgeschil juridische bijstand heeft ingeroepen. Omdat het gehanteerde uurtarief (€ 180,--) en de aan de zaak bestede tijd (14½ uur) niet bovenmatig voorkomen, en ook het vastrecht (van € 75,--) voor vergoeding in aanmerking komt, worden de kosten aan de zijde van [Verzoeker] begroot op € 2.685,--. Het begrote bedrag zal als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1. verklaart voor recht dat Altrecht jegens [Verzoeker] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 BW, dat zij aansprakelijk is voor de schade van [Verzoeker] die het gevolg is van het hem op 18 augustus 2009 overkomen ongeval en dat zij verplicht is die schade aan hem te vergoeden;

5.2. begroot de buitengerechtelijke kosten van deze procedure op € 2.685,-- en veroordeelt Altrecht tot betaling daarvan aan [Verzoeker];

5.3. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op

18 april 2013.