Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ7908

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
07.660194-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, wederrechtelijk binnendringen in een woning en vernieling en beschadiging tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en opname in een kliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 07.660194-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 februari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 4 februari 2013 te [woonplaats], waarbij de verdachte niet is verschenen. Ter terechtzitting is verschenen

mr. R.P.A. Kint, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.E.M. van de Ven en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 mei 2012 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, althans een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht heeft geslagen en/of

- vervolgens, toen zij op de grond lag, haar bij haar (boven)lichaam heeft vastgepakt en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met haar (achter)hoofd tegen de grond heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 mei 2012 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht heeft geslagen en/of

- vervolgens, toen zij op de grond lag, haar bij haar (boven)lichaam heeft vastgepakt en (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met haar (achter)hoofd tegen de grond heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2012 te [woonplaats] wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] en in gebruik bij [slachtoffer 1], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

3.

hij op of omstreeks 31 mei 2012 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten en/of een deur (van de woning gelegen aan de [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder

1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de verklaring van aangeefster, het bij aangeefster geconstateerde letsel, de bevindingen van de politie en de verklaring van verdachte.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat verdachte ten tijde van het plegen van dat feit geen relatie meer had met zijn inmiddels ex-vriendin en daarom van het deel van de tenlastelegging dat ziet op “zijn levensgezel” dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster en gelet op de omstandigheden er ook geen sprake van is geweest dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft alleen met zijn vlakke hand geslagen en de vitale delen in het achterhoofd worden door een sterke schedel op die plek goed beschermd, aldus de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1, feit 2, en feit 3

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard woonachtig te zijn op de [adres] in [woonplaats]. Haar woning betreft een huurwoning van [naam].

Aangeefster verklaarde dat [verdachte] haar op 31 mei 2012 belde, dit was ongeveer een week nadat zij de relatie met hem had beëindigd. Zij had toen tegen hem gezegd dat ze niet wilde dat hij bij haar thuis langs zou komen. ’s Avonds belde [verdachte] aangeefster op haar mobiele telefoon. Ze nam op en ze hoorde [verdachte] schreeuwen dat hij eraan zou komen en dat zij de deur voor hem moest open doen. Aangeefster had meerdere malen tegen [verdachte] gezegd dat zij niet wilde dat hij langs zou komen en dat ze deur niet voor hem zou open doen. Die avond zag aangeefster dat [verdachte] via de achterdeur probeerde binnen te komen. Ze hoorde glasgerinkel. Aangeefster hoorde [verdachte] naar boven komen rennen. Ze hoorde een harde trap tegen de deur van de logeerkamer waarin hun dochtertje van 2.5 jaar lag te slapen. Het lukte [verdachte] om de deur in te trappen. [verdachte] kwam, met hun dochtertje op zijn arm, op aangeefster af en sloeg haar met kracht meerdere keren in haar gezicht. Toen aangeefster op de grond lag pakte [verdachte] haar bij haar bovenlichaam vast en sloeg haar meerdere keren met haar hoofd op de grond.

Verbalisant [verbalisant 1], die de aangifte opnam, zag bij aangeefster een flinke opgezwollen linkerkaak en schaafwonden in haar nek en op haar lichaam. Uit de medische verklaring van 4 juni 2012 maakt de rechtbank op dat aangeefster een kleine wijkende hoofdwond van twee centimeter had opgelopen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de foto’s in het dossier, waarop het door aangeefster opgelopen letsel staat afgebeeld.

Verbalisant [verbalisant 2] zag toen hij op 31 mei 2012 bij de woning van aangeefster aankwam dat het gelaat van aangeefster bebloed was. Verbalisant zag dat de ruit van de achterdeur was ingegooid met een baksteen. Op de vloer van de keuken en de hal lagen bloedsporen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangeefster tegen hem had gezegd dat ze niet wilde dat hij bij haar thuis kwam en dat hij toen boos werd. De raadsman heeft als gemachtigde van verdachte ter zitting kenbaar gemaakt dat verdachte blijft bij zijn verklaring bij de reclassering dat hij aangeefster twee keer met open hand had geslagen en dat hij haar met haar hoofd tegen de muur had geslagen.

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank acht op grond van het voornoemde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] op 31 mei 2012 in [woonplaats] meermalen in het gezicht heeft geslagen, haar bij haar bovenlichaam heeft vastgepakt en haar met haar achterhoofd tegen de grond heeft geslagen. Op dat moment was de relatie tussen beiden over zodat van het onderdeel “levensgezel” dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij nog het volgende. Verdachte heeft gezegd dat hij aangeefster met haar hoofd tegen de muur had geslagen. Verdachte heeft dit echter pas in zijn gesprek bij de reclassering gezegd. Aangeefster heeft vlak na het gebeuren op 1 juni 2012 direct gezegd dat verdachte haar met haar hoofd tegen de grond had geslagen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster daarom meer betrouwbaar en gaat daarom voor de bewezenverklaring uit van de juistheid van haar verklaring.

De rechtbank overweegt voorts dat het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel is van het lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hard slaan van het hoofd tegen een hard voorwerp -in dit geval de grond- kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Dat verdachte in de onderhavige zaak het hoofd van aangeefster ook hard tegen de grond heeft geslagen blijkt wel uit het feit dat aangeefster hierdoor een gat in haar achterhoofd heeft opgelopen. Het slaan van het hoofd van aangeefster tegen de grond levert dan ook naar het oordeel van de rechtbank een poging tot zware mishandeling op. De rechtbank acht daarmee het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Op grond van de verklaring van aangeefster en de verklaring van verdachte, alsmede het feit dat verdachte de woning van aangeefster is binnen gekomen door een baksteen door het raam te gooien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 mei 2012 in [woonplaats] wederrechtelijk is binnen gedrongen in de woning van aangeefster aan de [adres].

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangeefster en de bevindingen van de politie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 mei 2012 in [woonplaats] een ruit van de woning aan de [adres], toebehorende aan [naam], heeft vernield en een deur van die woning heeft beschadigd.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 31 mei 2012 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1]

- meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen en

- vervolgens, toen zij op de grond lag, haar bij haar bovenlichaam heeft vastgepakt en vervolgens meermalen met kracht met haar achterhoofd tegen de grond heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 31 mei 2012 te [woonplaats] wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] en in gebruik bij [slachtoffer 1].

3.

op 31 mei 2012 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit heeft vernield en een deur heeft beschadigd van de woning gelegen aan de [adres] toebehorende aan [naam].

Van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Het in een woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

En

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie heeft gevorderd om verplicht reclasseringscontact, een meldingsgebod en een klinische opname in de Woenselse Poort te Eindhoven voor de duur van één jaar als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te koppelen, alsmede deze voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte nu gemotiveerd is voor een behandeling en een klinische opname daartoe. De intake bij de Woenselse Poort heeft al plaatsgevonden en verdachte kan daar volgens mededeling van de reclassering in maart/april 2013 geplaatst worden. De eis van de officier van justitie betekent dat verdachte nog twee maanden moet zitten en dat zou de plaatsing in de kliniek doorkruisen. Naar de mening van de raadsman is dat onwenselijk.

De raadsman heeft daarom verzocht een gevangenisstraf conform het voorarrest op te leggen, eventueel aangevuld met een onvoorwaardelijke werkstraf, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte is op 31 mei 2012 naar de woning van zijn ex-vriendin gegaan. Bij die woning heeft hij een baksteen door een raam gegooid, omdat zijn ex-vriendin de deur niet voor hem opendeed. Vervolgens is verdachte naar binnen gegaan. In de woning heeft verdachte de deur van de slaapkamer ingetrapt, in welke kamer haar dochtertje lag te slapen. Verdachte heeft zijn ex-vriendin vervolgens fors geslagen en heeft zijn ex-vriendin ook met haar achterhoofd tegen de grond geslagen. Het slachtoffer was door het door verdachte gebruikte geweld tegen haar er zo ernstig aan toe dat zij naar het ziekenhuis is gebracht voor behandeling. Het nog jonge dochtertje is van het geweld door haar vader jegens haar moeder getuige geweest. Zelfs de aanwezigheid van zijn dochtertje heeft verdachte er niet van weerhouden zo tekeer te gaan. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan. De enorme impact op het slachtoffer blijkt wel uit de door haar bij haar ingediende vordering tot schadevergoeding gevoegde onderbouwing.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat verdachte eerder meermalen is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten en ook eerder is veroordeeld voor huisvredebreuk. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden wederom fors geweld tegen een persoon te gebruiken.

W. Hanse, reclasseringswerkster bij Tactus Verslavingszorg, heeft in haar rapport van

27 augustus 2012 vermeld dat verdachte geen problemen ziet en van mening is dat anderen de problemen veroorzaken. Hij bagatelliseert zijn eigen aandeel. Er lijkt weinig sprake van reflecterend vermogen ten aanzien van zijn eigen handelen. Ook ten aanzien van de inleving in het slachtoffer lijkt er weinig bewustzijn. Het feit dat verdachte geen inkomen heeft, instabiele huisvesting, geen dagbesteding, middelenproblematiek en een (gedeeltelijk) crimineel netwerk maken dat de kans op recidive hoog wordt ingeschat. Naar de mening van de reclassering is er een behandeling nodig. Verdachte heeft aangegeven dat hij inziet dat een behandeling positieve effecten te weeg zal brengen en heeft aangegeven bereid te zijn de behandeling te volgen.

Uit een adviesrapport van Tactus Verslavingszorg van 26 november 2012 volgt dat gezien de ernst van de problematiek, het recidivegevaar en het feit dat ambulante behandeling inmiddels ontoereikend wordt geacht, de reclassering van mening is dat verdachte klinisch moet worden behandeld. Een klinische behandeling zou als bijzondere voorwaarde moeten worden opgenomen om te voorkomen dat verdachte het traject voortijdig stopt.

Ter terechtzitting heeft deskundige L. van der Veen, verbonden aan Tactus Verslavingszorg, naar voren gebracht dat verdachte voor een klinische behandeling in maart dan wel april 2013 in De Woenselse Poort geplaatst zou kunnen worden.

De rechtbank ziet op basis van de bij verdachte aanwezige problematiek en de bevindingen van de reclassering het belang van een klinische behandeling om het recidivegevaar te kunnen verminderen tot een aanvaardbaar niveau in. De rechtbank zal deze klinische opname dan ook als bijzondere voorwaarde aan verdachte opleggen, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van de door verdachte gepleegde feiten -met name de poging de poging tot zware mishandeling van zijn ex-vriendin- en het forse strafblad van verdachte op het gebied van geweldsdelicten tevens een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank vindt de feiten dermate ernstig dat naar haar oordeel de duur van de onvoorwaardelijke straf niet bepaald mag worden door de mogelijke klinische opnamedatum in de Woenselse Poort in maart/april 2013. De rechtbank zal aan die datum bij het bepalen van de strafmaat dan ook geen doorslaggevende betekenis toekennen. Het is aan de reclassering om in overleg met de kliniek te regelen wanneer het klinische traject voor verdachte nadat hij is vrijgekomen van start kan gaan. De rechtbank neemt bij het bepalen van de strafmaat ook mee dat verdachte niet ter zitting is verschenen en daarmee niet zijn verantwoordelijkheid toont voor wat hij heeft gedaan.

Gelet op het voornoemde zal de rechtbank een hogere straf aan verdachte opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaar, alsmede verplicht reclasseringscontact als algemene voorwaarde en een meldingsgebod en een klinische opname voor de duur van maximaal één jaar als bijzondere voorwaarden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - gelet op zijn persoon - opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 2.047,07.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot een bedrag van € 1.647,07, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover de vordering ziet op de kosten voor de mobiele telefoon, omdat het vernielen van de mobiele telefoon niet op de dagvaarding staat en deze schade daarom geen rechtstreekse schade betreft.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover deze betrekking heeft op de medische kosten voor het verwijderen van een hechting, omdat dit kosten zijn die door de verzekering worden vergoed en op de kosten voor de mobiele telefoon, omdat dit geen rechtstreekse schadepost betreft.

Voor het overige deel van de vordering heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.647,07, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige deel van de vordering, te weten de voor de mobiele telefoon gevorderde schade tot een bedrag van € 400,00, is de rechtbank van oordeel dat dit geen rechtstreekse schade betreft, omdat het vernielen van de telefoon niet op de dagvaarding staat en ook anderszins uit het proces-verbaal niet van een direct verband met de onder 1 primair bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is gebleken. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 138, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van drie jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich:

* zal laten opnemen in de Woenselse Poort te Eindhoven, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die de verdachte in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven, voor de duur van maximaal één jaar;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 1.647,07 (zegge: zestienhonderdzevenenveertig euro en zeven eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 31 mei 2012, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.647,07 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. M. Iedema en

C.A. de Beaufort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2013.

Mr. Ferschtman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.