Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ7402

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
AWB 12/26575
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wat partijen verdeeld houdt is of verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft mogen weigeren, omdat eiseres het inburgeringsexamen niet heeft behaald. In paragraaf B1/4.7.2.3 van de Vc, onder kopje B, "Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen", is vermeld in welke situaties de hardheidsclausule kan worden toegepast. Niet in geschil is dat eiseres niet aan al deze voorwaarden voldoet, ondanks dat zij daarop is gewezen en in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij daaraan voldoet.

De rechtbank stelt vast dat deze paragraaf een uitwerking is van artikel 3.80a, vierde lid, van het Vb. Dat artikel ziet op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, welke aanvraag (ook) kan worden afgewezen indien niet is voldaan aan het inburgeringsvereiste. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat dit beleid ook van toepassing is op vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Met toepassing van artikel 8:69, derde lid, van de Awb stelt de rechtbank vast dat volgens verweerders beleid inderdaad voormelde beleidsregel van overeenkomstige toepassing is verklaard op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voormelde paragraaf B1/4.2.7.3, kopje B, is immers volgens paragraaf B1/7.1.11.3 van de Vc, van overeenkomstige toepassing.

Voor zover de door eiseres aangevoerde omstandigheden al niet zijn betrokken bij de vaststelling van paragraaf B1/7.1.11.3 van de Vc, gelezen in samenhang met paragraaf B1/4.2.7.3 van de Vc, heeft verweerder deze terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan hij van zijn beleidsregel had moeten afwijken. Daarbij heeft verweerder het belang en het doel van het inburgeringsexamen mogen betrekken. Met de in het kader van de inburgeringsplicht getroffen maatregelen wordt immers de verwezenlijking gewaarborgd van het nagestreefde doel, namelijk het overbruggen van achterstanden bij de integratie van minderheden, het voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan en het bevorderen van de sociale cohesie van de samenleving (zie MvT betreffende de Regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering), TK 2005-2006, 30 308, nr. 3). Dit doel is breder dan het door eiseres geopperde doel van het inburgeringsexamen, namelijk het zelfstandig opbouwen van een bestaan in Nederland, zonder dat daarbij een uitkering wordt genoten.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/26575

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2013 in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [geboortedatum], van Nigeriaanse nationaliteit, eiseres,

(gemachtigde: mr. P.C. Smit),

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 19 augustus 2011 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen en de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf bij ec[echtgenoot]" niet verlengd.

Bij besluit van 24 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Eiseres is niet ter zitting verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Louwerse, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Aan eiseres is met ingang van 3 februari 2000 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking "verblijf bij [echtgenoot]", waarvan de geldigheidsduur laatstelijk is verlengd tot 2 februari 2012. Op 19 augustus 2011 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend.

3. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen, omdat zij het inburgeringsexamen niet heeft behaald en niet is gebleken dat zij behoort tot de in artikel 3.96a, tweede of derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bedoelde categorieën. Er bestaat voorts geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij [echtgenoot] is niet verlengd, omdat deze relatie is verbroken.

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd gericht tegen de afwijzing van de verlenging van de geldigheid van haar vergunning. Niet in geding is dat eiseres niet meer voldoet aan de beperking van de aan haar verleende vergunning, aangezien de relatie tussen haar en [echtgenoot] ten tijde van belang was verbroken. Wat partijen verdeeld houdt is of verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft mogen weigeren, omdat eiseres het inburgeringsexamen niet heeft behaald.

5. In dat kader heeft eiseres betoogd dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot vrijstelling van het vereiste inburgeringsexamen. Eiseres is van mening dat zij, op grond van de overgelegde verklaring van het ROC van 9 februari 2012 valt onder de categorie vrijgestelden op grond van artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb, gelezen in samenhang met artikel 2.5, aanhef en onder c, van het Besluit inburgering en met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit Naturalisatietoets. Verweerder heeft dit miskend, zodat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, aldus eiseres.

6. Op grond van artikel 3.96a, eerste lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet heeft behaald.

Op grond van artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb, voor zover thans van belang, is het eerste lid niet van toepassing, indien de vreemdeling voldoet aan één van de criteria, genoemd in artikel 2.5, aanhef en onder c, van het Besluit inburgering.

Op grond van artikel 3.96a, vierde lid, van het Vb kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

7. Niet in geschil is dat eiseres het inburgeringsexamen niet heeft behaald, zodat verweerder de aanvraag in beginsel om die reden terecht heeft afgewezen op grond van artikel 3.96a, eerste lid, van het Vb. In wat eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van de omstandigheid vermeld in artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb op grond waarvan dat eerste lid niet van toepassing is. De rechtbank volgt eiseres dus niet in haar betoog dat zij op grond van dat onderdeel c, gelezen in samenhang met artikel 2.5, aanhef en onder c, van het Besluit Inburgering vrijgesteld dient te worden. Op grond van dit laatste artikel is geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht degene die kan aantonen dat hij ingevolge artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets de naturalisatietoets niet behoeft of behoefde af te leggen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij geen verzoek om naturalisatie heeft ingediend en dus ook geen naturalisatietoets hoeft te doen. Reeds hierom slaagt deze beroepsgrond niet.

8. Verder heeft eiseres aangevoerd dat haar langdurig verblijf in Nederland, haar verregaande integratie en het feit dat zij geen beroep doet op de openbare kas maar hier te lande werkzaam is, ertoe dienen te leiden dat met toepassing van artikel 4:84 van de Awb wordt afgezien van het vereiste inburgeringsexamen. Ter zitting heeft eiseres benadrukt dat zij inspanningen heeft verricht om te voldoen aan de taaltoets. Het doel van het inburgeringsexamen is het in staat zijn om zelfstandig een bestaan op te bouwen in Nederland, zonder dat daarbij een uitkering wordt genoten. Eiseres heeft dit, doordat zij werkzaam is, duidelijk aangetoond. Verder heeft eiseres toegelicht dat er geen openbare orde-problemen zijn, dat zij vanaf 2000 in het bezit is van een verblijfsvergunning en dat zij geworteld is in de Nederlandse samenleving. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de beleidsregel die voor haar in het kader van haar beroep op artikel 4:84 van de Awb onevenredige gevolgen met zich brengt paragraaf B1/4.7.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) betreft.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die het beleid stelt om met toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.96a, vierde lid, van het Vb vrijstelling te verlenen van het vereiste van het behalen van het inburgeringsexamen. In het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheden om alsnog aan te tonen dat zij aan deze voorwaarden voldoet. De door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden bieden volgens verweerder geen aanleiding voor het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en tot een situatie als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij strak vasthoudt aan het vereiste van het inburgeringsexamen, gelet op het belang daarvan.

10. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres aldus dat zij betoogt dat het handelen door verweerder overeenkomstig paragraaf B1/4.7.2.3 van de Vc en het dus aan haar tegenwerpen van het vereiste van het behalen van het inburgeringsexamen, voor haar, gelet op de naar voren gebrachte omstandigheden, onevenredig gevolgen heeft.

11. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

12. Volgens paragraaf B1/4.7.2.3 van de Vc, onder kopje B, kan de hardheidsclausule worden toegepast in de situaties waarin de minister op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Het gaat hier om de vreemdeling die niet gealfabetiseerd is in zijn eigen taal en de Nederlandse taal, van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, niet kan worden verwacht dat hij (nog) Nederlands leert lezen en schrijven binnen een periode van vijf jaar, en de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau heeft behaald. Niet in geschil is dat eiseres niet aan al deze voorwaarden voldoet, ondanks dat zij daarop is gewezen en in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij daaraan voldoet.

13. De rechtbank stelt vast dat deze paragraaf een uitwerking is van artikel 3.80a, vierde lid, van het Vb. Dat artikel ziet op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf”, welke aanvraag (ook) kan worden afgewezen indien niet is voldaan aan het inburgeringsvereiste. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat dit beleid ook van toepassing is op vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

14. Met toepassing van artikel 8:69, derde lid, van de Awb stelt de rechtbank vast dat volgens verweerders beleid inderdaad voormelde beleidsregel van overeenkomstige toepassing is verklaard op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voormelde paragraaf B1/4.2.7.3, kopje B, "Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen", is immers volgens paragraaf B1/7.1.11.3 van de Vc, van overeenkomstige toepassing.

15. Voor zover de door eiseres aangevoerde omstandigheden al niet zijn betrokken bij de vaststelling van paragraaf B1/7.1.11.3 van de Vc, gelezen in samenhang met paragraaf B1/4.2.7.3 van de Vc, heeft verweerder deze terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan hij van zijn beleidsregel had moeten afwijken. Daarbij heeft verweerder het belang en het doel van het inburgeringsexamen mogen betrekken. Met de in het kader van de inburgeringsplicht getroffen maatregelen wordt immers de verwezenlijking gewaarborgd van het nagestreefde doel, namelijk het overbruggen van achterstanden bij de integratie van minderheden, het voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan en het bevorderen van de sociale cohesie van de samenleving (zie MvT betreffende de Regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering), TK 2005-2006, 30 308, nr. 3). Dit doel is breder dan het door eiseres geopperde doel van het inburgeringsexamen, namelijk het zelfstandig opbouwen van een bestaan in Nederland, zonder dat daarbij een uitkering wordt genoten.

16. In wat eisers ook overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is genomen.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.