Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ7155

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
844443 AC EXPL 12-8013 MEH 4215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Prijsindicatie of maximumprijs. Onredelijke overschrijding prijsindicatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 844443 AC EXPL 12-8013 MEH 4215

Vonnis van 3 april 2013

in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats]

gemachtigde: mr. Y. Baake,

en

de maatschap

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats]

gemachtigde: mr. B. Dijkstra.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 januari 2013;

- de fax van 27 februari 2013 van [eiseres] ten behoeve van de comparitie;

- de fax van 28 januari 2013 van [gedaagde] ten behoeve van de comparitie;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 maart 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1. [gedaagde] drijft een tandartsenmaatschap.

2.2. Op 27 februari 2009 hebben [A] genaamd [naam] (hierna: [A]) en [B] van [eiseres] en [gedaagde] met elkaar gesproken over diensten die [eiseres] voor [gedaagde] kon verrichten. Naar aanleiding van dit gesprek heef t [A] op dezelfde dag een mail aan [gedaagde] gestuurd:

“naar aanleiding van ons gesprek van heden middag verzoek ik je vriendelijk mij de volgende stukken toe te zenden:

1. jaarrekening 2005 en 2006

2. aangifte inkomstenbelasting 205 en 2005, zowel van jou als je echtgenote

3. jaaroverzicht omzet 2007 en 2008

4. openstaande debiteuren per 31 december 2007 en 31 december 2008

(…)”

2.3. Op 19 maart 2008 (dit moet 2009 zijn; toevoeging kantonrechter) heeft [eiseres] een offerte aan [gedaagde] uitgebracht. Hierin is onder meer het volgende geschreven:

“Dienstverlening

U heeft ons verzocht de volgende werkzaamheden te verrichten:

1. Verwerken van de financiële administratie

2. Kritisch nazien van de financiële administratie per kwartaal

3. Samenstellen en bespreken van de jaarrekening

4. Verzorgen van de fiscale aangiften.

(…)

Honorarium

Uitgangspunt voor de taxatie van ons honorarium voor de gevraagde dienstverlening, inclusief het samenstellen van de jaarrekening (met ingang van het boekjaar 2007) is de huidige opzet en omvang van de activiteiten van uw onderneming. Ons honorarium (gebaseerd op het prijspeil 2009) wordt getaxeerd op € 4.000 exclusief omzetbelasting.

(…) Ons honorarium voor verrichte werkzaamheden zal maandelijks in rekening worden gebracht op basis van de voortgang daarvan. De betalingstermijn bedraagt 30 dagen.”

De offerte is op 27 maart 2009 door [gedaagde] aanvaard.

2.4. [eiseres] heeft voor haar werkzaamheden aan [gedaagde] gefactureerd. Deze facturen zijn, ondanks aanmaningen, deels onbetaald gebleven. Het betreft facturen voor werkzaamheden die zijn uitgevoerd in de periode van april 2009 tot en met maart 2010.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.416,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de verschuldigdheid, buitengerechtelijke incassokosten van € 962,50 en (na)kosten.

3.2. [eiseres] vordert nakoming door [gedaagde] van haar betalingsverplichtingen. Volgens [eiseres] heeft zij in haar offerte een prijsindicatie van € 4.000,- exclusief BTW (€ 4.760,- inclusief BTW) per boekjaar genoemd die is gebaseerd op informatie van [gedaagde] die naderhand onjuist althans onvolledig bleek te zijn. Als gevolg hiervan heeft zij meer werkzaamheden moeten verrichten dan was verwacht, zodat de prijsindicatie overschreden is.

De facturen die (gedeeltelijk) onbetaald zijn gebleven en waarvan [eiseres] betaling vordert, zijn de volgende:

- factuur van 11 mei 2009 van € 4.165,- (inclusief BTW). Hierop is een bedrag betaald van € 2.165,-;

- factuur van 11 november 2009 van € 3.575,06 (inclusief BTW). Hierop is een bedrag betaald van € 2.000,-;

- factuur van 8 februari 2010 van € 933,14 (inclusief BTW);

- factuur van 5 maart 2010 van € 657,59 (inclusief BTW);

- factuur van 9 april 2010 van € 1.250,87 (inclusief BTW).

3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat partijen een maximumprijs van € 4.000,- per boekjaar hebben afgesproken. In totaal heeft [eiseres] over de boekjaren 2007 en 2008 een bedrag van € 13.892,15 (exclusief BTW) aan [gedaagde] gefactureerd in plaats van € 8.000,- (exclusief BTW), terwijl er geen reden was voor meerwerk.

Voor zover sprake was van een meer omvangrijke opdracht dan gedacht, had [eiseres] haar daarvoor tijdig moeten waarschuwen, aldus [gedaagde]. Door dit na te laten heeft [eiseres] de op haar rustende waarschuwingsplicht heeft geschonden, waarbij zij verwijst naar het bepaalde in artikel 7:403 van het Burgerlijk Wetboek.

3.4. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Prijsindicatie of maximumprijs

4.1. Partijen twisten in de eerste plaats over de kwalificatie van de prijs van € 4.000,- (exclusief BTW) per boekjaar. Volgens [eiseres] blijkt al uit de tekst van de offerte dat sprake is van een prijsindicatie (zie r.o. 2.3). Tijdens de zitting is namens [eiseres] toegelicht dat de stukken die zij per e-mail van 27 februari 2009 (zie r.o. 2.2) bij [gedaagde] had opgevraagd niet bij het opstellen van de offerte zijn betrokken. Hierdoor beschikte zij bij het maken van deze offerte niet over voldoende informatie om een maximumprijs af te spreken.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt [eiseres] [A] tijdens het intakegesprek van 27 februari 2009 heeft meegedeeld dat hij zijn voormalige accountant per jaar een bedrag van € 3.600,- (exclusief BTW) betaalde. Volgens [gedaagde] is met [A] een vaste prijs is afgesproken. Dat een vaste prijs is afgesproken, blijkt volgens [gedaagde] ook uit het feit dat [A] haar medio september 2009 heeft meegedeeld dat het bedrag van € 4.000,- eenmalig overschreden zou worden in verband met extra werkzaamheden met betrekking tot de nieuwbouw van de praktijk van [gedaagde].

4.2. De kantonrechter is van oordeel dat een taalkundige uitleg van de offerte – in het bijzonder gelet op de woorden “wordt getaxeerd” (zie r.o. 2.3) – het standpunt van [eiseres] ondersteunt dat partijen een prijsindicatie van € 4.000,- overeen zijn gekomen. Het afgeven van een prijsindicatie is ook in overeenstemming met de omstandigheid dat [eiseres] in de offerte niet de informatie heeft betrokken die zij per e-mail van 27 februari 2009 bij [gedaagde] had opgevraagd (zie r.o. 2.2).

4.3. De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld, kan evenwel niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van deze vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat hij redelijkerwijs mocht verwachten dat de prijsopgave in de offerte, ondanks de bewoordingen ervan, een maximumprijs is. In het bijzonder wijst de kantonrechter erop dat [gedaagde] de offerte als ondernemer heeft ondertekend zonder enige opmerking te maken over het honorarium. Als het zo zou zijn dat met [A] een vaste prijs is afgesproken, zoals [gedaagde], stelt, dan had het voor de hand gelegen dat [gedaagde] de offerte niet zonder meer zou hebben ondertekend. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de offerte de gemaakte afspraken correct weergeeft.

Verder wijst de kantonrechter op de e-mail van 16 november 2010 die VvA Rechtsbijstand namens [gedaagde] aan het door [eiseres] ingeschakelde incassobureau heeft gestuurd. Hierin staat onder meer:

“Hoewel de opzet en omvang en omvang van de onderneming van cliënt ongewijzigd zijn, heeft [eiseres] bovenop het getaxeerde bedrag aanvullend € 6.416,66 incl. BTW gedeclareerd. Aangezien

- er geen redenen zijn waarom cliënt zou hebben moeten twijfelen aan de juistheid van de taxatie,

- er geen bijzondere redenen zijn die een overschrijding van deze omvang rechtvaardigen en

- [[eiseres] cliënt niet van tevoren heeft geïnformeerd over de overschrijding,

moet het openstaande bedrag worden aangemerkt als een excessieve declaratie (…).”

Het standpunt dat er geen bijzondere redenen zijn voor een excessieve overschrijding en het beroep op de waarschuwingsplicht veronderstellen dat de prijsopgave in de offerte een richtprijs is. Immers zou in het geval van een maximumprijs iedere overschrijding in beginsel ontoelaatbaar zijn.

4.5. [gedaagde] betrekt ook de stelling dat [A] medio september 2009 heeft meegedeeld dat het bedrag van € 4.000,- eenmalig overschreden zou worden met een bedrag van € 852,-. Hiermee bedoelt zij kennelijk te zeggen dat partijen een vaste prijs zijn overeengekomen, omdat anders van een eenmalige overschrijding geen sprake zou kunnen zijn.

Tijdens de zitting is namens [eiseres] toegelicht dat zij nooit heeft toegezegd dat de prijsopgave eenmaal zou worden overschreden. Volgens haar hebben partijen slechts onderhandeld over de kosten voor de extra werkzaamheden in verband met de nieuwbouw en heeft [gedaagde] verklaard voor deze werkzaamheden een bedrag € 852,- te willen betalen.

Gelet op deze betwisting en gelet op het feit dat [eiseres] tot en met juni 2009 al een bedrag van € 6.120,- (exclusief BTW) heeft gefactureerd, kan [gedaagde] niet gevolgd worden in haar stelling dat [A] over een eenmalige overschrijding van € 852,- heeft gesproken.

4.6. Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat partijen met het in de offerte genoemde bedrag van € 4.000,- per boekjaar een prijsindicatie overeen zijn gekomen.

Kostenoverschrijding

4.7. Op een prijsindicatie moet een beperkte overschrijding worden aanvaard. Tijdens de comparitie is namens [eiseres] erkend dat zij over de boekjaren 2007 en 2008 een bedrag van € 13.892,15 (exclusief BTW) aan [gedaagde] heeft gefactureerd in plaats van € 8.000,- (exclusief BTW). Dit betekent dat het geraamde honorarium met ruim 57% is overschreden, hetgeen een aanzienlijke overschrijding van de prijsindicatie is.

Een dergelijke overschrijding is in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en dus niet toelaatbaar. Hierover moet anders worden geoordeeld als [eiseres] [gedaagde] tijdig voor de overschrijding heeft gewaarschuwd en laatstgenoemde daarmee akkoord is gegaan.

4.8. Volgens [eiseres] bleek bij de uitvoering van de werkzaamheden dat de door [gedaagde] gegeven informatie onjuist althans onvolledig was, zodat zij meer werkzaamheden heeft moeten verrichten dan was verwacht en de prijsindicatie werd overschreden (zie r.o. 3.2). Als voorbeelden noemt zij het nog niet afgerond zijn van de nieuwbouw van de tandartspraktijk, fouten in de eerdere jaarrekeningen, het gebruik maken van zes bankrekeningen in plaats van drie en het feit dat zakelijke en privébetalingen door elkaar liepen.

[eiseres] stelt dat zij [gedaagde] meermalen heeft gewaarschuwd voor meer werkzaamheden en kosten.

4.9. [gedaagde] betwist dat de door haar gegeven informatie onjuist of onvolledig is. Verder betwist zij dat [eiseres] tijdig heeft gewaarschuwd voor de financiële gevolgen van extra werkzaamheden (zie r.o. 3.3).

4.10. Uit de tijdens de comparitie gegeven toelichting en de door partijen in het geding gebrachte stukken blijkt dat tussen hen is gesproken over de kostenoverschrijding. Anders dan [eiseres] stelt, blijkt echter niet dat met [gedaagde] overleg is gevoerd voorafgaande aan de werkzaamheden die tot overschrijding van de prijsindicatie leidden. In het bijzonder kan niet uit de door [eiseres] als productie 10 in het geding gebrachte e-mailberichten afgeleid worden dat tijdig overleg met [gedaagde] heeft plaatsgevonden, omdat deze e-mails hoofdzakelijk interne mails tussen [B], [A] en [C] betreffen. Evenmin blijkt dit uit de e-mail van 18 augustus 2009 van [gedaagde] aan [B] die luidt:

“Geachte Heer, Bij deze stuur ik u deels antwoorden op uw vragen. De rest komt zsm. Is Jrrek. 2007 gereed?

Is het Pand aan de Zeldertsedreef 13c voor 25% in uw bezit? JA”

Uit dit bericht kan niet afgeleid worden dat [gedaagde] zich ervan bewust was – laat staan daarmee heeft ingestemd – dat extra werkzaamheden zouden worden verricht waardoor de prijsindicatie zou worden overschreden.

Ook in de overige e-mailberichten worden door [eiseres] vragen gesteld die door [gedaagde] worden beantwoord. Deze correspondentie past naar het oordeel van de kantonrechter in de normale uitvoering van de overeengekomen opdracht en geeft in ieder geval geen aanleiding te veronderstellen dat [eiseres] extra werkzaamheden verrichtte die tot kosten zouden leiden.

4.11. Evenmin is gebleken dat het overleg tussen partijen ertoe heeft geleid dat [gedaagde] achteraf heeft ingestemd met de kostenoverschrijding. Sterker, tijdens de zitting is namens [gedaagde] toegelicht dat zij meermalen bezwaren heeft geuit tegen de facturen. Dit wordt ondersteund door het e-mailbericht van 25 september 2009 aan [eiseres]:

“(…) Net als ik al heb aangegeven staat op contract dat wij om de kwartal alles zouden bespreken, wat in jaar 2007, 2008 en 2009 niet doorgang heeft gevonden. Als je een extra nota wil sturen dan zie ik graag een creditnota voor de niet doorgaande besprekingen. (…)”

4.12. Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat [eiseres] [gedaagde] niet tijdig heeft gewaarschuwd voor de aanzienlijke kostenoverschrijding. Evenmin is gebleken van tussen partijen gemaakte afspraken over deze overschrijding van de prijsindicatie. Niettemin is [eiseres] doorgegaan met factureren voor werkzaamheden zonder daarbij acht te slaan op de eigen begroting.

In het verweer van [gedaagde] ligt besloten dat de facturen waarvan [eiseres] betaling vordert, allemaal betrekking hebben op werkzaamheden voor de boekjaren 2007 en 2008. [eiseres] heeft dit verweer niet nader weersproken. In het bijzonder heeft zij nagelaten toe te lichten op welke boekjaren de in het geding zijnde facturen betrekking hebben. Hierom moet worden aangenomen dat het gefactureerde bedrag van € 13.892,15 (exclusief BTW) volledig betrekking heeft op werkzaamheden voor de boekjaren 2007 en 2008. Uit de niet door [eiseres] weersproken stellingen van [gedaagde] vloeit voort dat daarvan een bedrag van € 13.625,98 (inclusief BTW) is betaald.

Gelet op de mate van overschrijding van de begrote bedragen en in aanmerking nemend dat [gedaagde] voor de werkzaamheden al aanzienlijk meer heeft betaald dan was begroot (namelijk afgerond 43% meer), staan de eisen van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg dat [eiseres] aanspraak kan maken op betaling van de openstaande facturen die betrekking hebben op voornoemde werkzaamheden.

Proceskosten

4.13. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × tarief € 250,00).

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.