Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6994

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
16/700885-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkoping brigadier van politie. inzet pseudokoop/pseudokopers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Sector strafrecht

Locatie Utrecht

parketnummer: 16/700885-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsvrouw mr. W.B. Janssens, advocaat te Oudewater.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 maart 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1 primair: in de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 een politieambtenaar, [medeverdachte], heeft omgekocht teneinde die [medeverdachte], in strijd met diens geheimhoudingsplicht, een kenteken na te laten trekken in de politiesystemen en

€ 50,00 voor de verkregen vertrouwelijke informatie aan die [medeverdachte] heeft betaald;

- feit 1 subsidiair: deze ambtenaar heeft uitgelokt tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens afkomstig uit politiesystemen;

- feit 2: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 2 mei 2012 telkens politieambtenaar [medeverdachte] heeft uitgelokt tot het schenden van zijn ambtsgeheim en tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens afkomstig uit politiesystemen.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte door de politie is ingezet bij de pseudokoop, zonder dat er tegen verdachte een redelijke verdenking bestond. Voorts is verdachte uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten om zodoende bewijs tegen verdachte [medeverdachte] te verkrijgen.

De rechtbank heeft het pleidooi van de raadsvrouw opgevat aldus dat zij pleit voor de niet- ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, nu er, naar de mening van de verdediging sprake is van onherstelbare vormverzuimen.

De rechtbank oordeelt als volgt:

In de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] werd een bevel pseudokoop afgegeven teneinde in contact te komen met [medeverdachte] om zodoende bewijs te verzamelen dat [medeverdachte] zich bezighield met handelingen in strijd met zijn ambtsplicht. Daarop ontstond er contact tussen de pseudokoper en – de latere medeverdachte - [verdachte]. Vanaf het moment dat [verdachte] in beeld kwam als mogelijke verdachte ter zake het plegen van strafbare feiten, te weten het tegen betaling verkrijgen van vertrouwelijke informatie van een politieagent, werd [verdachte] eveneens als verdachte aangemerkt. Toen is er ten aanzien van verdachte – zekerheidshalve – een apart bevel pseudokoop opgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat er op grond van voornoemde feiten en omstandigheden sprake was van voldoende gronden en een redelijk vermoeden van schuld om [verdachte] als verdachte aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat op het moment dat het middel van pseudokoop werd ingezet, [verdachte] inderdaad nog geen verdachte was. De verdenking bestond immers tegen medeverdachte [medeverdachte] en het bevel was dan ook tegen hem gericht. In het kader daarvan heeft de pseudokoper (toevalligerwijs) contact gelegd met [verdachte]. Daarvoor was op dat moment niet vereist dat [verdachte] verdachte was.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Uitlokking/Tallon criterium

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het Tallon criterium, artikel 126i lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de processen-verbaal van bevindingen van agent [verbalisant B] volgt dat [verdachte], gaande het gesprek met [verbalisant B] d.d. 13 mei 2012, zelf met het gegeven komt dat hij, via een politieman, een kenteken kan laten checken. Uit het dossier volgt niet dat [verdachte] zou zijn uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in zijn vervolging, nu geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Strafuitsluiting of bewijsuitsluiting is om dezelfde reden evenmin aan de orde.

3.4 Overige voorvragen

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte betwist dat hij [medeverdachte] heeft betaald. Verdachte voelde zich ten tijde van zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris onder druk gezet en was verward. Verdachte had diverse (psychische) problemen, schulden en een gokverslaving.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

Inleiding

Vast staat dat de politie in het onderzoek naar de verdenking betreffende verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], destijds brigadier van politie, gebruik heeft gemaakt pseudokoop, waarbij twee verbalisanten,[verbalisant A]en [verbalisant B], zijn ingezet als pseudokopers.

Feiten en omstandigheden

In het BVH politiesysteem wordt een verzonnen registratie geplaatst, onder andere inhoudende dat er een melding van een beveiligingsbedrijf was dat de inzittenden van een voertuig, een Landrover, kenteken [kenteken] zich verdacht hadden gedragen bij een loods in Den Dolder. In het voertuig zaten een blanke man en twee vermoedelijke Antilliaanse personen. Uit onderzoek in Brabant bleek dat de inzittenden betrokken waren geweest bij het rippen van hennepkwekerijen. Het voertuig betrof een Lease auto. Aan [verbalisant B] werd alleen meegedeeld dat om een donkerkleurige zwarte terreinwagen, met het kenteken [kenteken].

Op 13 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen [verbalisant B] en[verdachte](de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]). Tijdens de ontmoeting gaf [verdachte] aan dat hij een kenteken kon laten checken door een agent. Op 15 mei 2012 overhandigde A-4363 een papiertje aan [verdachte] met daarop het kenteken [kenteken] met de mededeling dat het om een donkere terreinwagen ging. Op 16 mei 2012 werd in het P info systeem van de politie het kenteken [kenteken] tweemaal door medeverdachte [medeverdachte] bevraagd. Op 16 mei 2012 is er telefonisch contact met [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij die gozer heeft gezien en dat hij anderhalve meijer vraagt voor die scooter. Verdachte heeft verklaard dat met “die scooter” de informatie werd bedoeld die hij voor [naam] (de rechtbank begrijpt: agent [verbalisant B]) had. Op 17 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen [verbalisant B] en [verdachte]. [verdachte] vroeg of het klopte dat het om een Landrover gaat. [verdachte] zei dat er twee negers en een blanke in rijden en dat die gasten zich bezig houden met rippen. Twee weken geleden zijn zij door de beveiliging gezien bij een Loods. [verdachte] zegt dat de agent om honderdvijftig euro had gevraagd, maar dat hij de agent € 50,00 had betaald.

[medeverdachte] heeft verklaard dat van [verdachte] (verdachte [verdachte]) een papiertje met daarop een kenteken had gekregen. Later had hij naar aanleiding van dat papiertje in zijn Black Berry gekeken. De dag erna had hij tegen [verdachte] – onder andere – gezegd dat het foute boel was en dat het rippers waren.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem de informatie had gegeven die hij, verdachte, aan [naam] had verstrekt. Hij had [medeverdachte] € 50,00 betaald voor die informatie.

Overwegingen

De rechtbank acht op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte € 50,00 heeft betaald aan politieambtenaar [medeverdachte], teneinde deze er toe te brengen om, in strijd met zijn plicht, in de politiesystemen een kenteken te bevragen en zodoende vertrouwelijke informatie aan verdachte te verstrekken.

Verklaring verdachte

De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de verklaring van verdachte betreffende de betaling van € 50,00 aan [medeverdachte] betrouwbaar.

Verdachte heeft in zijn derde verklaring bij de politie gedetailleerd verklaard over te betalen bedragen en hetgeen hij uiteindelijk had betaald. Deze verklaring wordt grotendeels ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant B], betreffende de inhoud van zijn contacten met [verdachte] op 16 en 17 mei 2012. Voorts heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris eveneens verklaard dat hij [medeverdachte] € 50,00 had betaald.

In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat verdachte ten tijde van zijn verhoren bij de politie en de rechter-commissaris onder druk is gezet. De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting, dat hij niet meer weet wat hij de politie verteld heeft, dit deels verzonnen heeft en dat de politie er nog wat bij verzonnen acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Feit 2:

vrijspraak

De rechtbank heeft dit deel van de tenlastelegging opgevat als betrekking hebbende op het incident waarbij verdachte refereert aan ‘de negers waar hij problemen mee had.’

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd.

Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanwijzingen. De verklaring van verdachte vindt op dit punt geen enkele steun in het dossier. Voorts is niet gebleken van enig nader onderzoek naar mogelijke raadplegingen van medeverdachte [medeverdachte] in de politiesystemen op dit punt.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 primair:

in de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 in Nederland, een (politie)ambtenaar, te weten [medeverdachte] (werkzaam bij de politie regio Utrecht), een gift heeft gedaan, te weten 50 euro, met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen,immers heeft hij, verdachte, een kenteken (te weten [kenteken]) aan die [medeverdachte] gegeven teneinde dit kentekenen te laten natrekken in (een) politiesyste(e)m(en) en voor de aldus verkregen vertrouwelijke informatie aan die [medeverdachte] een geldbedrag betaald.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

- feit 1 primair: aan een ambtenaar een gift doen aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; en

- 240 uur werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een politieagent omgekocht om een door verdachte opgegeven kenteken na te kijken in de politiesystemen en heeft op die manier vertrouwelijke informatie van die politieagent tot zijn beschikking gekregen. Verdachte heeft hiermee de integriteit van de politie geschonden en schade toegebracht aan het vertrouwen dat burgers in de politie mogen hebben. De betrouwbaarheid van de politie moet boven elke twijfel verheven zijn. De politie is immers een hoeksteen van de maatschappij waarop men moet kunnen vertrouwen.

Verdachte heeft er geen blijk van gegeven enig inzicht te hebben in de ernst van het door hem gepleegde feit. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte d.d. 5 november 2012 waaruit volgt dat verdachte eenmaal eerder, geruime tijd geleden, is veroordeeld ter zake het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 2 augustus 2012. Uit het rapport volgt dat verdachte sedert 2006 kampt met forse lichamelijke en psychische klachten. Sinds 2008 heeft verdachte een behandelcontact met Altrecht en krijgt hij medicatie, in de vorm van anti-psychotica en anti-depressiva. Verdachte heeft gokproblemen, forse schulden en krijgt een Wajonguitkering. Van de zijde van verdachte bestaat geen hulpvraag en de reclassering acht reclasseringstoezicht niet nodig. De reclassering adviseert om verdachte een werkstraf op te leggen.

De rechtbank zal, nu zij - anders dan de officier van justitie - tot een vrijspraak komt ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde, aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Een enkele werkstraf, zoals door de reclassering is geadviseerd, is gelet op de ernst van het feit en de inbreuk die verdachte heeft gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in de politie mag stellen, niet aan de orde.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Met deze voorwaardelijke straf wordt, mede gelet op de persoon van verdachte, beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen van 140 uur, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 177 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 primair: aan een ambtenaar een gift doen aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 april 2013.

Mr. G. Perrick is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1 primair

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een (politie)ambtenaar, te weten [medeverdachte] (werkzaam bij de politie regio Utrecht), (telkens) (een) gift(en) en/of belofte(n) heeft gedaan dan wel (een) dienst(en) heeft verleend en/of heeft aangeboden,(te weten 50 euro althans [een] geldbedrag[en]),

met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met

zijn plicht, iets te doen en/of na te laten,

of

wetende of vermoedende dat die ambtenaar in strijd met zijn plicht, (in zijn

bediening) iets heeft gedaan en/of nagelaten,

immers heeft hij, verdachte, een kenteken (te weten [kenteken]) aan die [medeverdachte] gegeven teneinde dit kenteken te laten natrekken in (een) politiesyste(e)m(en) en/of voor de (aldus verkregen) (vertrouwelijke) informatie aan die [medeverdachte] (een) geldbedrag(en) betaald/beloofd;

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Subsidiair

[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 te Utrecht en/of Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten als (politie)ambtenaar (werkzaam bij de politie regio Utrecht) , verplicht was te bewaren,opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij (vertrouwelijke informatie uit (een) politiesyste(e)m(en) (aan derden) verstrekt en/of (aan derden) ter beschikking gesteld (te weten informatie betreffende een kenteken [kenteken]),

zulks terwijl hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 3 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten

- door die [medeverdachte] (een) geldbedrag(en) toe te zeggen/in het vooruitzicht te

stellen en/of (vervolgens) dat/die(/een) geldbedrag(en) aan die [medeverdachte] te

geven

en/of

- door die [medeverdachte] (gratis) wiet en/of (gratis) dranken te geven en/of in

het vooruitzicht te stellen

en/of

- door aan die [medeverdachte] een (briefje met een) kenteken (te weten [kenteken]) te

geven,

(het) voornoemde feit(en) opzettelijk heeft uitgelokt;

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2

“[medeverdachte] op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 2 mei 2012 te Utrecht en/of Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten als (politie)ambtenaar (werkzaam bij de politie regio Utrecht) , (telkens) verplicht was te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft geschonden, immers heeft die [medeverdachte], (telkens) (vertrouwelijke) informatie uit (een) politiesyste(e)m(en) aan verdachte verstrekt en/of beschikking gesteld,

zulks terwijl hij, verdachte, op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 2 mei 2012 te Utrecht en/of Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten

- door die [medeverdachte] van gegevens met betrekking tot de op te zoeken (vertrouwelijke) informatie te voorzien (waaronder onder meer een kenteken)

en/of

- door die [medeverdachte] (een) geldbedrag(en) toe te zeggen/in het vooruitzicht te

stellen en/of (vervolgens) dat/die(/een) geldbedrag(en) aan die [medeverdachte] te

geven

en/of

- door die [medeverdachte] (gratis) wiet en/of (gratis) dranken te geven en/of in

het vooruitzicht te stellen

(het) voornoemde feit(en) opzettelijk heeft uitgelokt;

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht