Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6594

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
16/656281-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen geprobeerd het slachtoffer af te persen. Er is sprake van nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier verdachten. Er zijn ernstige bedreigingen geuit naar het slachtoffer en zijn familie, hetgeen zelfs geleid heeft tot plaatsing in een safe house. Dit heeft grote invloed (gehad) op de veiligheidsgevoelens van het slachtoffer en zijn familie.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656281-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsvrouw mr. W. Mijnders, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting van 3 januari 2013 is het onderzoek gesloten.

De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak van medeverdachten [medeverdachte 1] (16/656280-12), [medeverdachte 2] (16/701573-12 en 07/660020-12) en [medeverdachte 3] (16/701572-12 en 07/660018-12).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen [slachtoffer] heeft geprobeerd af te persen

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. De politie heeft –aldus de verdediging- via sms-berichten contact opgenomen met de vader van verdachte. Hierbij heeft de politie zich voorgedaan als zijnde aangever. De politie is sturend opgetreden terwijl daarbij een valse hoedanigheid was aangenomen. Aldus is de vader van verdachte door de politie misleid en is hij uitgelokt tot het afleggen van een verklaring. Vervolgens zijn de vader van verdachte en eventueel andere personen naar een locatie gelokt. Door de handelwijze van de politie is artikel 8 EVRM geschonden. Verdachte is hierdoor rechtstreeks in zijn belangen - te weten de eerbiediging van zijn privéleven - geschaad. Alles aldus de verdediging.

De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van verdachte geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM en overweegt daartoe als volgt.

Door de politie is, met gebruikmaking van de telefoon van het slachtoffer, een sms-bericht gestuurd naar de vader van verdachte. Niet valt in te zien hoe de eerbiediging van het privéleven van verdachte door deze handelwijze is geschonden. De behandeling van de zaak voldoet aan de beginselen van goede procesorde, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

Schorsen vervolging

De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met de drie medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], het slachtoffer [slachtoffer] (verder te noemen het slachtoffer) heeft geprobeerd af te persen. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van het slachtoffer, de observaties, de tapgesprekken, de camerabeelden van de winkel, het e-mail bericht van het slachtoffer op 13 september 2012, het sms-contact tussen de telefoon van het slachtoffer en de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaringen van verdachte en de medeverdachten.

Verdachte was –aldus de officier van justitie- daarbij de initiator van het plan en was bij de uitvoering aanwezig. Verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waren de uitvoerders van de bedreigingen, in opdracht van verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] wist van het plan, hield de voortgang in de gaten en had contact met de anderen vlak na de bedreigingen en ging uiteindelijk zelf, na een via de sms gemaakte afspraak, met verdachte op 14 september 2012 het geld ophalen in Houten. De officier van justitie is dan ook van mening dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten om in ieder geval € 2000,- van het slachtoffer te krijgen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Zij wijst daarbij allereerst op een aantal formele punten, waardoor naar de mening van de verdediging op onrechtmatige wijze bewijs is vergaard en de resultaten hiervan dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Inzet tap

Allereerst is –aldus de raadsvrouwe- de inzet van de tap op grond van artikel 126m Wetboek van Strafvordering onrechtmatig geweest. Primair is er geen sprake van een feit waardoor sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Subsidiair is er niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte is hiermee geschaad in zijn recht op privacy. Op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering dient het aldus op onrechtmatige wijze verkregen bewijs te worden uitgesloten. Alles aldus de raadsvrouwe.

Observatie van de winkel

De politie observeert de winkel van verdachte op grond van artikel 2 Politiewet. Daar heeft de verdediging geen opmerkingen over, maar wel over de herkenning van verdachte. Kennelijk worden verdachte en zijn vader herkend aan foto’s, waarvan niet bekend is waar die vandaan komen. Verdachte heeft geen strafblad en was op dat moment nog geen verdachte. Het ligt niet voor de hand dat de politie beschikt over een foto van verdachte. Deze herkenning is derhalve op onrechtmatige wijze geschied en mag niet meewegen voor het bewijs, aldus de raadsvrouwe.

Inzet stelselmatige observatie

Op enig moment ontstaat waarschijnlijk op basis van de tapgesprekken de verdenking tegen verdachte. De inzet van de tap is –aldus de raadsvrouwe- onrechtmatig en de resultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daarmee valt de verdenking van verdachte weg en is er geen redelijk vermoeden van schuld op het moment dat de officier van justitie overgaat tot de inzet van de stelselmatige observatie. De aanvraag tot observatie wordt gedaan op basis van onrechtmatig verkregen bewijs en op basis van onjuiste informatie. Dit maakt dat de resultaten verkregen door deze observatie onrechtmatig zijn en dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van deze observatie. Alles aldus de raadsvrouwe.

Het sms-verkeer tussen de politie, die zich voordoet als aangever, en [medeverdachte 1]

De politie is sturend opgetreden en neemt een valse hoedanigheid aan, namelijk die van aangever. De vader van verdachte wordt misleid en in de val gelokt. Deze opsporingsmethode raakt aan de BOB-methoden, maar zonder de waarborgen die het Wetboek van Strafvordering daaraan verbindt. Ook verdachte wordt hierdoor rechtstreeks in zijn belangen geschaad, namelijk de eerbiediging van zijn privéleven op grond van artikel 8 EVRM . Het doel van de inzet van deze methode was namelijk tot een ontmoeting komen met vader en/of andere personen. De inzet zag derhalve van te voren al op een aanhouding/ontmoeting met ieder ander persoon die zich toevalligerwijs op dat moment in het gezelschap van vader bevond. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de onrechtmatige handeling en de daarop volgende aanhouding. Alles aldus de raadsvrouwe.

Het geweld bij de aanhouding

De aanhouding had –aldus de raadsvrouwe- niet mogen plaatsvinden, omdat deze aanhouding het resultaat is geweest van de onrechtmatige inzet van diverse opsporingsmethoden. Verder mag volgens artikel 7, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie een vuurwapen alleen worden gebruikt om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken, dan wel om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken of heeft onttrokken. Hiervan is geen sprake. Er is op onrechtmatige wijze gebruik gemaakt van een bevoegdheid. Het vuurwapengebruik is op disproportionele wijze ingezet. De aanhouding is hierdoor onrechtmatig, aldus de raadsvrouwe.

De conclusie van de verdediging is dat er op onrechtmatige wijze bewijs is vergaard en verdachte op onrechtmatige wijze is aangehouden. Al het hieruit volgende bewijs dient te worden uitgesloten van het bewijs, eveneens de hieruit voortvloeiende verklaringen van verdachten. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Opzet en nauwe en bewuste samenwerking

Subsidiair is de verdediging van mening dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld. Onduidelijk blijft wat er gezegd is tegen het slachtoffer en er is ook geen bewijs waaruit zou blijken dat er sprake was van een vooropgezet plan. Verdachte heeft geen opzet gehad op de al dan niet door medeverdachte [medeverdachte 3] geuite woorden en bovendien is er geen bewijs voor nauwe en bewuste samenwerking voor wat betreft het uiten van dreigende woorden. Voor zover deze al geuit zouden zijn, zijn deze door een ander dan verdachte geuit en zijn hierover vooraf geen afspraken gemaakt. Verdachte dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouwe.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal allereerst een oordeel geven over de formele verweren die de verdediging heeft gevoerd.

De inzet van de tap en de observaties

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van het slachtoffer een verdenking van een zeer ernstig en gewelddadig strafbaar feit naar voren kwam. De politie had dan ook alle reden om onderzoek te doen en de verklaringen van het slachtoffer te verifiëren. Hierbij zijn taps en observaties ingezet. Gelet op de ernst van de verklaringen van het slachtoffer is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot de machtiging kon komen om de onderhavige bijzondere opsporingsmiddelen in te zetten. De verdenking was dermate ernstig dat de machtiging niet alleen rechtmatig, maar zelfs geboden was. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bijzondere opsporingsmiddelen rechtmatig en proportioneel zijn ingezet. Tevens levert de inzet van deze middelen geen schending op van het recht op privacy van de verdachte.

Het sms-verkeer tussen de politie, die zich voordoet als aangever, en [medeverdachte 1]

De politie heeft met gebruikmaking van de telefoon van het slachtoffer sms-berichten gestuurd naar de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1]. Het eerste sms-bericht dat door de politie is gestuurd, luidde: “Kan nu niet bellen, wat is er”. Vervolgens is door medeverdachte [medeverdachte 1] gereageerd met een bericht dat hij die avond 2000,- euro wilde hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie met het hiervoor weergegeven sms-bericht een open vraag gesteld. De politie is daarbij niet sturend opgetreden. Door het versturen van de sms-berichten heeft de politie medeverdachte [medeverdachte 1] er niet toe bewogen een strafbaar feit te begaan. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] door de sms-berichten van de politie is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Aldus heeft de politie zich niet schuldig gemaakt aan uitlokking van een strafbaar feit.

Het geweld bij de aanhouding

Verdachte is onder schot aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat bij verdenking van een ernstig feit als het onderhavige, de politie niet kan uitsluiten dat er sprake is van wapenbezit bij de verdachten. In de situatie zoals hier gebleken, is de rechtbank van oordeel dat het alleszins gerechtvaardigd is en zelfs geboden om de voltooiing van een misdrijf te voorkomen of te beëindigen. Het feit dat verdachten in dit geval geen wapens bij zich droegen, doet daar niet aan af. Het vuurwapengebruik door de politie is derhalve niet onrechtmatig of disproportioneel geweest. De aanhouding is dan ook rechtmatig.

De rechtbank concludeert dat alle formele verweren van de verdediging worden verworpen, waardoor er geen uitsluiting van bewijs in welke vorm dan ook zal plaatshebben.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met drie medeverdachten het slachtoffer [slachtoffer] heeft geprobeerd af te persen. De rechtbank komt tot haar oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 september 2012 is [slachtoffer] (verder te noemen het slachtoffer) gebeld door verdachte (hierna te noemen: [verdachte]) met het verzoek de volgende dag in de ochtenduren naar zijn [naam] winkel aan de [adres] in [vestigingsplaats], te komen. Deze afspraak wordt verder gemaakt via de e mail. Die afspraak is gemaakt op verzoek van [medeverdachte 1]. Op 12 september 2012 is het slachtoffer naar de winkel gegaan, waar hij [verdachte] en twee andere mannen ontmoette. [verdachte] had gevraagd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om hem te helpen 2000 euro terug te krijgen van het slachtoffer. [medeverdachte 3] zou het slachtoffer een beetje intimideren met woorden. [medeverdachte 1] wist van het plan om te bedreigen omdat [verdachte] het hem vooraf heeft verteld. Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd geld van het slachtoffer geëist dat hij de volgende dag, 13 september 2012, in de winkel moest komen betalen. Zij bedreigden het slachtoffer en zijn gezin met de dood en konden beschrijven hoe het huis van het slachtoffer er uit ziet en dat zij hem en zijn kinderen weten te wonen. Ook wisten zij waar de kinderen van het slachtoffer op school zitten. De afpersers zeiden ook dat wanneer het slachtoffer het geld niet betaalde, er vandaag of morgen een groep langs zou komen die zijn vrouw en dochter zouden verkrachten en in stukken zouden snijden. Tevens heeft [medeverdachte 3] gezegd dat hij de kop van het slachtoffer af zou beuken en zijn tanden er uit zou slaan. [verdachte] heeft gezien dat het slachtoffer bang was en bijna begon te huilen. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor 13 september 2012 om 16.00 uur in de winkel. Ongeveer een half uur nadat het slachtoffer de winkel heeft verlaten, komt [medeverdachte 1] de winkel binnen en praat met [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2].

Op 13 september 2012 is [verdachte] in de zaak. Om 15.52 uur komen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de zaak binnen. Rond 16.32 uur verlaten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de zaak weer. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bevestigen ook dat zij in de winkel aanwezig waren op 13 september 2012. Het slachtoffer heeft die middag een e-mail gestuurd naar [verdachte] waarin hij aangeeft dat hij het geld niet heeft en dat hij niet zal langskomen. [medeverdachte 1] wordt geïnformeerd dat het niet gelukt is. [medeverdachte 1] spreekt de voicemail van het slachtoffer in dat hij hem zo snel mogelijk terug moet bellen. [verdachte] informeert [medeverdachte 1] telefonisch over de e-mail van het slachtoffer. Vervolgens wordt er op 14 september 2012 met het telefoonnummer van het slachtoffer een sms gestuurd naar [medeverdachte 1], met de volgende inhoud: “Ik kan nu niet bellen, wat is er”. [medeverdachte 1] reageert als volgt op de sms: “2000 euro, ik kom ze zelf halen dan hebben we het er samen over oke, moet vanavond”. Vervolgens wordt er afgesproken om half 8 bij de Van de Valk in Houten. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn op de afgesproken plek in Houten aangehouden. Op een later moment zijn ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aangehouden.

Eigen waarneming rechtbank

De camerabeelden van de winkel zijn deels ter terechtzitting bekeken. De rechtbank heeft geconstateerd dat op 12 september 2012 [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] samen met het slachtoffer in de winkel aanwezig zijn. Daarbij wordt waargenomen dat [medeverdachte 2] het slachtoffer gedurende het hele gesprek vrijwel onafgebroken strak aankijkt. [medeverdachte 3] spreekt en maakt met gestrekte armen wijzende gebaren.

Bewijsoverwegingen

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de verklaringen van het slachtoffer, zeker gelet op het feit dat zijn verklaringen ook op meerdere punten worden bevestigd door andere verklaringen.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de beelden. De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de lichaamshouding van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] terwijl zij op 12 september 2012 samen met het slachtoffer in de winkel aanwezig zijn, kracht bijzetten aan de door het slachtoffer genoemde bedreigingen. [medeverdachte 3] heeft uitgelegd dat hij gewend is met zijn armen te bewegen terwijl hij spreekt. Deze gebaren zijn echter andere dan het wijzen met gestrekte armen zoals de rechtbank deze op de beelden heeft waargenomen.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier verdachten. [verdachte] heeft het plan bedacht en gevraagd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om het slachtoffer te intimideren met woorden. [medeverdachte 1] wist van te voren van het plan af en komt op 12 september 2012 vlak na de bedreigingen in de winkel en spreekt met de drie medeverdachten. De volgende dag is er een afspraak met het slachtoffer gemaakt om 16.00 uur. [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn in de winkel aanwezig. Het slachtoffer schrijft echter een e-mail dat hij niet komt. [medeverdachte 1] wordt hierover geïnformeerd. Vervolgens proberen zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] contact te krijgen met het slachtoffer. Uiteindelijk ontstaat er sms-contact tussen de telefoon van het slachtoffer, gebruikt door de politie, en het slachtoffer. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij die avond 2000 euro van het slachtoffer wil hebben en ze maken een afspraak bij de Van der Valk in Houten. [medeverdachte 1] en [verdachte] gaan ook naar die afspraak, waar zij vervolgens worden aangehouden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 12 september 2012 tot en met 14 september 2012 te Utrecht en Houten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, en één of meer van zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij een geldbedrag moest betalen en

- die [slachtoffer] en diens gezin bedreigd met de dood en

- gezegd dat ze alles van hem ([slachtoffer]) wisten en dat ze wisten waar hij woonde en dat ze wisten waar zijn kinderen op school zaten en dat ze zijn vrouw en dochter zouden verkrachten en in stukken zouden snijden en dat ze zijn kop eraf zouden beuken en dat ze zijn tanden eruit zouden slaan, en

- gezegd dat die [slachtoffer] het geld op 13 september 2012 om 16.00 uur moest afleveren in het pand van de [naam] aan de [adres] te [vestigingsplaats], en vervolgens

- zich op het afgesproken tijdstip op 13 september 2012 naar dat pand begeven, en zich in dat pand opgehouden, en

- via de sms afgesproken om 14 september 2012 om (ongeveer) 19.30 uur bij Van der Valk in Houten te komen voor de overdracht van het geld en zich op de afgesproken tijd naar die locatie begeven,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Als bijzondere voorwaarde dient een contactverbod met [slachtoffer] opgelegd te worden, welke voorwaarde direct uitvoerbaar is.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Primair is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair verzoekt de verdediging bij het eventueel opleggen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte: verdachte is first offender, zijn vriendin is afhankelijk van zijn inkomen, het reclasseringsadvies, de gebeurtenis is een incident en de zakelijke belangen van verdachte. Bij veroordeling verzoekt de verdediging aan verdachte een straf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest en een eventueel restant van de straf voorwaardelijk op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich met drie medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Daarbij zijn ernstige bedreigingen geuit naar het slachtoffer en zijn familie. Dit heeft zelfs geleid tot de plaatsing in een safe house. Dit heeft grote invloed (gehad) op de veiligheidsgevoelens van het slachtoffer en zijn familie. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer nog steeds angstig is. De spanning en stress hebben geen goede uitwerking op de ziekte van Parkinson die het slachtoffer heeft. Daarvoor moet hij beginnen met fysiotherapie en ergotherapie. Om de stress en angst te verwerken moet hij ook met een psycholoog gaan praten. Tevens voelden het slachtoffer en zijn familie zich niet meer veilig in hun eigen huis, waardoor zij hebben besloten om ergens anders te gaan wonen.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met de justitiële documentatie van 7 november 2012, waaruit blijkt dat verdachte twee keer is veroordeeld voor een verkeersovertreding. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met

het reclasseringsadvies van 8 november 2012 van reclasseringswerker H. Luites.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht daarbij van belang dat er geen sprake is geweest van daadwerkelijk fysiek geweld of het tonen van wapens. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende 1 jaar geen contact mag hebben met [slachtoffer].

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van totaal € 1791,98. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

- kosten geestelijke gezondheidszorg € 139,50

- eigen risico GGZ € 69,64

- eigen bijdrage GGZ € 30,00

- smartengeld € 1000,00

- kosten vervoer € 171,19

- dierenpension € 306,70

- prepaid telefoon € 24,95

- beltegoed € 50,00

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van ontstaan van de schade en het smartengeld vanaf het moment van het misdrijf (12 september 2012) dan wel het ontstaan van het schadebedrag (datum van rekening) tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 24c, 36f, 45, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte gedurende 1 jaar geen contact mag hebben met [slachtoffer];

* verklaart deze op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde bijzondere voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1791,98, waarvan € 791,98 ter zake van materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf het moment van ontstaan van die schade tot aan de dag der algehele voldoening, en € 1000,00 ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Schademaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1791,98 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 12 september 2012 tot en met 14 september 2012 te Utrecht en/of Houten, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 10.000,- euro en/of 40.000,- euro en/of 2000,- euro althans een (groot) geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij 10.000,- en/of 40.000,- euro en/of 2000,- euro, althans een (groot) geldbedrag moest betalen en/of

- die [slachtoffer] en/of diens gezin bedreigd met de dood en/of

- gezegd dat ze alles van hem ([slachtoffer]) wisten en/of dat ze wisten waar hij woonde en/of dat ze wisten waar zijn kinderen op school zaten en/of dat ze zijn vrouw en dochter zouden verkrachten en in stukken zouden snijden en/of dat ze zijn kop eraf zouden beuken en/of dat ze zijn tanden eruit zouden slaan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- gezegd dat die [slachtoffer] het geld op 13 september 2012 (om 16.00 uur) moest afleveren in het pand van de [naam] aan de [adres] te [vestigingsplaats], en/of (vervolgens)

- zich op het afgesproken tijdstip op 13 september 2012 naar dat pand begeven, en/of zich in dat pand opgehouden, en/of

- (via de sms) afgesproken om 14 september 2012 om (ongeveer) 19.30 uur bij Van der Valk in Houten te komen voor de overdracht van het geld en/of zich op de afgesproken tijd naar die locatie begeven, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 317 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)