Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6564

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
16/251716-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging.

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/251716-12 (P)

vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Zaïre) op [1991]

wonende te [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Amersfoort. De rechtbank heeft de zaak gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 16/656575-12 ).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en de raadvrouw naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (primair) op 8 december 2012 te Leusden al dan niet samen met een ander opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans opzettelijk heeft geprobeerd om die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

(subsidiair) op 8 december 2012 te Leusden openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1],

feit 2: (primair) op 8 december 2012 te Leusden openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2];

(subsidiair) op 8 december 2012 te Leusden [slachtoffer 2] opzettelijk heeft mishandeld.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zij acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven en verzoekt verdachte van dat onderdeel van het primair ten laste gelegde vrij te spreken.

Het onder feit 2 primair ten laste gelegde acht de officier van justitie gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen eveneens wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat beide aangevers niet weten wie er heeft geschopt en geslagen en ook verdachten niet weten wie ze geraakt hebben. Dat verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] zou hebben geschopt volgt ook niet uit de in het dossier aanwezige getuigenverklaringen, nu die verklaringen niet eenduidig zijn. Voorts is bij [slachtoffer 1] geen letsel vastgesteld dat past bij trappen in het gezicht.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte wel tegen het gezicht van [slachtoffer 1] heeft geschopt, dan nog kan dat niet leiden tot een veroordeling voor de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag c.q. zwaar lichamelijk letsel, nu niet vaststaat met welk schoeisel, hoe hard en hoe vaak tegen het hoofd van [slachtoffer 1] is geschopt, zodat niet kan worden vastgesteld of er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood c.q. op zwaar lichamelijk letsel. De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Aangever [slachtoffer 1] (hierna te noemen [slachtoffer 1]) liep op 8 december 2012 samen met zijn broer [slachtoffer 2] (hierna te noemen [slachtoffer 2]) in Leusden ’s nachts omstreeks 02.30 uur het café “[naam]” uit, toen buiten een groep van 3 jongens, waaronder [medeverdachte] (de rechtbank begrijp dat hiermee medeverdachte [medeverdachte] wordt bedoeld) en een negroïde jongen met kort zwart haar en gekleed in donkere kleding, om hen heen kwamen staan. Hij voelde dat er aan hem geduwd en getrokken werd, dat hij een klap met een gebalde vuist in zijn gezicht kreeg en dat er vervolgens nog twee keer op zijn lip geslagen werd. Na de derde klap viel hij op de grond en ging even “out”. Toen hij weer bijkwam voelde hij dat hij getrapt werd tegen zijn bovenlichaam en tegen zijn gezicht door in ieder geval [medeverdachte] en voornoemde negroïde persoon. Bij [slachtoffer 1] is een scheurwond aan zijn bovenlip geconstateerd.

De verklaring van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen. [getuige 1] zag dat medeverdachte [medeverdachte] naar [slachtoffer 1] toeliep en twee keer met zijn gebalde vuist naar hem uithaalde, dat het gezicht van [slachtoffer 1] onder het bloed kwam te zitten en dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Getuige [getuige 2] zag dat [slachtoffer 1] en zijn broer [slachtoffer 2] door een groep negroïde jongens naar de zijkant werden gedreven, dat [slachtoffer 1] van [slachtoffer 2] werd gescheiden en dat een negroïde jongen [slachtoffer 1] twee keer met kracht in het gezicht sloeg, waardoor [slachtoffer 1] achterover viel. Ze zag vervolgens dat drie negroïde jongens naar [slachtoffer 1] toeliepen en alle drie met kracht in de buik en tegen het gelaat van [slachtoffer 1] trapten. Deze laatste verklaring wordt bevestigd door [getuige 3], die zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en dat een aantal personen, waaronder verdachte en zijn neef, rondom [slachtoffer 1] stonden en op hem aan het intrappen waren.

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] zijn neef is en dat hij bij de vechtpartij tegen [slachtoffer 1] klappen heeft uitgedeeld.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat verdachte een negroïde uiterlijk heeft.

Aanvullend ten aanzien van feit 2

De broer van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], heeft verklaard dat op 8 december 2012 in Leusden toen hij samen met zijn broer [slachtoffer 1] langs een groepje jongens liep, waaronder waaronder [A] (de rechtbank begrijpt dat hiermee medeverdachte [medeverdachte] wordt bedoeld), een woordenwisseling ontstond waarbij [A] riep “je moet van mijn neef afblijven” en er over en weer geduwd werd. Hij voelde dat iemand met een vuist met kracht tegen zijn rechterwang en oog sloeg. Vervolgens is hij richting het parkeerterrein gelopen naast het café “[naam]”. Toen hij op het parkeerterrein kwam, voelde hij dat achter tegen zijn been werd getrapt waardoor hij op zijn zij op de grond viel. Hij voelde dat hij nog twee of drie trappen kreeg tegen zijn benen en buik toen hij op de grond lag. Bij [slachtoffer 2] zijn scheurwonden aan zijn rechteroog, bovenste ooglid en wang geconstateerd.

Zijn broer [slachtoffer 1] heeft gezien dat dezelfde jongens die hem hadden geschopt en geslagen -in ieder geval verdachte en de onder feit 1 genoemde negroïde jongen (naar de rechtbank begrijpt verdachte) - ook [slachtoffer 2] hebben geschopt en geslagen.

Verbalisant [verbalisant 1] -die op 8 december 2012 samen met zijn collega [verbalisant 2] in een politievoertuig voor café “[naam]”de parkeerplaats aan de Zwarteweg te Leusden opreed- zag vanuit zijn auto dat een groepje van 4 á 5 personen slaande bewegingen naar elkaar maakten en dat een jongen uit het groepje op zijn zij op de grond viel. Hij zag dat een negroïde jongen met kort zwart krulhaar en een donkere jas aan uit het groepje meerdere keren met kracht met zijn voet naar de jongen die op de grond lag trapte. Hij stuurde de politieauto richting de vechtende jongens, stopte op ongeveer 3 meter afstand en zag de negroïde jongen meteen weglopen. Verbalisant [verbalisant 1] is daarop achter de negroïde jongen aangegaan en heeft deze jongen aangehouden. Deze jongen bleek te zijn [verdachte], verdachte. Ook verbalisant [verbalisant 2] zag dat een jongen op de grond lag en dat er meerdere jongens om hem heen stonden. Ze zag dat verdachte en twee andere jongens het slachtoffer meerdere malen met kracht trapten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Op grond van voornoemde bewijsmidden stelt de rechtbank vast dat verdachte deel uitmaakte van een groep waarvan onder andere ook medeverdachte [medeverdachte] deel uitmaakte, dat medeverdachte [medeverdachte] aangever [slachtoffer 1] zo hard in zijn gezicht sloeg dat die op de grond viel en dat verdachte samen met anderen - terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag - diverse malen heeft geschopt tegen zijn lichaam en zijn gezicht. De verklaring van verdachte dat hij niet tegen het lichaam en het gezicht van [slachtoffer 1] heeft geschopt toen deze op de grond lag, acht de rechtbank, gelet op de verklaring van aangever, die wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], niet geloofwaardig. Er wordt geen aanleiding gezien om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de op dat punt gelijkluidende verklaringen te twijfelen.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte met zijn gedragingen (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op zware mishandeling van aangever heeft gehad. Vooropgesteld wordt dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Verder is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat degene die die handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Het samen met anderen schoppen tegen iemands hoofd kan, zeker wanneer er meerdere malen met kracht wordt geschopt, de dood veroorzaken. In het onderhavige geval kan echter niet worden vastgesteld of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever. Uit de aangifte, de getuigenverklaringen en het bij aangever geconstateerde letsel kan niet worden afgeleid dat met zodanige kracht tegen het hoofd van aangever is geschopt dat daardoor een aanmerkelijk kans op de dood ontstond. Van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling als volgt. Verdachte heeft, terwijl aangever op de grond lag, samen met anderen, diverse malen met geschoeide voet geschopt tegen het lichaam en het gezicht van aangever, waar zich met name ter hoogte van de slapen kwetsbare delen bevinden. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Deze geweldshandelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte en in ieder geval medeverdachte [medeverdachte] hebben ieder hun eigen aandeel in het geweld gehad en elkaar van geen enkele handeling weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte], waardoor ieder verantwoordelijk wordt gehouden voor het geheel van de gebeurtenissen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 8 december 2012 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2][slachtoffer 1], zoals onder dit feit primair ten laste gelegd. Verdachte heeft door zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan het geweld tegen die [slachtoffer 2][slachtoffer 1]. Verdachte maakte blijkens de verklaringen van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] onderdeel uit van een groep personen die op [slachtoffer 2][slachtoffer 1] aan het intrappen waren.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1. (primair) op 8 december 2012 te Leusden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen:

- die [slachtoffer 1] heeft gestompt in het gezicht en

- aldus ten val heeft gebracht en

- vervolgens die op de grond liggende en bloedende [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt tegen het (boven)lichaam en in het gezicht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. (primair) op 08 december 2012 te Leusden met anderen, op of aan de openbare weg, de Zwarteweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] welk geweld bestond uit het meermalen:

- duwen van die [slachtoffer 2] en

- met kracht met een tot vuist gebalde hand in/op het gezicht slaan van die [slachtoffer 2] en

- tegen het been en het lichaam schoppen van die [slachtoffer 2] en aldus die [slachtoffer 2] ten val brengen en

- met kracht en met de geschoeide voeten tegen het lichaam schoppen/ trappen van die op de grond liggende [slachtoffer 2].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

1. (primair) medeplegen van poging tot zware mishandeling;

2. (primair) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

7. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ondanks dat de reclassering niet heeft gerapporteerd over verdachte. De officier van justitie heeft tevens de gevangenneming van verdachte gevorderd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar een werkstraf. De verdediging kan instemmen met reclasseringstoezicht.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met anderen [slachtoffer 1] ’s nachts tijdens het uitgaan op straat mishandeld. Hierbij is die [slachtoffer 1] zo hard in zijn gezicht geslagen dat hij op de grond viel en heeft verdachte samen met anderen, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, tegen het gezicht en lichaam van die [slachtoffer 1] geschopt. Het slachtoffer had hieraan zwaar lichamelijk letsel kunnen overhouden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Tevens heeft verdachte zich samen met anderen op dezelfde avond schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 2]. Hierbij is die [slachtoffer 2] zo hard in zijn gezicht is geslagen dat hij op de grond viel. Verdachte is, samen met anderen, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] blijven schoppen toen deze op de grond lag. Door dergelijke gewelddadige feiten en zinloos uitgaansgeweld is de rechtsorde geschokt. Dergelijke feiten brengen in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 februari 2013 waaruit blijkt dat verdachte in Groot- Brittannië - waar hij de afgelopen 10 jaar woonachtig is geweest - meerdere keren is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook een keer voor een geweldsdelict.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

De rechtbank acht – alle omstandigheden in aanmerking genomen – voor wat betreft de bewezen feiten een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Met het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt beoogd te voorkomen dat verdachte nogmaals een strafbaar feit pleegt. Daarnaast wordt begeleiding door de reclassering mogelijk gemaakt, welke begeleiding de rechtbank als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk strafdeel zal opleggen. De rechtbank acht reclasseringstoezicht gelet op het recidivegevaar aangewezen, ondanks dat de reclassering in deze zaak niet heeft gerapporteerd.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van verdachte af. Voorlopige hechtenis is een ultimum remedium en verdachte dient de mogelijkheid te hebben een eventuele behandeling van zijn zaak in hoger beroep, in vrijheid af te wachten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 47, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. (primair) medeplegen van poging tot zware mishandeling;

2. (primair) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar;

De tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de straf kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd (een van) de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

- dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en/ of deelname aan een gedragsinterventie en/of andere voorwaarden het gedrag van verdachte betreffende;

draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- wijst het verzoek tot gevangenneming van verdachte af.

Aldus gedaan te Utrecht op 8 april 2013 door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers.

mr. C.S.K. Fung Fen Chung is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 8 december 2012 te Leusden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1], althans een persoon, van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen):

- die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen in het gezicht en/of tegen het hoofd

en/of

- (aldus) ten val heeft gebracht en/of

- (vervolgens) die (op de grond liggende en/of bloedende) [slachtoffer 1] heeft geschopt

en/of getrapt tegen het (boven)lichaam en/of in het gezicht en/of tegen het

hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 december 2012 te Leusden, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Zwarteweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit het (meermalen)

- (met kracht) met een (tot vuist gebalde) hand in/op het gezicht en/of tegen

het hoofd slaan/stompen van die [slachtoffer 1] en/of (aldus) ten val brengen van die

[slachtoffer 1] en/of

- (vervolgens) (met kracht en/of met geschoeide voet{en}) in het gezicht en/of

tegen het hoofd schoppen en/of trappen van die (op de grond liggende en/of

bloedende) [slachtoffer 1] art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 08 december 2012 te Leusden althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Zwarteweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], althans een persoon,

welk geweld bestond uit het (meermalen)

- duwen van die [slachtoffer 2] en/of

- (met kracht) met een (tot vuist gebalde) hand in/op het gezicht en/of tegen

het hoofd slaan/stompen van die [slachtoffer 2] en/of

- tegen het been en/of het lichaam schoppen van die [slachtoffer 2] en/of (aldus) die

[slachtoffer 2] ten val brengen en/of

- (met kracht en/of met de geschoeide voet{en}) tegen de be(e)n(en) en/of de

buik en/of het lichaam schoppen en/of trappen van die (op de grond liggende)

[slachtoffer 2]; art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 december 2012 te Leusden, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2], althans een persoon, (meermalen)

- heeft geduwd en/of

- in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- tegen het been en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of (aldus)

ten val heeft gebracht en/of

- (vervolgens) die (op de grond liggende) [slachtoffer 2] heeft geschopt en/of getrapt

tegen het/de be(e)n(en) en/of de buik en/of het lichaam waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht