Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6377

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
UTR 13/1658
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar, verzoek afgewezen. Kapvergunning voor 14 bomen ten behoeve van de reconstructie van een kruispunt. Persoonlijk belang bij de te kappen bomen. Toetsingskader is de APV. De bomen vertegenwoordigen geen cultuurhistorische, natuur- en/of landschappelijke waarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/1658

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. D. Schilstra),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Janssen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Utrecht, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de provincie Utrecht (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het kappen van 14 bomen op de kruising Bilthovenseweg/ Utrechtseweg te De Bilt (het perceel).

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde en verkeerskundige M. Corsel.

Namens vergunninghoudster is B.S. van de Puttelaar verschenen.

Overwegingen

1. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder heeft al langere tijd het voornemen om, in overleg en in samenwerking met verschillende partijen als de provincie Utrecht en het Bestuur Regio Utrecht (hierna: BRU) het kruispunt Utrechtseweg, de provinciale weg N237, en de Bilthovenseweg te reconstrueren. De reconstructie voorziet in een nieuwe aansluiting van de wijk Kloosterpark en het KNMI direct op de N237, een vrij liggende busbaan van Zeist naar Utrecht, een fiets- en voetgangersoversteek en verplaatsing van de strook voor rechtsafslaand verkeer. Ten behoeve van de reconstructie zijn er drie besluiten genomen, namelijk een haltebesluit, een besluit tot het al dan niet verlenen van een kapvergunning en een aanlegvergunning voor een versmalling van de Dorpsstraat in verband met beschermd dorps- en stadsgezicht. Op 21 juli 2009 heeft verweerder het haltebesluit genomen voor het realiseren van twee bushaltes op de Bilthovenseweg. Daartegen is, onder andere door verzoekster, bezwaar gemaakt. Het bezwaar is ongegrond verklaard en het haltebesluit is inmiddels onherroepelijk geworden. In 2012 is door vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor de kap van 14 linden aangevraagd en verleend. Hiertegen zijn verschillende bezwaarschriften ingediend. Onder andere gelet op het aanwezige groen en de verkeersveiligheid voor fietsers is de verleende vergunning ingetrokken en is het reconstructieplan aangepast. Vergunninghoudster heeft op 19 december 2012 opnieuw een aanvraag ingediend ten behoeve van het verplaatsen dan wel het kappen van de 14 linden. Bij besluit van 6 februari 2013 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de kap van de bomen verleend, welk besluit hier in geschil is. Aan de omgevingsvergunning zijn een aantal voorschriften verbonden, waaronder de verplichting om 13 linden te herplanten voor het geval deze niet kunnen worden verplaatst. Inmiddels is er ook een aanlegvergunning verleend voor de versmalling van de Dorpsstraat. Hiertegen is door verschillende omwonenden bezwaar gemaakt.

3. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst (ambtshalve) voor de vraag gesteld of verzoekster kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarmee of zij ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarvoor is vereist dat verzoekster een haar persoonlijk aangaand belang heeft dat haar in voldoende mate onderscheidt van anderen. In de regel kan slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont, of vanuit zijn woning daarop zicht heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 januari 2012, LJN: BV0559).

4. In de onderhavige situatie gaat het om het (verplaatsen dan wel het) kappen van 14 bomen, waarvan er 13 direct bij de kruising van de Utrechtsestraat en de Bilthovensestraat staan en één iets verder richting het centrum van De Bilt aan de Dorpsstraat.

Ter zitting is gebleken dat de afstand tussen de bomen bij de kruising en de woning van verzoekster ongeveer 80 tot 100 meter betreft. Gelet op die afstand en gelet op het gegeven dat verzoekster, volgens haar verklaring ter zitting, vanuit de slaapkamer op de eerste verdieping zicht heeft op de bomen, kan verzoekster een persoonlijk belang bij het kappen van de bomen niet op voorhand worden ontzegd. De voorzieningenrechter ziet daarom op dit moment geen belemmering om een inhoudelijk voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening. Nu echter niet duidelijk is wat de precieze afstand tussen de woning van verzoekster en de bomen is en er geen bewijsstukken in het dossier zitten waaruit blijkt dat verzoekster inderdaad zicht heeft op de bomen, dient verweerder hier in de bezwaarprocedure nader onderzoek naar te doen. In dat kader zal verweerder verzoekster de gelegenheid dienen te bieden om, bijvoorbeeld door middel van foto’s, nader te onderbouwen dat er vanuit de woning zicht is op de bomen.

Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder afzonderlijk aandacht dient te besteden aan de vraag of verzoekster een persoonlijk belang heeft bij de kap van de boom die verderop aan de Dorpsstraat staat. De afstand tussen de woning en die boom is in ieder geval groter dan 80-100 meter en daarnaast is het niet duidelijk of verzoekster daar zicht op heeft.

5. Ingevolge artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Op grond van artikel 6:1, eerste en tweede lid, van de Wabo, voor zover van belang, treedt een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder g in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, echter wanneer gedurende die bezwaartermijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de omgevingsvergunning pas in werking wanneer op dat verzoek is beslist.

Op grond van artikel 4:11, eerste lid, onder c, van de Algemene Plaatselijke Verordening De Bilt 2009, zoals die luidt sinds 1 juli 2012 (de APV), is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen voor zover het gemeentelijke bomen betreft. In het vierde lid is bepaald dat de vergunning kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Op grond van het zesde lid kan het bevoegd gezag een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, blijkens de bewoordingen van artikel 4:11, vierde lid, van de APV, een discretionaire bevoegdheid van verweerder is. De aanwending van die bevoegdheid wordt door de voorzieningenrechter terughoudend getoetst. Ter beoordeling is of verweerder na afweging van de in het geding zijnde belangen in redelijkheid het belang van vergunninghoudster bij de kap van de bomen groter heeft kunnen achten dan het belang van handhaving van de bomen. Voorts heeft te gelden dat de opsomming van de weigeringsgronden in artikel 4:11 van de APV limitatief van aard is. Dit betekent dat een vergunning slechts kan worden geweigerd indien zich één of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoet of voordoen en het belang van verlening daar niet tegen opweegt.

7. Verzoekster heeft aangevoerd dat uit artikel 4, onder II, sub 2 onder d van het geldende bestemmingsplan ‘Dorpsstraat e.o. 2005, april 2005’ (hierna: bestemmingsplan) volgt dat het Van Boetzelaerpark gehandhaafd dient te worden door onder meer het behouden en versterken van de in de omringende woongebieden uitlopende groene structuur van het park. De bomen waar het in deze procedure om gaat betreffen volgens verzoekster ‘de uitlopende groene structuur’ van het park en door het kappen van de bomen wordt deze niet behouden en versterkt. Nu door verweerder niet wordt gehandeld in overeenstemming met deze bepaling van het bestemmingsplan levert dat een sterke aantasting op van de natuurwaarde, de landschappelijke waarde, de beeldbepalende waarde en de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. Verweerder had op deze grond tot een andere belangenafweging moeten komen.

8. Door verweerder is naar voren gebracht dat de bomen geen bijzondere waarden als bedoeld in artikel 4:11, vierde lid, van de APV vertegenwoordigen en dat geen van de weigeringsgronden van artikel 4:11, vierde lid, van de APV zich voordoet. De omgeving krijgt door de herinrichting van het kruispunt juist een veel groenere uitstraling dan nu het geval is, aldus verweerder. Uit het overgelegde groenplan blijkt dat de linden in de nabijheid van het kruispunt worden herplant. Verder komt er beplanting bij, er worden zomereiken aan weerszijden van de Utrechtseweg geplaatst en op het kruispunt komen drie rode beuken.

9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011, LJN: BR4883) een aanvraag om een kapvergunning dient te worden getoetst aan het beoordelingskader van de lokale van toepassing zijnde verordening. Dat beoordelingskader staat los van het beoordelingskader voor bijvoorbeeld bouwen, aanleggen of planologische voorschriften van de Wet ruimtelijke ordening of de Wabo. De door verzoekster gestelde strijdigheid met de planologische bepalingen van het bestemmingsplan speelt in het kader van de kaptoestemming dan ook geen rol. Voor zover verzoekster heeft betoogd dat uit deze bepaling van het bestemmingsplan zou moeten volgen dat de betreffende linden zodanige cultuurhistorische, natuur- en/of landschappelijke waarden vertegenwoordigen dat daarmee een of meer weigeringsgronden uit de APV van toepassing is of zijn, waardoor verweerder in redelijkheid de kapvergunning niet had mogen verlenen, slaagt ook dat betoog niet. Immers, het enkele feit dat de te kappen bomen deel zouden uitmaken van de groene structuur maakt de bomen nog niet beschermenswaardig. Of de betreffende linden behoren tot de in de omringende woongebieden uitlopende groene structuur van het park kan bovendien worden betwijfeld, nu de bomen pal naast de provinciale weg de N237 staan en in die zin niet direct in het woongebied liggen. Wat daar echter ook van zij, door het overgelegde groenplan en de toelichting ter zitting is, naar voorlopig oordeel, door verweerder voldoende onderbouwd dat met de groene structuur van het park en de omgeving juist rekening is gehouden door het herplanten van de linden in de directe omgeving van het kruispunt en het uitbreiden van de beplanting, namelijk onder meer door het plaatsen van een markante boomgroep (drie rode beuken) op de kruising. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat de betreffende bomen geen bijzondere waarden vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 4:11, vierde lid, van de APV. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder daardoor in redelijkheid tot de conclusie komen dat het belang van behoud van de bomen niet opweegt tegen het belang van vergunninghoudster bij de (eventuele) kap van de bomen.

10. Verder heeft verzoekster naar voren gebracht dat het nog maar de vraag is of het reconstructieplan an sich wel noodzakelijk is en doel treft. Uit de gemeentelijke vervoersplannen blijkt dat buslijn 58, die als gevolg van de reconstructie van het kruispunt door de Bilthovensestraat gaat rijden, binnen een aantal jaren weer komt te vervallen. Om die reden had op zijn minst aan de omgevingsvergunning de voorwaarde gehecht moeten worden dat deze pas mag worden gebruikt wanneer het reconstructieplan onherroepelijk is.

11. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. In deze procedure is als gezegd uitsluitend aan de orde de vraag of de vergunning om te kappen op grond van het beoordelingskader van de APV in stand kan blijven (zie de uitspraak van de ABRvS van 10 augustus 2011, LJN: BR4883). Binnen dat beoordelingskader is geen ruimte voor de vraag of de reconstructie van het kruispunt wel of niet noodzakelijk is en evenmin is binnen dat kader vereist dat eventuele onderliggende of met de bomenkap verband houdende besluiten onherroepelijk zijn. Daarbij komt dat verzoekster haar stelling omtrent buslijn 58 niet heeft onderbouwd met stukken en deze stelling door verweerder ter zitting uitdrukkelijk en gemotiveerd is betwist, zodat niet is komen vast te staan dat buslijn 58 daadwerkelijk zal vervallen.

Verweerder heeft overigens ter zitting benadrukt dat voor de uitvoering van het reconstructieplan geen verdere besluitvorming noodzakelijk is. Dat er wel bezwaar is gemaakt tegen het (verkeers)besluit tot versmalling van de Dorpsstraat brengt, gelet op het voornoemde toetsingskader, niet mee dat verweerder niet bevoegd was om de kaptoestemming te verlenen, nog daargelaten dat op voorhand niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van relevante verwevenheid tussen dat besluit en de reconstructie van de kruising ten behoeve waarvan de kaptoestemming is gegeven.

12. Door verzoekster is tot slot naar voren gebracht dat het niet duidelijk is waar de vergunning op ziet, nu daaronder zowel het verplaatsen als het kappen van de bomen valt.

Er had eerst nader onderzoek gedaan moeten worden naar de staat van de bomen en de mogelijkheden tot verplaatsing daarvan. Op deze wijze is niet controleerbaar of vergunninghoudster, voordat tot de kap van de bomen wordt overgegaan, zal onderzoeken of het mogelijk is om de bomen te verplaatsen, aldus verzoekster.

13. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het uitgangspunt is dat de linden worden verplaatst. Op voorhand is echter niet met zekerheid te zeggen of het verplaatsen van de linden in alle gevallen mogelijk is, gelet op mogelijke leidingen en kabels in de grond rondom de wortels van de bomen. Voor zover het verplaatsen daardoor niet mogelijk is acht verweerder het kappen van de bomen eveneens acceptabel. In dat geval is vergunninghoudster gehouden om 13 linden in de nabijheid van de gekapte bomen te herplanten.

14. De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van verzoekster dat de omgevingsvergunning onduidelijk is. Verweerder is op grond van het relevante toetsingskader van de APV tot de conclusie gekomen dat het verlenen van de kapvergunning als meest verstrekkende mogelijkheid niet in strijd is met de bepalingen van de APV. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder in redelijkheid tot die conclusie komen. Dat laat onverlet dat het verplaatsen van de bomen uitgangspunt is bij de uitvoering van het herinrichtingsplan. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat vergunninghoudster de bomen zomaar zal kappen als zij –technisch gesproken- ook verplaatst kunnen worden. Daar heeft vergunninghoudster zelf ook geen belang bij, omdat zij in dat geval gehouden is om 13 linden te herplanten. Het betoog slaagt niet.

15. Hetgeen door verzoekster is aangevoerd geeft de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar dan wel in een eventuele bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.