Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6095

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
16-656446-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Zij acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vastgesteld kan weliswaar worden dat verdachte aangeefster willens en wetens bij de keel heeft gepakt en dat hij daarin heeft geknepen, maar niet vastgesteld kan worden dat ten gevolge van die handelingen de aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verder is niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gewild dan wel op de koop toe heeft genomen dat aangeefster als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen, noch dat hij zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen intreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/656446-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 maart 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: heeft geprobeerd aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, onder meer door [slachtoffer] in haar keel te knijpen en door haar hoofd tegen het glas van de voordeur te slaan;

Feit 1 subsidiair: zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld, onder meer door [slachtoffer] in haar keel te knijpen en door haar hoofd tegen het glas van de voordeur te slaan;

Feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door haar een kopstoot te geven en aan haar haren te trekken;

Feit 3: zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld, door op haar buik te slaan en door haar bij haar keel te grijpen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Feit 1:

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 28 oktober 2012 op de grond lag in haar woning in de [adres] te [woonplaats] toen [verdachte] boos op haar af kwam lopen. Vervolgens zat hij boven op haar. Hij pakte haar keel vast en kneep deze dicht. Op een bepaald moment liet [verdachte] weer los, pakte hij haar hoofd met beide handen en sloeg hij haar hoofd een aantal maal tegen de grond. Ze ging vervolgens naar boven, waarna [verdachte] achter haar aan kwam. Hij pakte haar bij haar haren en trok eraan. Hierna sloeg hij haar met een vishengel op haar benen. Hij probeerde haar steeds te slaan met de vishengel. Terwijl zij weer naar beneden liep, bleef [verdachte] aan haar haren trekken. Nadat zij naar buiten was gerend en [verdachte] achter haar aan was gekomen, beukte hij haar hoofd tegen de voordeur.

[slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij over haar hele lichaam letsel had. Zij bloedde overal.

Later heeft zij nog verklaard dat zij ook een beetwond van [verdachte] heeft op haar bovenarm.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zich op 28 oktober 2012 in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] bevond, toen zij ruzie begonnen te maken. Zij zag dat [verdachte] probeerde bovenop [slachtoffer] te springen, die op de grond lag. Toen ze vervolgens naar boven was gelopen, hoorde zij een harde bonk, alsof iemand met zijn hoofd tegen de grond bonkte. Vervolgens zag zij dat [slachtoffer] naar boven was gekomen en dat zij een vishengel in haar handen had. Ondertussen was [verdachte] ook boven gekomen. Ze had de deur dicht gedaan en hoorde daarna meerdere klappen. Zij hoorde dat er met een hengel werd geslagen. Ze hoorde [slachtoffer] daarbij gillen dat [verdachte] niet moest slaan en dat het pijn deed. Vervolgens hoorde zij [verdachte] en [slachtoffer] naar beneden lopen, waarna zij de achterdeur open en dicht hoorde gaan. Enkele minuten daarna hoorde zij een harde klap.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij op 29 oktober 2012 door de [adres] te [woonplaats] fietste, toen ze zag dat een man een vrouw in wurggreep onder haar arm vasthield en dat de man de vrouw met haar hoofd tegen de voordeur sloeg.

[verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 28 oktober 2012 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een vrouw aantrof genaamd [slachtoffer]. Hij zag dat zij een snee had in haar rechter onderarm van circa 6 centimeter, die vermoedelijk is ontstaan door de klap met de vishengel. Op haar bovenarm zag hij een grote bloeduitstorting, waarin hij een mondafdruk herkende. Ook zag hij lichte tandafdrukken in de huid staan. Hij hoorde ten [slachtoffer] zeggen dat zij last had van haar hoofd in de vorm van drukkende hoofdpijn, doordat zij hiermee tegen de voordeur was geslagen.

[verbalisant 2] heeft eveneens verklaard dat hij duidelijk tandafdrukken kon zien op de bovenarm van [slachtoffer]. Verder heeft hij verklaard dat [slachtoffer] hem een grote pluk haar liet zien van dezelfde kleur als haar eigen haar. [slachtoffer] had hierbij verklaard dat [verdachte] haar aan haar haren had getrokken.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op 28 oktober 2012 ruzie heeft gehad met [slachtoffer], dat daarbij klappen zijn gevallen en dat zij daarbij samen tegen de voordeur terecht zijn gekomen.

Feit 2:

[slachtoffer 2] heeft in haar aangifte verklaard dat zij zich op 22 september 2012 in het winkelcentrum City Plaza te [woonplaats] bevond, toen zij zag dat een man voor haar stond, die zij herkende als [verdachte]. Zij voelde dat hij aan haar haren trok en dat dit vreselijke pijn deed. Vervolgens zag zij het hoofd van [verdachte] op haar af komen en zij voelde een harde klap aan de linkerkant van haar voorhoofd. Ze voelde daarbij een stekende pijn in haar hoofd en werd een beetje duizelig. Ze had een flinke bult op haar hoofd.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zich op 22 september 2012 samen met [slachtoffer 2] in het winkelcentrum City Plaza te [woonplaats] bevond. Zij zag dat een man daar aan de haren van [slachtoffer 2] trok. Vervolgens zag zij dat de man aan [slachtoffer 2] een kopstoot gaf. Ze zag dat [slachtoffer 2] vervolgens wit wegtrok en dat zij een bult op haar voorhoofd had.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer 2] op 22 september 2012 een kopstoot heeft gegeven.

Feit 3:

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij in oktober 2012 nog een ruzie heeft gehad met haar vriend [verdachte], waarbij [verdachte] met zijn vuisten begon te rammen op haar buik.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat een paar weken voor het incident op 28 oktober 2012 een ruzie tussen hem en zijn vriendin [slachtoffer] heeft plaatsgevonden waarbij hij [slachtoffer] in haar buik heeft geslagen.

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Voor wat betreft feit 3 acht de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode ook bij de keel heeft vastgepakt. In de mutatie d.d. 15 september 2012 van een ruzie tussen verdachte en [slachtoffer] staat hierover niets vermeld en ook overigens bevindt zich voor dit onderdeel van de tenlastelegging geen steunbewijs in het dossier.

4.3 Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt voor het dichtknijpen door verdachte van de keel van [slachtoffer], voor het op de grond slaan van haar hoofd en voor het slaan met de vishengel. Voor deze handelingen is geen steunbewijs aanwezig in de vorm van letsel, noch zijn deze handelingen gezien door getuige [getuige 1]. Zij bevond zich elders in de woning en heeft slechts geluiden van de ruzie gehoord.

Voor wat betreft het slaan van het hoofd van [slachtoffer] tegen de ruit van de voordeur, kan niet worden vastgesteld dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Door omstanders is gezien dat verdachte [slachtoffer] bij haar hoofd vast had en dat hij haar op die manier mee naar binnen probeerde te krijgen. Aan die handeling is een bepaalde duiding gegeven, die niet overeen hoeft te komen met de werkelijkheid.

Bewezen kan slechts worden dat verdachte [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geslagen. Dit levert geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, zodat verdachte van het primair aan hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen een bewezenverklaring op deze grond van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Voor zover de rechtbank wel komt tot een bewezenverklaring van het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat dit evenmin een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. Daartoe bestaat onvoldoende duidelijkheid over de duur en de intensiteit van het dichtknijpen.

Feit 2:

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover deze mishandeling inhoudt het geven van een kopstoot.

Feit 3:

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bij het slaan in de buik van [slachtoffer] in oktober 2012 heeft gehandeld uit noodweer. [slachtoffer] was zelf begonnen met het plegen van geweld en het slaan van verdachte was een reactie hierop uit zelfverdediging. Hij moet voor dit feit dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Bij de beoordeling van feit 1 gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer]. Zij heeft een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd. Daarbij komt dat zij er erg bang en ontdaan uitzag op het moment dat de verbalisanten haar aantroffen in de woning. Ze fluisterde zelfs dat ze dacht dat verdachte haar zou gaan vermoorden. De rechtbank leidt hieruit af dat het geweld dat verdachte tegen [slachtoffer] heeft uitgeoefend, ernstige vormen moet hebben aangenomen en dat de geweldshandelingen die door [slachtoffer] in haar aangifte zijn genoemd, niet zijn overdreven. Bovendien vindt de verklaring van [slachtoffer] op belangrijke onderdelen steun in ander bewijs. Getuige [getuige 1] heeft allereerst gezien dat verdachte op [slachtoffer] probeerde te springen en dat hij daarbij een woedende blik in zijn ogen had. Zij heeft gezien dat [slachtoffer] vervolgens spartelde met haar benen. Verder heeft zij geluiden gehoord die passen bij het op de grond slaan van een hoofd, zij heeft bevestigd dat tijdens de ruzie tussen verdachte en [slachtoffer] een vishengel is betrokken en zij heeft geluiden gehoord die passen bij het slaan met een dergelijke hengel. Zij hoorde [slachtoffer] daarbij gillen dat verdachte haar geen pijn moest doen. De rechtbank heeft geen reden aan te nemen dat getuige [getuige 1] dergelijke uitspraken zou verzinnen. De verklaring van [slachtoffer] dat zij met haar hoofd tegen de voordeur van de woning is geslagen, vindt bevestiging in de verklaring van getuige [getuige 2]. Ten slotte vindt de verklaring van [slachtoffer] bevestiging in de letsels die door de verbalisanten zijn waargenomen, zoals de snee in haar arm die past bij het slaan met een hengel en de bloeduitstorting met tandafdrukken die past bij de beet. Ten slotte is door een verbalisant gezien dat [slachtoffer] een losse pluk haar toonde, wat past bij het aan de haren trekken.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen tegen de voordeur, maar niet dat hij haar hoofd heeft geslagen tegen het glas van de voordeur. Dit volgt niet uit de verklaring van [slachtoffer] zelf, noch uit die van getuige [getuige 2]. Dat [slachtoffer] glasgerinkel hoorde direct nadat zij met haar hoofd tegen de deur was geslagen en dat getuige [getuige 2] ook heeft verklaard dat zij zag dat de ruit van de voordeur kapot ging, maakt het voorgaande niet anders. De precieze oorzaak van het breken van glas van de voordeur is niet duidelijk geworden. Niet uit te sluiten is dat de ruit is gebroken, doordat op een plek elders op de deur kracht werd uitgeoefend. Bovendien is bij [slachtoffer] geen letsel aangetroffen, dat erop duidt dat zij op een zodanige wijze met haar hoofd tegen het glas is geslagen, dat dit glas is gebroken.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen waarover [slachtoffer] heeft verklaard een mishandeling opleveren in de zin van artikel 300 juncto 304 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vastgesteld kan weliswaar worden dat verdachte aangeefster willens en wetens bij de keel heeft gepakt en dat hij daarin heeft geknepen, maar niet vastgesteld kan worden dat ten gevolge van die handelingen de aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Niet aannemelijk is namelijk geworden dat de intensiteit en de duur van het knijpen door verdachte daartoe toereikend waren. Ten aanzien van het slaan van het hoofd van [slachtoffer] tegen de deur kan eveneens worden vastgesteld dat verdachte dit willens en wetens heeft gedaan, maar ook ten aanzien van deze handelingen kan niet worden vastgesteld dat daarmee de aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit had anders kunnen zijn, indien vastgesteld had kunnen worden dat verdachte het hoofd van [slachtoffer] willens en wetens tegen het glas van de voordeur had geslagen. Verder is niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gewild dan wel op de koop toe heeft genomen dat aangeefster als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen, noch dat hij zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen intreden.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit.

Feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2. Verdachte heeft zelf bekend dat hij [slachtoffer 2] een kopstoot heeft gegeven en getuige [getuige 3] heeft gezien dat verdachte aan haar haren trok. Dit heeft pijn en letsel opgeleverd. Uit het geven van een kopstoot enerzijds en het aan de haren trekken anderzijds, kan het opzet van verdachte op het veroorzaken van pijn en letsel worden afgeleid. Daarmee is sprake van een mishandeling in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat zich onvoldoende steunbewijs in het dossier bevindt voor het vastgrijpen en dichtdrukken van de keel van [slachtoffer] in de periode voorafgaand aan het incident op 28 oktober 2012. Aan de hand van een mutatie in het dossier d.d. 15 september 2012 kan weliswaar worden vastgesteld dat zich die dag tussen verdachte en [slachtoffer] een ruzie heeft voorgedaan, maar nergens blijkt uit welke vorm van geweld daarbij heeft plaatsgevonden. Dat verdachte ergens in oktober 2012 in haar buik heeft geslagen, wordt daarentegen door verdachte zelf bevestigd. Aan de hand van algemene ervaringsregels kan worden vastgesteld dat het slaan in de buik pijn veroorzaakt, zodat dit feit eveneens een mishandeling oplevert in de zin van artikel 300 juncto 304 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde feit.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 28 oktober 2012 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend, zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer]

- terwijl hij, verdachte, bovenop die [slachtoffer] zat die [slachtoffer] bij haar

keel heeft gepakt en in haar keel heeft geknepen, en

- terwijl hij, verdachte, nog steeds bovenop die [slachtoffer] zat meermalen

het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond heeft geslagen, en

- die [slachtoffer] aan haar haren heeft getrokken en aan haar haren een trap

naar beneden heeft af getrokken en,

- die [slachtoffer] met een vishengel tegen haar arm en benen heeft geslagen, en

- die [slachtoffer] in haar arm heeft gebeten, en

- het hoofd van die [slachtoffer] tegen de voordeur heeft geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden;

2.

op 22 september 2012 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] een

kopstoot tegen haar hoofd heeft gegeven en die [slachtoffer 2] aan haar haren heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op meer tijdstippen in de periode van 01 oktober 2012 tot en met 27 oktober 2012 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], heeft geslagen op haar buik, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voor wat betreft het bijten in de arm van [slachtoffer], zoals ten laste gelegd als onderdeel van feit 1, niet duidelijk is vast te stellen op welke wijze dit is gebeurd. Mogelijk heeft verdachte deze beet in de arm van [slachtoffer] gezet op het moment dat hij haar van zich af probeerde te werken, nog voordat verdachte op [slachtoffer] ging zitten. In dat geval is sprake van een noodweersituatie en dient verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Voor wat betreft feit 3 heeft de raadsvrouw eveneens een beroep op noodweer danwel noodweerexces gedaan. Zij heeft aangevoerd dat [slachtoffer] degene is geweest die met het uitoefenen van geweld is begonnen en dat verdachte uit een reactie hierop in haar buik heeft geslagen. De raadsvrouw heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt voornoemd beroep van de raadsvrouw op noodweer voor beide feiten en het beroep op noodweerexces voor feit 3. Niet vastgesteld kan worden dat de gedragingen van verdachte waren geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Allereerst is niet aannemelijk geworden dat de omstandigheden waaronder verdachte [slachtoffer] heeft gebeten van dien aard waren, dat kan worden gezegd dat [slachtoffer] zodanig bedreigend gedrag jegens verdachte heeft vertoond, dat voor verdachte geen andere mogelijkheid voorhanden was op het gedrag van [slachtoffer] te reageren dan door haar te bijten in haar arm. Voor wat betreft het slaan in de buik van [slachtoffer] is evenmin van dergelijke omstandigheden gebleken. Met zijn gedrag heeft verdachte dus niet voldaan een de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, die aan een geslaagd beroep op noodweer worden gesteld. Daarmee wordt tevens het beroep op noodweerexces voor feit 3 verworpen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feiten 1 subsidiair en 3, telkens: mishandeling begaan tegen zijn levensgezel

Feit 2: mishandeling

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond/schulduitsluitingsgrond is gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een pro justitie rapport d.d. 15 januari 2013 van drs. L. Vermeulen, GZ-psycholoog.

Genoemde deskundige komt op grond van zijn onderzoeken met betrekking tot de persoon van de verdachte tot de conclusie dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Daarbij is sprake van partnerproblematiek.

Volgens de deskundige mag worden aangenomen dat dit ten tijde van de ten laste gelegde feiten, voor zover bewezen, ook het geval was. De gedragskeuzes en gedragingen van verdachte zijn daardoor gedeeltelijk beïnvloed.

De aanpassingsstoornis is bij verdachte vanaf zijn 15e jaar aanwezig en heeft met name een verstorend effect op zijn emotieregulatie. Door de jaren heen hebben trauma’s zich opgestapeld, waardoor de problematiek ernstiger is geworden en verdachte niet de kans heeft gekregen adequate copingvaardigheden te ontwikkelen en toe te passen. De relatie met [slachtoffer] heeft spanningen met zich meegebracht die verdachte niet aankon. Hij kwam tegenover haar tot een acting-out van zijn agressie.

In geval van een bewezenverklaring, heeft de deskundige gelet op het voorgaande als advies gegeven verdachte voor wat betreft de feiten die hij jegens [slachtoffer] heeft gepleegd enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Voor wat betreft feit 2 kan dit niet worden onderbouwd, zodat wordt geadviseerd verdachte voor dat feit volledig toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over en volgt dit advies.

Gelet op het voorgaande kunnen de feiten 1 en 3 in enigszins verminderde mate aan verdachte worden toegerekend, zodat hij, zij het in enigszins verminderde mate, strafbaar is voor zijn daden.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, inhoudende een meldplicht en een behandelverplichting, een en ander met dadelijke uitvoerbaarheid. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van het voorarrest.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een lagere straf dient te worden opgelegd. De verdediging gaat er allereerst vanuit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van zware mishandeling zal komen, zodat alleen al op die grond een lagere straf is gerechtvaardigd. Verder dient rekening te worden gehouden met het advies van de gedragsdeskundige om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, met het feit dat hij op vrijwillige basis direct hulp heeft gezocht naar aanleiding van de onderhavige feiten, alsmede gelet op het feit dat het recidiverisico van verdachte door de reclassering laag wordt ingeschat.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vriendin [slachtoffer]. Het betreffen mishandelingen in de huiselijke sfeer. Juist omdat een ieder zich veilig zou moeten kunnen voelen in de eigen omgeving, betreffen het ernstige feiten. Daarnaast bestaat de ernst hieruit dat verdachte achter elkaar door is gegaan met het plegen van verschillende gewelddadige handelingen. Hij heeft zijn gedrag niet gestopt en is niet tot het inzicht gekomen dat hij fout bezig was. Hij heeft hiermee bij [slachtoffer] een grote angst teweeg gebracht. Het hele gebeuren heeft haar zodanig geraakt dat ze zelfs bang was dat verdachte haar zou gaan vermoorden. Bovendien heeft verdachte zich niet laten weerhouden door de aanwezigheid van de kinderen in de woning, die in ieder geval het geluid van de heftige ruzie hebben meegekregen. Daarna heeft de ruzie zich naar buiten verplaatst en hebben niets vermoedende omstanders het geweld tussen verdachte en [slachtoffer] eveneens ongewild moeten aanschouwen. Hij heeft deze omstanders geconfronteerd met nare indrukken, die zij met zich mee zullen moeten dragen.

Ook het gewelddadige gedrag jegens [slachtoffer 2] heeft verdachte in een winkelcentrum te midden van vele omstanders, waaronder kinderen, gepleegd. Hij heeft hierbij op disproportionele wijze gereageerd op een klein incident en heeft zijn agressie de vrije loop gelaten.

Tegenover de ernst van het handelen van verdachte zoals hiervoor omschreven, staat dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door zelfstandig op zoek te gaan naar hulp, om te leren beter met zijn agressie om te gaan. Verdachte heeft in de voorbije jaren een aantal traumatische ervaringen opgedaan, die ertoe hebben geleid dat hij moeite heeft zijn emoties en daarmee zijn agressie te reguleren. De rechtbank houdt daarom rekening bij haar strafoplegging met het feit dat verdachte, conform het advies van de psycholoog Vermeulen, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is voor zijn daden, voor zover het de feiten jegens [slachtoffer] betreft.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de justitiële documentatie van verdachte d.d. 14 december 2012, waarin is te zien dat de contacten van verdachte met politie en justitie tot op heden beperkt zijn gebleven. De rechtbank houdt voorts rekening met het advies van de reclassering d.d. 28 januari 2013. De reclassering is ook tot de conclusie gekomen dat het recidiverisico laag gemiddeld is. Hieraan draagt bij dat hij zich goed aan afspraken met de reclassering houdt en hij open staat en gemotiveerd is voor behandeling.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is voor de duur van drie maanden. Ondanks dat verdachte zelf reeds hulp heeft gezocht en hij de indruk heeft gewekt daarvoor gemotiveerd te zijn, acht de rechtbank het van belang aan de voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact te verbinden, waarbinnen de behandeling bij De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling in een verplicht kader kan worden gegoten. Ook in mindere tijden bestaat daarmee een waarborg dat verdachte de behandeling zal continueren, hetgeen de kans op recidive aanzienlijk vermindert. De rechtbank zal voornoemde bijzondere voorwaarde opleggen met dadelijke uitvoerbaarheid, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een voorwaardelijke straf kan worden volstaan, maar dat een onvoorwaardelijke werkstraf passend is.

De op te leggen straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank tot een andere, lichtere bewezenverklaring is gekomen van feit 1.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feiten 1 subsidiair en 3, telkens: mishandeling begaan tegen zijn levensgezel

Feit 2: mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde

- zich binnen zeven (7) dagen volgend op de uitspraak, meldt bij de Reclassering Nederland unit Utrecht, gevestigd aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht, teneinde zich daar onder behandeling te stellen,

- zich laat behandelen bij De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. A. van Maanen en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 maart 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te [woonplaats], althans in het

arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet

- (terwijl hij, verdachte, boven op die [slachtoffer] zat), die [slachtoffer] bij haar

keel heeft gepakt/vastgehouden en/of in haar keel heeft geknepen en/of haar

keel dichtgeknepen heeft gehouden en/of

- (terwijl hij, verdachte, nog steeds bovenop die [slachtoffer] zat) (meermalen)

het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond geslagen en/of

- die [slachtoffer] in haar arm gebeten en/of

- die [slachtoffer] aan haar haren getrokken en/of aan haar haren een trap naar

beneden heeft af getrokken en/of

- die [slachtoffer] met een vishengel tegen haar arm(en) en/of be(e)n(en) en/of

(elders) tegen haar lichaam heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] in haar arm heeft gebeten en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] tegen het glas van de voordeur geslagen, waardoor

dat glas brak,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 oktober 2012 te [woonplaats], althans in het

arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend, zijn levensgezel, althans

een persoon, genaamd [slachtoffer]

- (terwijl hij, verdachte, bovenop die [slachtoffer] zat) die [slachtoffer] bij haar

keel heeft gepakt/vastgehouden en/of in haar keel heeft geknepen en/of de keel

van die [slachtoffer] dichtgeknepen heeft gehouden, en/of

- (terwijl hij, verdachte, nog steeds bovenop die [slachtoffer] zat) (meermalen)

het hoofd van die [slachtoffer] tegen de grond heeft geslagen, en/of

- die [slachtoffer] in haar arm gebeten en/of

- die [slachtoffer] aan haar haren heeft getrokken en/of aan haar haren een trap

naar beneden heeft af getrokken en/of,

- die [slachtoffer] met een vishengel tegen haar arm(en) en/of be(e)n(en) en/of

elders tegen haar lichaam, heeft geslagen, en/of

- die [slachtoffer] in haar arm heeft gebeten, en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] tegen het glas van de voordeur heeft geslagen,

waardoor dat glas brak,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft

ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 22 september 2012 te [woonplaats], althans in het

arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] een

(zogenaamde) kopstoot tegen haar hoofd/gezicht heeft gegeven en/of die [slachtoffer 2]

aan haar haren heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft

bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september

2012 tot en met 27 oktober 2012 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend zijn

levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], geslagen op haar

buik, althans haar lichaam en/of haar keel vastgegrepen en/of geknepen in haar

keel, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.