Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ5844

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2013
Datum publicatie
28-03-2013
Zaaknummer
16-514073-10; 16-654871-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake de Leerplichtwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/514073-10; 16/654871-12

Vonnis van 28 maart 2013 van de kantonrechter in bovengenoemde rechtbank op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 november 2012 waarbij verdachte en de raadsvrouwe mr. M.E. Rosing, gehoord zijn en van 14 maart 2013, waarbij de repliek van de officier van justitie en de dupliek van de verdediging zijn overgelegd.

1. De voorvragen

De verdediging heeft de vraag opgeworpen of het vervolgen (en meermalen oproepen ter terechtzitting) van de verdachte, terwijl in de bestuursrechtelijke procedure niet onherroepelijk is beslist, strookt met de beginselen van behoorlijk procesrecht.

Voor zover bedoeld is een beroep te doen op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, verwerpt de kantonrechter dit: Geen rechtsregel of beginsel verzet zich ertegen dat het Openbaar Ministerie haar standpunt dat sprake is van strafbare overtreding van een wettelijke regel ter toetsing aan de (kanton)rechter in strafzaken voorlegt. Dat sprake is van een juridisch vraagstuk dat (ook) door de bestuursrechtelijke rechter kan worden beslist leidt niet tot een ander oordeel.

Ook overigens is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Voorts is de dagvaarding geldig en is de rechtbank bevoegd tot kennisneming van de zaak. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

2. De tenlastelegging

De tenlasteleggingen, waarvan de eerste op de terechtzitting van 29 november 2012 is gewijzigd houden in dat verdachte:

16/514073-10

in de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam], geboren op [2001], althans terwijl hij zich met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school,als bedoeld in art. 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de leerplichtwet 1969, was ingeschreven

en

16/654871-12

in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 20 november 2012 te Amersfoort, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam], geboren op [2001], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, als bedoeld in art. 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de leerplichtwet 1969, was ingeschreven;

3. De relevante wetgeving

Artikel 1.b. onder 3 Leerplichtwet (hierna: Lpw)1969 luidt:

“een andere dagschool die wat de inrichting van het onderwijs betreft, overeenkomt met de criteria, bedoeld in artikel 1a1, en wat de bevoegdheden van de leraren betreft, overeenkomt met een of meer van de onder 1 bedoelde scholen”

Artikel 1a1 Lpw 1969 beschrijft in lid 1 de eisen waaraan zo’n school moet voldoen:

Artikel 1a1. Scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3

1. Onverminderd titel I van de Wet op het primair onderwijs en titel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, moet een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3,

a. wat de inrichting van het basisonderwijs betreft, voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 8, eerste, tweede, derde, vierde, zevende lid onderdeel a, achtste en negende lid, 9 en 10, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs, en tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 8, derde lid, van genoemde wet;

b. wat de inrichting van het voortgezet onderwijs betreft, voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 6a en 23a, eerste volzin van de Wet op het voortgezet onderwijs, en tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 17 van genoemde wet en besteedt het onderwijs binnen de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs aantoonbaar aandacht aan de kerndoelen, bedoeld in artikel 11b van genoemde wet, en aansluitend aan de kerndoelen als onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, stelt het onderwijs de leerlingen aantoonbaar in staat om hun onderwijsloopbaan voort te zetten in het vervolgonderwijs op een niveau dat van de leerling verwacht mag worden

in de leden 2 en 3 hoe wordt vastgesteld of sprake is van een school bedoeld in artikel 1.b.3. Lpw 1969

2. Burgemeester en wethouders volgen bij hun oordeel of een onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, een door de inspectie van het onderwijs ter zake gegeven advies.

3. Indien Onze Minister naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht, aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gevestigd adviseert dat de school niet langer voldoet aan de criteria die gelden voor een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, dan volgen burgemeester en wethouders dit advies en oordeelt dat de school niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3

4. De bewezenverklaring

4.1. Vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

4.1.1. Verdachte is de vader van [naam] en heeft over haar het gezag.

[naam], is geboren op [2001]. De leerplicht dan wel kwalificatieplicht eindigdt dus op 1 mei 2019. Zij bezocht (ook) in de periode 1 februari 2010 tot en met 8 mei 2010 en in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 20 november 2012 De Kampanje te Amersfoort, een particuliere, niet door de overheid bekostigde instelling voor primair en voortgezet onderwijs.

4.1.2. De Kampanje is opgericht in 2007, naar het concept van de Sudbury Valley School.

Dat concept houdt, zeer kort gezegd, in dat ieder kind het vermogen bezit zelf te kiezen wat het beste is voor zijn of haar ontwikkeling; de school moet het kind dus vrijheid en verantwoordelijkheid bieden, ook de verantwoordelijkheid om het eigen curriculum samen te stellen.

4.1.3. Op 03 november 2008 vond een onderzoek door de Inspectie voor het onderwijs plaats (hierna: de Inspectie).

Een rapport van de Inspectie van 18 februari 2009 houdt, kort gezegd, in dat de school niet voldoet aan de criteria van artikel 1.b.3 Lpw 1969.

Op 19 juni 2009 vindt een nieuw onderzoek door de Inspectie plaats, resulterend in rapporten van 25 november 2009. De conclusie is, kort gezegd, dat De Kampanje nog steeds niet voldoet aan de criteria van artikel 1.b.3. Lpw 1969: De Kampanje zou niet voldoen aan de criteria van artikel 1a1 Lpw 1969 en de bevoegdheden van de leraren komen niet overeen met die van leraren van bekostigde scholen voor voortgezet onderwijs.

Op 11 december 2009: volgt een bindend advies van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de staatssecretaris) aan het college van Burgemeester en Wethouders van Amersfoort: De Kampanje is geen school als bedoeld in de Lpw 1969.

Op basis van het bindend advies van de Minister worden de ouders van de leerplichtige kinderen die De Kampanje zoeken aangeschreven per 1 februari 2010 hun kinderen op een andere school in te schrijven. De ouders wilden echter eerst de bestuursrechtelijke beslissing afwachten.

Op 2 juli 2010 is het bezwaar van De Kampanje en ouders tegen dit bindend advies ongegrond verklaard door de Minister

Op 21 september 2011 is het beroep tegen deze ongegrondverklaring van bezwaar ongegrond verklaard door de Rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht (LJN BT2893).

Deze zaak, die aanvankelijk was aangebracht op de terechtzitting van van de kantonrechter van 1 november 2011, is aangehouden om de uitslag van de bestuursrechtelijke procedure af te wachten.

Bij uitspraak van 15 augustus 2012 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN BX4695) de uitspraak van de Rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht, bevestigd.

4.2. Kernvraag in deze zaak is of De Kampanje is aan te merken als een school in de zin van artikel 1.b. onder 3 Lpw 1969.

4.3. Volgens het Openbaar Ministerie is De Kampanje niet aan te merken als school in deze zin. De officier van justitie stelt dat de inspectierapporten betreffende De Kampanje voldoen als bewijsmiddel en betoogt onder verwijzing naar de relevante artikelen van de Wet op het primair onderwijs(hierna: Wpo) en de Wet op het voortgezet onderwijs(hierna: Wvo) dat De Kampanje - daargelaten de Toezichtkaders - niet aan de wettelijke verplichtingen voldoet en dus geen school is in bedoelde zin.

Dat De Kampanje na 11 december 2009 wel zodanige school was is niet gebleken of onvoldoende onderbouwd. Er was geen verplichting voor de Inspectie de school jaarlijks te bezoeken omdat deze niet kon worden aangemerkt als school in de zin van de Lpw1969.

4.4. Het standpunt van de Kampanje is, kort gezegd, dat de kantonrechter niet gebonden is aan de uitspraak van de bestuursrechter en/of de rapporten van de Inspectie en/of het advies van de Minister. Die leveren onvoldoende bewijs in strafrechtelijke zin dat de Kampanje niet een school in de zin van de Lpw 1969 is, zodat vrijspraak moet volgen.

Er is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in HR 24 september 2003, NJ 2003, 80 die meebrengen dat de kantonrechter moet afwijken van de formele rechtskracht van de einduitspraak in de bestuursrechtelijke procedure.

4.4.1. De kantonrechter moet ten eerste afwijken omdat die bestuursrechtelijke einduitspraak nog niet gegeven was in de tenlastegelegde periode.

4.4.2. De kantonrechter is ook niet gebonden aan de bestuursrechtelijke einduitspraak omdat bepaalde verweren in die procedure niet aan de orde konden komen. Die beperking klemt eens te meer nu sprake is van een essentieel mensenrecht: de vrijheid van onderwijs.

Het gaat om het volgende:

a. De Inspectie constateert dat het merendeel van de onderzoeksvragen uit de Toezichtkaders, beleidsregels gebaseerd op de Wet op het onderwijskundig toezicht (hierna: Wot) negatief moet worden beantwoord, maar: die gaan verder dan de inrichtingscriteria van de Lpw 1969.

Dit is aangevoerd in de bestuursrechtelijke procedure, maar de Toezichtkaders konden niet aan het oordeel van de bestuursrechter worden onderworpen, omdat het beleidsregels zijn. De bestuursrechter heeft niet gekeken of de Kampanje voldoet aan inrichtingscriteria van de Lpw 1969, maar of zij voldoet aan de Toezichtkaders

b. De conclusies uit de Inspectierapporten voldoen niet aan de strafrechtelijke bewijsregels: de Inspectie “kan niet vaststellen”, “beschikt niet over info,… stelt vast dat school niet kan aantonen…” . De Inspectie neemt aan dat bepaalde vragen negatief beantwoord moeten worden omdat zij dingen niet heeft waargenomen of niet heeft kunnen vaststellen.

De Kampanje heeft bij de Raad van State echter haar schoolplan overgelegd en een oprichtingsovereenkomst voor een lerarenpoule. De Raad van State heeft die niet bij de beoordeling betrokken, omdat deze poule is van na bestreden besluit van 2 juli 2010.

Voor strafrechtelijk bewijs is het niet kunnen vaststellen onvoldoende.

c. In de bestuursrechtelijke procedure moeten scholen en ouders aantonen dat aan bepaalde eisen wordt voldaan; er is in wezen sprake van omkering van de bewijslast; in verband met de nauwe relatie tussen strafrechtelijke vervolging en de bestuursrechtelijke uitkomst is dat in strijd met art. 6 EVRM.

d. De rapporten van de Inspectie zien op onderzoek van 19 juni 2009. De tenlastegelegde periode loopt vanaf 01 februari 2010. Toen was De Kampanje inmiddels (mogelijk) wel een school in de zin van de Lpw 1969 omdat zij beschikte over een schoolplan en (een poule van) bevoegde leraren. De Inspectie is na juni 2009 nooit meer komen kijken (in strijd met Wot die jaarlijkse controle voorschrijft.). Uit de wet volgt niet dat inspectie de school niet meer hoeft te bezoeken als bij een onderzoek het oordeel is dat de school niet aan de eisen voldoet.

In dit verband wordt ook verwezen naar overgelegde rapporten van (buitenlandse) deskundigen, die van oordeel zijn dat sprake is van onderwijs en voorbereiding op vervolgonderwijs of het arbeidsproces.

4.4.3. Tenslotte voert verdachte aan dat sprake is van kinderen die zelf hebben gekozen voor deze vorm van onderwijs en die gelukkig zijn met die keuze.

Het onderwijs aan De Kampanje was een goede voorbereiding voor degenen die hun leertijd hebben afgerond, het stemt overeen met de filosofische en morele overtuiging van de ouders.

Het voorafgaande bekostigde onderwijs had een negatieve impact op leren en welzijn van deze (en andere) kinderen.

Het recht op onderwijs is een fundamenteel recht. Weliswaar is toezicht van de Staat toegelaten, maar de Inspectie en de Minister baseren zich niet op wettelijke bepalingen, maar op de Toezichtkaders.

4.5. De kantonrechter oordeelt als volgt:

4.5.1.Hetgeen is aangevoerd, weergegeven hiervoor onder 4.4.1 kan niet slagen, waar bij de kantonrechter verwijst naar wat hiervoor is overwogen onder 1.

4.5.2. Het door de Raad van State gegeven oordeel in de bestuursrechtelijke procedure betreft in wezen dezelfde vraag die de kantonrechter moet beoordelen. De kantonrechter is in beginsel aan deze beslissing gebonden. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken (Hoge Raad, 24 september 2002, LJN AE2126, NJ 2003, 80).

Hetgeen door de verdediging wordt aangevoerd kan niet als zodanige bijzondere omstandigheid gelden op grond van het volgende.

ad a.

De Raad van State heeft dit bezwaar van De Kampanje uitdrukkelijk in zijn overwegingen betrokken en geoordeeld (r.o. 2.7.1) dat de minister zijn standpunt dat De Kampanje niet voldoet aan de eisen van de Lpw 1969 uitsluitend heeft gebaseerd op de vereisten van die wet, immers heeft gebaseerd op de met sterretjes gemarkeerde vragen en onderdelen in de Toezichtkaders; daarmee zijn de op de Lpw 1969 gebaseerde criteria gemarkeerd.

ad b. en c.

De Inspectie, die een instelling onderzoekt die zich presenteert als school in de zin van artikel 1.b. onder 3 Lpw 1969, toetst of de instelling bepaalde kenmerken heeft waaraan een school volgens de Lpw 1969 moet voldoen. Als die kenmerken niet kunnen worden vastgesteld kan dat negatief geformuleerd worden, de Inspectie behoeft niet te melden wat de wel aanwezige kenmerken van die school zijn.

De kantonrechter kan op grond van een dergelijk, negatief geformuleerd rapport van de Inspectie bewezen achten dat geen sprake is van een school in de zin van artikel 1.b. onder 3 Lpw 1969.

Dat betekent niet dat sprake is van een omkering van de bewijslast: de verdachte behoeft immers niet te bewijzen dat de school wel een school in de zin van artikel 1.b. onder 3 Lpw 1969 is, reeds het zaaien van enige twijfel aan het Inspectierapport is voldoende om vrijspraak te bewerkstelligen.

In dit geval is zodanige twijfel niet gezaaid met hetgeen gesteld wordt over schoolplan en lerarenpoule. Niet alleen heeft de Raad van State, anders dan De Kampanje stelt de oprichtingsovereenkomst met betrekking tot de docentenpoule meegewogen, ook het gebruik daarvan is in dat oordeel betrokken (r.o. 2.8.1).

Ten aanzien van het schoolplan heeft de Raad van State overwogen dat dit noch in bezwaar, noch in beroep is overgelegd en dat daarom de enkele stelling van De Kampanje dat zij wel over een schoolplan beschikt onvoldoende is (r.o. 2.9).

De Kampanje heeft thans in de strafzaak, in noot 7 van de dupliek aangegeven dat het schoolplan omvangrijk is maar desverzocht kan worden overgelegd.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om alsnog overlegging van een dergelijk stuk te verzoeken en dit vervolgens te laten toetsen door een deskundige, op grond van hetgeen hierna ad d. is overwogen.

Ad d.

Moet nader onderzoek worden gelast om te beoordelen of De Kampanje thans voldoet dan wel na december 2009 is gaan voldoen, aan de eisen voor een niet-bekostigde school in de zin van de Lpw 1969?

De kantonrechter acht dit niet noodzakelijk op grond van het volgende.

De vrijheid van onderwijs wordt beperkt – en mag worden beperkt - door onderwijswetgeving. Zowel in artikel 1a1.1.b Lpw 1969 als in artikel 9 lid 6 Wpo en artikel 11b Wvo spreekt de wetgever over kerndoelen van het (basis- respectievelijk voortgezet) onderwijs.

De kantonrechter begrijpt uit hetgeen door de heer [betrokkene], mede namens verdachte is verklaard ter zitting:

Als u mij voorhoudt dat de vrijheid van onderwijs (ook) haar begrenzing vindt in de minimumeisen die de overheid mag stellen zeg ik:

Als ouder wil ik natuurlijk dat mijn kind goed wordt opgeleid en alles leert. De vraag is wat de meest effectieve manier is waarop een kind leert. De kerndoelen stellen een aanbodverplichting voor; een leerverplichting. …. De vraag is: wat is vrijheid? Keuze uit een volgorde van lessen is geen vrijheid. Een geconditioneerde keuze is geen keuze. Keuze is ook de vrijheid te kiezen wat je kiest.

en uit de door de verdediging overgelegde stukken, waaruit blijkt dat juist het formuleren van leerdoelen door een ander dan het lerende kind zelf in strijd is met het wezen van deze school.

Reeds op deze grond moet worden aangenomen dat De Kampanje niet aan de eisen, te stellen aan een niet-bekostigde school bedoeld in artikel 1.b. onder 3 Lpw 1969 voldoet.

De kantonrechter overweegt ten overvloede dat zij de verwijzing naar de filosofische en morele overtuiging van de ouders, mede gelet op de hiervoor weergegeven verklaring ter zitting, niet begrijpt als verwijzing naar bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5 onder b Lpw 1969, omdat geen sprake is van bezwaren tegen de levensbeschouwing van andere scholen, maar tegen de inrichting, tegen de manier waarop geleerd wordt.

De kantonrechter acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte

16/514073-10

in de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam], geboren op [2001], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school,als bedoeld in art. 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de Leerplichtwet 1969, was ingeschreven

en

16/654871-12

in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 20 november 2012 te Amersfoort, meermalen, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam], geboren op [2001], (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, als bedoeld in art. 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de Leerplichtwet 1969, was ingeschreven;

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichting niet nakomen, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een geldboete van € 500,-- /10 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor de eerste zaak en een geldboete van € 250,--/5 dagen voor de nieuwe zaak.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte is niet eerder veroordeeld.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De Lpw1969 biedt het wettelijke kader biedt om te garanderen dat kinderen onderwijs genieten. Deze wet stelt minimumeisen wat betreft de aangeboden stof en de inrichting van het onderwijs. Als de verantwoordelijke ouder het kind niet inschrijft op een school die aan die wettelijke kwaliteitseisen eisen voldoet is strafrechtelijke reactie op zijn plaats.

De kantonrechter neemt aan dat de verdachte het beste met zijn kind Evy voorhad, dat Evy op eerdere scholen die zij bezocht ongelukkig was en dat zij op De Kampanje opbloeide.

Toch zullen scholen (en ouders), zolang in de wetgeving ter zake geen uitzonderingen zijn opgenomen, zich moeten schikken naar de (minimum) eisen van die wetgeving.

In leerplichtzaken is de voor de hand liggende straf een geldboete bij de eerste overtreding.

De kantonrechter ziet geen aanleiding af te wijken van de door de officier gevorderde straf, mede gelet op het feit dat hier sprake is van een drietal principiële zaken.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 28 van de Leerplichtwet 1969.

DE BESLISSING

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

16/514073-10;

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,-- (vijfhonderd euro), bij niet betaling te vervangen door hechtenis van 10 dagen,

beveelt dat deze straf een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast,

stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

16/654871-12

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,-- (tweehonderdenvijftig euro), bij niet betaling te vervangen door hechtenis van 5 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, bijgestaan door mr. M. van Reenen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van 28 maart 2013.

PROCES-VERBAAL van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 maart 2013,

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

wonende te [woonplaats], [adres].

Aanwezig:

mr. , kantonrechter

mr. , officier van justitie

en als griffier

De rechter doet de zaak uitroepen.

In de zaal van de terechtzitting zijn verder aanwezig:

0 de verdachte

0 de raadsman/vrouwe van verdachte mr.

0 een tolk in de taal, genaamd

die in handen van de kantonrechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte aflegt zijn/haar taak als tolk naar zijn/haar geweten te zullen vervullen. Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door voornoemde tolk vertolkt.

0 De kantonrechter spreekt het vonnis uit.

0 De kantonrechter spreekt het vonnis uit en geeft verdachte kennis, dat hij/zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de kantonrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.