Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ2088

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2013
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
16/653330-12.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 14-jarige jongen uit Amersfoort is door de rechtbank in Utrecht veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 105 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uur. De rechtbank achtte de jongen schuldig aan zes aanrandingen in Amersfoort in mei en juni 2012.

De jongen fietste telkens langzaam langs fietsende of lopende vrouwen en kneep of betastte hun borsten in het voorbijgaan. De jongen heeft de aanrandingen deels bekend. Op het T-shirt van één van de slachtoffers werd daarnaast celmateriaal aangetroffen, dat waarschijnlijk van de verdachte afkomstig is.

Uit onderzoek dat naar zijn persoon is gedaan komt het beeld naar voren van een zwakbegaafde jongen met een onrijpe sociaal-emotionele, seksuele en morele ontwikkeling. Hij zei tegen de jeugdreclassering geen idee te hebben wat zijn daden voor de slachtoffers kunnen betekenen.

De rechtbank legde als bijzondere voorwaarde verplichte begeleiding door de jeugdreclassering aan de jongen op. Dit kan betekenen dat hij een behandeling moet volgen.

Vrijspraak

De jongen werd ook verdacht van een poging tot verkrachting en drie andere aanrandingen. Wegens gebrek aan bewijs werd hij hiervan vrijgesproken. Ondanks deze vrijspraken volgde de rechtbank de eis van de officier van justitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/653330-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 februari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1998] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats].

De verdachte is bijgestaan door mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2012 en 29 januari 2013.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10: in de periode van 20 mei 2012 tot en met 17 juni 2012 negen vrouwen heeft aangerand.

Feit 6: primair heeft getracht op 29 mei 2012 een vrouw te verkrachten. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als aanranding.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat negen aanrandingen en een poging tot verkrachting wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie verwijst hiertoe naar de overeenkomsten in de aangiften van de slachtoffers met betrekking tot het signalement van verdachte en de door de slachtoffers beschreven modus operandi. Verdachte fietste is veel gevallen langs het slachtoffer en betastte dan met zijn rechterhand de linkerborst van het slachtoffer. Vervolgens fietste verdachte, in veel gevallen zonder verder iets te zeggen, door. Alle ten laste gelegde feiten hebben binnen het tijdsbestek van één maand plaatsgevonden. Daarnaast is er een DNA-mengprofiel van verdachte aangetroffen op het shirt van één van de slachtoffers en is hij op 17 juni 2012 op heterdaad aangehouden. Verdachte heeft deze aanranding op 17 juni 2012 ook bekend.

Verder verwijst de officier van justitie naar de door verdachte bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen. Verdachte heeft daar geheel uit zichzelf verklaard dat hij denkt dat het ongeveer vijf à zes keer is gebeurd. Dat verdachte zich nu beroept op zijn zwijgrecht, doet aan de inhoud van deze verklaringen niet af.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van de onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde acht aanrandingen en één poging tot verkrachting, subsidiair ten laste gelegd als aanranding, dient te worden vrijgesproken. Per ten laste gelegd feit merkt de raadman op dat het door de slachtoffers gegeven signalement van de dader niet overeenkomt met de persoon van verdachte, waardoor verdachte niet de dader kan zijn van hetgeen hem wordt ten verweten. De daderomschrijvingen en de beschrijving van de gebruikte fietsen lopen te ver uiteen om te kunnen concluderen dat al deze aanrandingen door een en dezelfde dader zijn gepleegd.

Met betrekking tot de door verdachte afgelegde verklaringen merkt de raadsman op dat er veel druk op verdachte is uitgeoefend en dat de rechercheurs verdachte voedden met informatie. Na deze verhoren is verdachte op deze verklaringen teruggekomen en hij heeft ter zitting verklaard de eerdere verklaringen uit schaamte voor zijn familie te hebben verzonnen.

Met betrekking tot de onder 10 ten laste gelegde aanranding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

Bewijsbeslissing ten aanzien van het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in het einddossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie - de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde aanrandingen en de onder 6 primair ten laste gelegde poging tot verkrachting, subsidiair aanranding, niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de aangeefster [Aangeefster 1] (feit 2) heeft verklaard dat zij op 29 mei 2012 heeft gezien en gehoord dat de dader aan het bellen was.2 Verdachte heeft verklaard dat hij geen mobiele telefoon heeft.3 De moeder van verdachte heeft dit bevestigd en verklaard dat zij verdachte eenmaal haar telefoon had meegegeven. Dat was op 17 juni 2012.4 Uit analyse van de telefoon van de moeder van verdachte is gebleken dat niet kon worden vastgesteld dat deze mobiele telefoon zich op de datum van deze aanranding op 29 mei 2012, in de omgeving van het plaats delict bevond.5 Voor de veronderstelling dat verdachte die datum wel de beschikking heeft gehad over een mobiele telefoon biedt het dossier geen aanknopingspunten.

Gelet op het gegeven dat aangeefster zeker weet dat de dader van deze aanranding aan het bellen was en gelet op het gegeven dat een mobiele telefoon niet bij verdachte geplaatst kan worden, kan niet met zekerheid worden gesteld dat verdachte de dader is geweest van deze aanranding. Verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de aangifte van aanranding op 29 mei 2012 door [Aangeefster 2] (feit 4) stelt de rechtbank vast dat deze aangeefster heeft verklaard dat de dader op een zwarte fiets reed, waar voorop een kratje geplaatst kon worden.6 Naar het oordeel van de rechtbank is dit een zeer opvallend detail, dat echter op geen enkele wijze averdachte gelinkt kan worden en waarvan de andere aangeefsters ook geen melding maken. Hierdoor kan ook in dit geval niet zonder enige twijfel worden vastgesteld dat verdachte de dader van deze aanranding is geweest. Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de aangifte van [Aangeefster 3] (feit 5) stelt de rechtbank vast dat deze aangeefster heeft verklaard dat de dader geen bril droeg en dat hij, voor zover zij zich herinnert, blote armen had.7

De rechtbank stelt vast dat de bril van verdachte een opvallend kenmerk is, dat in alle overige aangiftes genoemd wordt. Het is daarom opmerkelijk dat deze aangeefster verklaart dat de dader geen bril op had. Daarnaast is opvallend dat de andere vier aangiftes van 29 mei 2012 geen melding maken van een dader met blote armen. Gelet hierop is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om verdachte als dader van deze aanranding aan te wijzen. De rechtbank zal verdachte

2 Pag. 84-90 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 1] d.d. 6 juni 2012)

3 Pag. 40 (proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 juni 2012)

4 Pag. 177 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] 10 juli 2012)

5 Pag. 228-233 (overzicht telefoongegevens)

6 Pag. 99-105 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 2] d.d. 27 juni 2012)

7 Pag. 107-112 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 3] d.d. 8 juni 2012)

hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van de poging tot verkrachting, subsidiair aanranding, zoals ten laste gelegd onder feit 6 is de rechtbank van oordeel dat de door deze aangeefster gegeven omschrijving van de dader in het geheel niet overeenkomt met het uiterlijk van verdachte, zowel qua kleding als qua persoon zelf. Ook de aan verdachte verweten en hierna bewezen geachte werkwijze, te weten het enkele aanraken/beetpakken van een borst tijdens het langsfietsen, wijkt zozeer af van hetgeen verdachte onder feit 6 verweten wordt, dat zonder nader bewijs niet kan worden vastgesteld dat verdachte als de dader van deze poging tot verkrachting/aanranding moet worden aangemerkt. Verdachte zal dan ook van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1, 3, 7, 8 en 9 ten laste gelegde

Op 20 mei 2012 fietste [Aangeefster 4] rond 21.15 uur op het Jan van Riebeeckpad in Amersfoort. Er fietste een jongen achter haar. Op een gegeven moment ging hij voor haar rijden, remde af en ging langzamer rijden. [Aangeefster 4] passeerde de jongen weer. Wat later kwam de jongen naast haar rijden en stak zijn hand in haar jas bij haar borsten. Hij deed dit agressief en best hard. De jongen raakte haar op de blote huid aan bij haar borsten.8

Op 29 mei 2012 fietste [Aangeefster 5] rond 19.55 uur op Het Masker te Amersfoort. Uit tegenovergestelde richting kwam een jongen aanfietsen die haar passeerde. [Aangeefster 5] hoorde vervolgens dat deze jongen achter haar stopte en vervolgens keerde en achter haar aan kwam. De jongen haalde haar in en ging naast haar fietsen. De jongen trok het shirt van [Aangeefster 5], samen met haar bh, naar beneden en probeerde haar vervolgens vast te pakken bij haar borst. Hij had de borst onder de kleding wel even aangeraakt, maar het lukte hem niet om de borst vast te pakken.9

Op 1 juni 2012 was [Aangeefster 6] rond 17.00 en 18.00 uur aan het hardlopen op het fietspad Jan van Riebeeckpad te Amersfoort. Zij werd ingehaald door een jongen op de fiets die honderd meter verderop stil ging staan. Nadat [Aangeefster 6] deze jongen had gepasseerd, fietste hij haar weer voorbij en greep haar daarbij bij de borst en kneep daarin.10

Op 1 juni 2012 was [Aangeefster 7] rond 17.30 uur aan het hardlopen op het voetpad van het Jan van Riebeeckpad te Amersfoort. Zij zag op het fietspad een jongen staan met zijn fiets. Nadat [Aangeefster 7] deze jongen gepasseerd had en ongeveer 500 meter verder was, hoorde zij achter zich een fiets naderen. Dezelfde jongen die zij eerder was tegengekomen, passeerde haar en keerde aan het einde van het fietspad

8 Pag. 78-82 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 4] d.d. 7 juni 2012)

9 Pag. 92-96 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 5] d.d. 7 juni 2012)

10 Pag. 124-126 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 6] d.d. 6 juni 2012)

en kwam weer in de richting van [Aangeefster 7] terugfietsen. Toen [Aangeefster 7] het waterwingebied inrende, zag zij deze jongen weer. De jongen fietste langzaam en haalde haar langzaam in. Om het moment dat hij naast haar fietste, greep hij met zijn rechterarm naar de borst van [Aangeefster 7] en streelde over haar T-shirt vanaf haar borstbeen in de richting van haar oksel. Dit shirt is in beslag genomen voor nader forensisch onderzoek.11 Uit dit onderzoek is gebleken dat het zeer waarschijnlijk is dat de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte.12

Op 1 juni 2012 fietste [Aangeefster 8] rond 19.00 uur op de Hoefseweg te Amersfoort. Een jongen kwam haar tegemoet fietsen. Nadat de jongen haar gepasseerd had, draaide hij om en kwam half achter haar fietsen. Daarna ging hij naast [Aangeefster 8] fietsen. [Aangeefster 8] zag dat hij gericht naar haar borsten keek en dat hij daar vervolgens in kneep en toen snel verder fietste.13

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 17 juni 2012 tussen 21.15 uur en 21.20 uur fietste op het Jan van Riebeeckpad te Amersfoort. Verdachte is toen achter de aangeefster [Aangeefster 9] aangefietst en heeft tijdens het passeren haar blote borst aangeraakt.

Verdachte denkt, zoals hij toen eveneens bij de politie heeft verklaard, dat het ongeveer 5 of 6 keer is gebeurd dat hij vrouwen of meisjes heeft aangeraakt.

Over de avond van 29 mei 2012 heeft verdachte verklaard dat hij toen ongeveer drie vrouwen/meisjes heeft aangeraakt. Volgens verdachte is dat in de buurt van Hoogland geweest en hij wijst op een plattegrond de straat Het Masker aan. Verdachte heeft verklaard dat hij daar weer aan de borsten van een meisje heeft gezeten en haar borst heeft aangeraakt.

Als verdachte gevraagd wordt hoe vaak dit in totaal is gebeurd, zegt verdachte dat hij op zes gevallen uitkomt; althans dat hij zich zes keer kan herinneren.14

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit, omdat de door de aangeefsters gegeven signalementen niet overeenkomen met de persoon van verdachte, dat aan het aangetroffen mengprofiel geen waarde kan worden gehecht en dat de waarde van de door verdachte afgelegde verklaringen dubieus is, omdat de rechercheurs verdachte woorden in de mond hebben gelegd en verdachte de rechercheurs naar de mond heeft gepraat.

De rechtbank stelt vast dat het door de aangeefsters gegeven signalement van de dader op een groot aantal punten overeenkomsten vertoont. Verdachte wordt door de

11 Pag. 131-139 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 7] d.d. 8 juni 2012)

12 Aanvullend DNA-onderzoek gedateerd 7 december 2012, opgesteld door Nederlands Forensisch Instituut.

13 Pag. 143-147 (proces-verbaal van aangifte [Aangeefster 8] d.d. 4 juni 2012)

14 Pag. 42-53 (proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 juni 2012)

aangeefsters veelal omschreven als een jonge jongen met zwart haar, lichtgetint, brildragend en op de fiets.15

De aangeefsters [Aangeefster 6] en [Aangeefster 7] hebben beide aangifte gedaan van aanranding op 1 juni 2012. De rechtbank stelt vast dat de tijdstippen van deze aanrandingen zeer kort na elkaar lagen en dat de omschrijving van de jas van de dader door beide aangeefsters sterke overeenkomsten vertoont. [Aangeefster 6] heeft de jas van de dader omschreven als een zwart-wit grijs geblokte jas.16 Aangeefster [Aangeefster 7] heeft de jas omschreven als wit-geruit, voorzien van dubbele zwarte streepjes.17

Verder stelt de rechtbank vast dat in alle gevallen ook de beschreven modus operandi gelijk is; verdachte passeerde de aangeefster, waarna hij wachtte of omkeerde en hen dan vervolgens bij het (wederom) passeren naar of bij hun borsten greep.

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte de aanrandingen ten laste gelegd onder 1 en 3 bij de politie heeft bekend en heeft aangegeven dat hij zich kan herinneren dat het ongeveer zes keer is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verdachte afgelegde verklaringen consistent en gedetailleerd en geven geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. Ook heeft verdachte een dag later ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij heeft verklaard dat het zes keer gebeurd zou kunnen zijn dat hij een vrouw heeft aangeraakt en dat hij graag hulp wil.18

Dat verdachte op ontoelaatbare wijze zou zijn verhoord, doordat hem suggestieve en sturende vragen zijn gesteld, blijkt niet uit de inhoud van de verhoren. Tijdens alle verhoren is verdachte bovendien bijgestaan door een advocaat. Dat verdachte later terugkomt op zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris en zich beroept op zijn zwijgrecht, is zijn goed recht, maar de rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van die eerdere verklaringen. De rechtbank kan en zal deze verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs. Het daartoe strekkende verweer van de raadsman wordt verworpen.

Op grond van het vorengaande stelt de rechtbank vast dat bij de hierboven weergegeven aangiftes steeds sprake is van een doorgegeven signalement dat grote overeenkomst vertoont met de persoon van verdachte. Daarnaast is er in alle gevallen sprake van een gelijke modus operandi. Verdachte heeft ook verklaard dat hij tijdens het fietsen de vrouwen aanraakte en dat hij in ieder geval zes keer vrouwen op een dergelijke wijze bij hun borsten heeft aangeraakt.

Daarnaast hecht de rechtbank waarde aan het op het T-shirt van de aangeefster [Aangeefster 7] aangetroffen DNA-mengprofiel.19

15 Zie de noten 8 t/m 12

16 Zie noot 10

17 Zie noot 11

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij rechter-commissaris d.d. 20 juni 2012

19 Pag. 246-248 (rapport NFI onderzoek naar biologische sporen d.d. 6 juli 2012) en het aanvullend rapport vergelijkend DNA-onderzoek d.d. 1 oktober 2012

Bij tussenvonnis van 23 oktober 2012 heeft de rechtbank een nader onderzoek gelast van dit mengprofiel door het NFI. Uit het rapport van het NFI d.d. 7 december 2012 blijkt, dat het uitermate veel waarschijnlijker is dat het celmateriaal op het T-shirt van mevrouw [Aangeefster 7] afkomstig is van verdachte en van een willekeurige andere, onbekende, man dan van twee willekeurige onbekende mannen, en het T-shirt geen celmateriaal van de verdachte bevat.

In combinatie met het gegeven dat verdachte geen enkele verklaring kan geven voor deze uitkomst van het NFI, maakt dat de rechtbank, naast het hiervoor reeds weergegeven voldoende wettig bewijs, tevens de overtuiging heeft dat verdachte ook als de dader van deze aanranding moet worden aangemerkt.

Gelet op de gelijkluidende beschrijving van de jas die verdachte droeg door zowel de aangeefster [Aangeefster 6] als de aangeefster [Aangeefster 7] en het zeer korte tijdsbestek waarbinnen deze aanrandingen hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank tevens bewezen dat verdachte als de dader van de onder feit 7 ten laste gelegde aanranding moet worden aangemerkt.

Dat een zwart/witte jas niet bij verdachte is aangetroffen, maakt niet dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. De rechtbank hecht in dit opzicht meer waarde aan de - zeer kort na en onafhankelijk van elkaar - door de aangeefsters [Aangeefster 6] en [Aangeefster 7] gegeven omschrijvingen van de jas van de verdachte, die in beide gevallen grote gelijkenis vertonen.

Met betrekking tot de onder 9 ten laste gelegde aanranding van [Aangeefster 8] merkt de rechtbank op dat deze aangeefster een zeer gedetailleerde beschrijving van de door verdachte gebruikte fiets heeft gegeven. Daarnaast heeft deze aangeefster ook melding gemaakt een “iets geruits” kledingstuk. Gelet op de zeer korte tijdsspanne tussen deze drie aanrandingen op 1 juni 2012 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook als de dader van deze aanranding moet worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de genoemde bewijsmiddelen, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich in de periode van 20 mei 2012 tot en met 1 juni 2012 schuldig heeft gemaakt aan een vijftal aanrandingen.

Ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde:

Nu verdachte dit ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.

ten aanzien van het ten laste gelegde:

1.

Een proces-verbaal d.d. 19 juni 2012, inhoudende de aangifte van [Aangeefster 9], in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2.

De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 9 oktober 2012 heeft afgelegd.

5 Bewezenverklaring en vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2, 4, 5 en 6 primair en subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Op 20 mei 2012 te Amersfoort door een feitelijkheid [Aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [Aangeefster 4] onverhoeds onder haar kleding bij haar borsten betast.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 29 mei 2012 te Amersfoort door een feitelijkheid [Aangeefster 5] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [Aangeefster 5], nadat hij, verdachte, het T-shirt en de bh naar beneden heeft getrokken, bij haar borsten betast.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde:

op 1 juni 2012 te Amersfoort door een andere feitelijkheid [Aangeefster 6] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [Aangeefster 6] onverhoeds over haar kleding in haar borst geknepen en vastgepakt.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

op 1 juni 2012 te Amersfoort door een feitelijkheid [Aangeefster 7] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [Aangeefster 7] onverhoeds over haar kleding bij haar borst betast.

Ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde:

op 1 juni 2012 te Amersfoort, door een feitelijkheid, [Aangeefster 8] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [Aangeefster 8] onverhoeds over haar kleding in haar borsten geknepen.

Ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde:

op 17 juni 2012 te Amersfoort, door een feitelijkheid, [Aangeefster 9] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [Aangeefster 9] onverhoeds onder haar kleding bij haar bosten betast.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als volgt:

Ten aanzien van het onder 1, 3, 7, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, primair, 7, 8, 9 en 10 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 105 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie als bijzondere voorwaarde gevorderd dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan de maatregel Hulp en Steun en begeleiding vanuit De Waag.

Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van een werkstraf voor de duur van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De advocaat heeft ten aanzien van een op te leggen straf opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met het blanco strafblad van verdachte. Ook dient rekening te worden gehouden met de omtrent verdachte opgemaakte rapportages, waaruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een intelligentie op zwakbegaafd niveau en dat hij in sociaal-emotioneel en moreel opzicht op een jonger niveau functioneert dan zijn leeftijdsgenoten. Ook zal rekening moeten worden gehouden met het feit dat er sprake was van trial-by-media. Verdachte is keihard neergehaald in de pers met informatie die ergens vandaan moet zijn gekomen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in een korte tijd schuldig gemaakt aan een zestal aanrandingen. Ontuchtige handelingen, van welke aard en intensiteit ook, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit. Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevoelens van de aangeefsters. Sommige aangeefsters worden, zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen, nog dagelijks geconfronteerd met de psychische gevolgen van het handelen van verdachte.

De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Bij de bepaling van de straffen heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 4 september 2012, opgemaakt door I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater en het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 11 september 2012, opgesteld door A. de Jong, gz-psycholoog. In beide rapporten komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een zwakbegaafdheid en een onrijpe sociaal-emotionele, seksuele en morele ontwikkeling. Ten tijde van het ten laste gelegde werd het gedrag van verdachte beïnvloed door de gebrekkige ontwikkeling, waardoor verdachte onvoldoende in staat was om een afgewogen keuze te maken. Troost concludeert tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Omdat het patroon van alle feiten hetzelfde is, kan vanuit gedragsdeskundig oogpunt gesteld worden dat het verband tussen de diagnose en het delict en de mate van toerekeningsvatbaarheid voor alle feiten - mits bewezen geacht - hetzelfde is. Beide deskundigen zijn van mening dat het belangrijk is dat verdachte een behandeling krijgt, gericht op de risicofactoren voor recidive. Daarnaast is het van belang dat verdachte seksueel wordt voorgelicht en dat dit in samenspraak met de ouders gebeurt. Het voorstel is om verdachte aan te melden bij De Waag van de Van der Hoevenstichting te Utrecht.

Verder merkt De Jong op dat een gedragsbeïnvloedende maatregel te zwaar is voor verdachte; verdachte is first offender en bereid mee te werken aan behandeling.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert in het rapport d.d. 3 oktober 2012 om verdachte als bijzondere voorwaarde op te leggen dat hij zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat behandeling bij De Waag inhoudt.

Uit het Plan van aanpak Jeugdreclassering d.d. 3 oktober 2012 blijkt dat verdachte bij de jeugdreclassering heeft aangegeven dat hij graag beter zou willen omgaan met zijn

emoties en verdriet.

Hij zegt dat, toen de delicten gebeurd waren, hij elke dag moest huilen. Daarnaast geeft hij aan dat hij graag zou willen weten hoe het komt dat hij de delicten heeft gepleegd. Sinds zijn schorsing op 2 juli 2012 heeft verdachte lange tijd thuis verbleven. Hij heeft zich tijdens de ITB-Plus begeleiding goed aan de regels en de afspraken gehouden, maar wil geen inzicht geven in zijn delictgedrag. Verdachte zegt tegen de jeugdreclasseringwerker geen idee te hebben wat zijn daden voor slachtoffers kunnen betekenen. Tevens wordt als zorgpunt aangegeven de cognitieve ontwikkeling van verdachte, waardoor er een risico is voor overvraging. Ook zijn er zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. De jeugdreclassering adviseert dan ook bij een schuldigverklaring, de maatregel Hulp en Steun op te leggen met als bijzondere voorwaarde het meewerken aan de behandeling bij De Waag.

Ter terechtzitting van 9 oktober 2012 en ook bij de nadere zitting op 29 januari 2013 heeft de aanwezige jeugdreclasseerder A. Pijpker deze rapportage nader toegelicht. De start met school is goed verlopen. Er zijn intensieve contacten met de leerkrachten van verdachte; zij moeten hem goed monitoren om overvraging te voorkomen. De ouders van verdachte zijn zelf actief op zoek gegaan naar hulp. Via GGZ en Riagg zijn zij doorverwezen naar De Waag. Wekelijks heeft verdachte daar gesprekken en hij houdt zich intussen al enkele maanden goed aan de afspraken met zijn behandelaar. Vanuit De Waag zal ook bekeken moeten worden welke hulp en behandeling er in de toekomst concreet nodig zal zijn. Gelet op de wijze waarop verdachte zich begeleidbaar opstelt zal de reguliere reclasseringsmaatregel “Hulp en Steun” naar verwachting voldoende zijn om verdachte verder te begeleiden.

Gelet op de deskundigenrapporten, de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, het plan van aanpak en de toelichting daarop van de jeugdreclasseerder ter zitting, zal de rechtbank deze adviezen overnemen.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar eis. Weliswaar komt de rechtbank tot een vrijspraak van vier feiten, waaronder de door de officier van justitie bewezen geachte poging tot verkrachting., maar gelet op de ernst van de feiten en het korte tijdsbestek waarin deze zich hebben voorgedaan, acht de rechtbank de eis zeer coulant. De rechtbank ziet in de gedeeltelijke vrijspraak dan ook geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Vordering [Aangeefster 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [Aangeefster 4] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks (immateriële) schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [Aangeefster 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Vordering [Aangeefster 8]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [Aangeefster 8] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 9 bewezen geachte feit, rechtstreeks (immateriële) schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [Aangeefster 8] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Spreekt de verdachte vrij van het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1, 3, 7, 8, 9 en 10 bewezen verklaarde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen waarvan 105 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering gebracht.

Bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzake aanbiedt.

Bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- De verdachte moet zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, ook indien dit inhoudt voorzetting van de behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

- De rechtbank draagt die instelling op om de verdachte hulp en steun te verlenen bij het naleven van de bijzondere voorwaarden.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk wordt aan de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Bepaalt dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van de vordering van [Aangeefster 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Aangeefster 4], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [Aangeefster 4] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Aangeefster 4], te betalen de som van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de vordering van [Aangeefster 8]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Aangeefster 8], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [Aangeefster 8] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Aangeefster 8], te betalen de som van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. M.J. Veldhuijzen en E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. S. Capitano, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van

12 februari 2013.

Bijlage: tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 4] heeft gedwongen tot het

plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

die [Aangeefster 4] (onverhoeds) (onder haar kleding) aan/bij haar borst(en) betast en/of

vastgepakt en/of vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 1] heeft gedwongen tot het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

die [Aangeefster 1] (onverhoeds) (over haar kleding) aan/bij haar borst(en) betast en/of

vastgepakt en/of vastgehouden

art 246 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 5] heeft gedwongen

tot het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers

heeft hij die [Aangeefster 5], nadat hij, verdachte, het t-shirt en/of de bh naar

beneden heeft getrokken, aan/bij haar borsten betast en/of vastgepakt en/of

vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 2] heeft gedwongen tot het

plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

die [Aangeefster 2] (onverhoeds) (over haar kleding) in/bij haar borst(en) betast

en/of geknepen en/of vastgepakt en/of vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 3] heeft gedwongen tot het

plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

16

Parketnummer: 16/653330-12

Inzake: [verdachte]

die [Aangeefster 3] (onverhoeds) (over haar kleding) aan/bij haar borst(en) betast en/of

vastgepakt en/of vastgehouden;

6.

Primair

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en

/ of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en / of een

andere feitelijkheid [Aangeefster 10] te dwingen tot het ondergaan van

handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van

het lichaam, opzettelijk dicht achter die [Aangeefster 10] te fietsen en/of die Van

[Aangeefster 10] met de fiets in te halen en/of (vervolgens) aan/in de borst(en) van die

van [Aangeefster 10] heeft betast en/of geknepen en/of tegen die [Aangeefster 10] meermalen,

althans eenmaal, te zeggen "Kom, pijp me" en/of (vervolgens) voor die Van

[Aangeefster 10] te (gaan) fietsen en/of (vervolgens) die [Aangeefster 10] met de fiets aan de

kant te duwen (richting de bosjes), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet voltooid;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 10] heeft gedwongen tot

het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft

hij die [Aangeefster 10] (onverhoeds) (onder haar kleding) aan/bij/in haar borst(en)

betast en/of geknepen en/of vastgepakt en/of vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 01 juni 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 6] heeft gedwongen

tot het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers

heeft hij die [Aangeefster 6] (onverhoeds) (over haar kleding) in/bij haar

borst(en) geknepen en/of betast en/of vastgepakt en/of vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 01 juni 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 7] heeft gedwongen tot

het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft

hij die [Aangeefster 7] (onverhoeds) (over haar kleding) aan/bij haar borst(en) betast

en/of vastgepakt en/of vastgehouden;

17

Parketnummer: 16/653330-12

Inzake: [verdachte]

18

art 246 Wetboek van Strafrecht

9.

hij op of omstreeks 01 juni 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 8] heeft gedwongen tot

het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft

hij die [Aangeefster 8] (onverhoeds) (over haar kleding) in/bij haar borst(en)

geknepen en/of betast en/of vastgepakt en/of vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

10.

hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging

met geweld en /of een andere feitelijkheid [Aangeefster 9] heeft gedwongen tot het

plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

die [Aangeefster 9] (onverhoeds) (onder haar kleding) aan/bij haar borst(en) betast

en/of vastgepakt en/of vastgehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht