Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ2074

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
16/804807-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mona Lisa. Veroordeling voor - onder meer - hennephandel en criminele organisatie. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 (zevenentwintig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/804807-11 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 februari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats],

feitelijk verblijvende op de [adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2013, 16 januari 2013, 22 januari 2013 en 23 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. N. van Schaik, naar voren hebben gebracht.

De volgende zaken zijn op de terechtzitting gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld:

[medeverdachte 1] (16/804804-11), [medeverdachte 2] (16/800203-12), [medeverdachte 3] (16/800207-12), [medeverdachte 4] (16/800206-12), [medeverdachte 5] (16/800204-12), [medeverdachte 6] (16/800205-12), [medeverdachte 7] (16/800201-12).

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 30 januari 2012 samen met een ander een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;

Feit 2: in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 12 januari 2012 samen met een ander of anderen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf hennepstekken en/of hennepplanten heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt;

Feit 3: op 30 januari 2012 samen met een ander 4,2 gram amfetamine, MDA, MDMA en/of MDEA voorhanden heeft gehad;

Feit 4: in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012 deel heeft genomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had om misdrijven als bedoeld in artikel 11 van de Opiumwet te plegen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden met uitzondering van zaaksdossier B01, onderdeel van feit 2.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat zich onvoldoende bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring van hennephandel te komen, omdat niet onomstotelijk vast staat dat de getapte telefoongesprekken over hennep gaan. Daarnaast kan, al zou de rechtbank vast stellen dat de gesprekken over hennep gaan, niet bewezen worden dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, aldus de raadsman.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de zaaksdossiers Vogel03, Vogel05, Vogel07 en B02, nu de data waarop de hennepkwekerijen zijn aangetroffen niet aansluiten bij de periode waarin de telefoongesprekken hebben plaatsgevonden.

De verdediging heeft ook vrijspraak bepleit van zaaksdossier Vogel09, omdat in de telefoongesprekken wordt gesproken over een aantal van 350, terwijl er een kwekerij met 330 planten is aangetroffen en omdat uit het dossier blijkt dat de planten ongeveer acht weken oud waren, wat niet aansluit bij een levering op 22 maart 2011.

Ten aanzien van zaaksdossier B01 heeft de verdediging tevens vrijspraak bepleit, omdat uit de telefoongesprekken kan worden afgeleid dat verdachte in ieder geval geen stekken heeft geleverd in de ten laste gelegde periode.

Ten aanzien van zaaksdossier B03 heeft de verdediging opgemerkt dat bewezen kan worden dat verdachte hennep heeft geteeld van oktober 2011 tot en met 11 januari 2012. Voor het overige dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen.

Vervolgens heeft de verdediging ook vrijspraak bepleit van zaaksdossier B05, omdat de bewijsmiddelen in het dossier niet tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte hennep aanwezig heeft gehad.

Ook ten aanzien van zaaksdossier B07 heeft de verdediging vrijspraak bepleit, omdat er volgens de verdediging geen samenwerkingsverband is geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft feit 1 en feit 3.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak

Vrijspraak zaaksdossier B01

Uit het dossier komt naar voren dat [verdachte] hennepstekken zou gaan leveren aan [medeverdachte 1] na 17 december 2011. De rechtbank sluit niet uit dat dit is gebeurd, maar stelt vast dat uit het dossier in ieder geval niet blijkt dat [verdachte] hennepstekken aan [medeverdachte 1] heeft geleverd in de periode van 13 december 2011 tot en met 17 december 2011. De rechtbank zal [verdachte] dan ook van dit zaaksdossier vrijspreken.

Partiële vrijspraak zaaksdossier B03

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet de gehele ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] en [medeverdachte 6] in september 2011 zijn begonnen met de hennep(stekken)kwekerij aan de [adres] te [woonplaats]. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de periode 1 juni 2009 tot en met 31 augustus 2011.

4.3.2 Het bewijs

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen - voor zover niet anders vermeld - naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Onderzoek 094Vogel en het proces-verbaal van de Nationale Recherche, Onderzoek Vitruvius/Mona Lisa.

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Op 30 januari 2012 is de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. Aangetroffen wordt onder meer een stroomstootwapen.

Het stroomstootwapen is een wapen in de zin van categorie II sub 5 van de Wet Wapens en Munitie.

Verdachte heeft verklaard dat hij verblijft op de [adres] te [woonplaats] en heeft voorts verklaard dat hij het stroomstootwapen al een jaar of vijftien heeft.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Algemene bewijsmiddelen

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in de wiethandel heeft gezeten.

[verdachte] heeft verklaard dat hij met tussenpozen bezig is geweest in de hennepteelt. [verdachte] heeft voorts verklaard dat hij een tijd in de tussenhandel van hennepstekken heeft gezeten.

Vaststellen gebruikers telefoonnummers

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] wisselend gebruik maakt van drie mobiele telefoonnummers, te weten [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is ook in gebruik bij [medeverdachte 5].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in gebruik bij [medeverdachte 3].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in gebruik bij [medeverdachte 7].

[verdachte] maakt gebruik van de telefoonnummers [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is van een onbekend gebleven gebruiker.

Zaaksdossier Vogel 03

Op 12 november 2010 te 16.18 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door een man die [naam] wordt genoemd. [medeverdachte 1] zegt “En maandag, en maandag is dat uh gereedschap er voor jou en [naam]. Wat ik zou regelen en die komt ie maandag uh, komt die dat gereedschap brengen.” [naam] zegt dat het goed is.

Op 15 november 2010 te 13.51 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte] en vraagt [verdachte] of [medeverdachte 1] zit te wachten op onderdelen. [medeverdachte 1] bevestigt dit. [verdachte] zegt dat het die avond of de volgende dag wordt.

Op 16 november 2010 te 11.34 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [medeverdachte 1] dat hij er zo aan komt voor de onderdelen.

Het observatieteam neemt waar dat er op 16 november 2010 te 17.09 uur een Volvo met kenteken [kenteken] op naam van [medeverdachte 7] op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1] staat geparkeerd. Omstreeks 17.20 uur neemt het observatieteam waar dat een man in de Volvo stapt, over het terrein rijdt en aan de zijkant van het autobedrijf [bedrijf] parkeert. Omstreeks 17.21 uur komt [medeverdachte 1] met een doos in zijn handen uit het autobedrijf [bedrijf] lopen in de richting van de Volvo. [medeverdachte 1] legt de doos in de kofferbak van de Volvo en loopt terug naar het autobedrijf. De doos heeft een afmeting van 20x30x50 centimeter. Omstreeks 17.23 uur komt [medeverdachte 1] opnieuw naar buiten en legt een pvc-buis in de Volvo. Omstreeks 17.24 uur rijdt de onbekende man het terrein af met de Volvo. [medeverdachte 1] rijdt achter de Volvo aan in een Ford Ka.

Tijdens het politieverhoor zijn de bevindingen van het observatieteam aan [medeverdachte 1] voorgehouden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat in een doos met de afmetingen 20x30x50 centimeter 80 tot 100 stekken gaan.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier Vogel 05

Op 17 januari 2011 te 14.04 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte]. [medeverdachte 1] vraagt of het een beetje wil lukken. [verdachte] zegt dat hij woensdag naar Steenwijk gaat en dan die [naam] bellen en dan halen ze hem maar op en dan laat [verdachte] het naar [medeverdachte 1] brengen. [medeverdachte 1] zegt dat het goed is. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] er maar vanuit moet gaan dat het donderdag op zijn terrein staat. Later in het gesprek vraagt [medeverdachte 1] of [verdachte] nog wat gehoord heeft van die jongen. [verdachte] zegt dat hij het morgenvroeg hoort. [medeverdachte 1] zegt dat hij anders wat anders moet gaan regelen.

Op 18 januari 2011 te 11.39 uur stuurt [verdachte] twee sms-berichten aan [medeverdachte 1] met de tekst “Gaat echt niet lukken zit op dit moment te laag met mijn productie” en de tekst “gr hendrik”.

Op 26 januari 2011 te 15.29 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] vraagt “(…) Dus ja.. eeh jij redt het jij redt het niet eventueel voor 360? Als je begrijpt wat ik bedoel”. [verdachte] zegt “Eeeehh even kijken ja ik begrijp heel goed wat je bedoelt eeh wanneer wil je ze hebben? Gisteren wil je het werk hebben zeker?”. [medeverdachte 1] zegt “Eeh ja, maar morgen mag ook”. [verdachte] zegt “Eeh nou ik kan je nu zeggen, het wordt morgen of vrijdag 100 procent 100 procent”. [verdachte] zegt later “100 procent vrijdag” en “dan wordt het vrijdag rond een uur of tien elf denk ik, wanneer jij daar open, wanneer wanneer ben je open daar?”. [medeverdachte 1] zegt dat hij er vrijdagmorgen al vroeg is.

Op 27 januari 2011 te 11.21 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat de auto van [verdachte] klaar is. [verdachte] is er rond een uur of één. [medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] de aanhanger gelijk achter kan laten, zodat hij er gelijk naar kan kijken. [verdachte] zegt dat ie die gelijk meeneemt. [verdachte] zegt dat hij van de [medeverdachte 1] morgen wel ziet. [verdachte] beaamt dat alles voor elkaar is en komt morgen om tien elf uur.

Op 31 januari 2011 te 14.07 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte]. [verdachte] zegt dat het zeker morgen vroeg wordt. [medeverdachte 1] vraagt “Ja eh 180 100 he?”. [verdachte] zegt “ja ja ja ja”.

Op 31 januari 2011 te 16.15 uur belt [medeverdachte 1] naar een onbekende man en zegt dat de spullen die hij besteld heeft er morgen rond een uur of elf zijn. De onbekende man zal [naam] vragen of hij ze oppikt.

Op 1 februari 2011 te 13.15 uur belt [medeverdachte 1] met een man die zich [naam] noemt. [naam] zegt dat hij gehoord heeft dat de auto-onderdelen binnen zijn gekomen. [medeverdachte 1] beaamt dat, de onderdelen liggen op de zaak. [naam] stuurt vanmiddag iemand om ze op te pikken.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 samen met een ander hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier Vogel 07

Op 7 mei 2011 te 10.49 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte]. [verdachte] geeft aan dat hij nog onderdelen voor [medeverdachte 1] heeft.

Op 10 mei 2011 te 13.44 uur belt [medeverdachte 1] opnieuw met [verdachte]. [verdachte] geeft aan dat deze er niet uit zien en zegt dat [medeverdachte 1] vrijdag gewoon nieuwe onderdelen krijgt.

Het observatieteam ziet op camerabeelden dat op 13 mei 2011 te 14.28 uur een auto, merk Renault, type Kangoo, met kenteken [kenteken], op naam van [medeverdachte 6], in de richting van het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1] rijdt. Om 14.56 uur verlaat de auto het terrein weer.

[verdachte] is getrouwd met [medeverdachte 6] en zij wonen samen op de [adres] in [woonplaats].

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij in een zwarte Chrysler 300 rijdt en dat ze (de rechtbank begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 6]) ook een blauw/groene Renault Kangoo hebben.

Op 13 mei 2011 te 16.24 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 7] en zegt dat hij die 90 dingetjes in zijn auto heeft staan en dat de sleutels erin zitten. Dus die doosjes staat acht erin

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier Vogel 09

[medeverdachte 1] belt op 22 maart 2011 te 13.04 uur met [A]. [A] bestelt LED verlichting, 350 stuks, voor de zijkant van zijn auto. Hij wil ze op 4 april hebben.

Op 22 maart 2011 te 13.57 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte] en zegt dat hij 350 borrels nodig heeft voor een feestje op 4 april.

Op 29 maart 2011 te 10.07 uur belt [medeverdachte 1] met [A] die vraagt wat de LED lampjes kosten, [medeverdachte 1] zegt gewoon een knaak en zegt dat dat andere allemaal rond is.

Op 12 mei 2011 omstreeks 10.00 uur wordt een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In deze woning wordt een hennepkwekerij met 16 planten ontmanteld.

Op 12 mei 2011 te 10.26 uur belt [A] met [medeverdachte 1] en vertelt dat ze erbij zijn. [medeverdachte 1] zegt dat het maatje van [A] het bij zichzelf moet houden en [A] er niet bij moet lappen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier B02

Op 7 mei 2011 te 10.49 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte]. [verdachte] geeft aan dat hij nog onderdelen voor [medeverdachte 1] heeft.

Op 10 mei 2011 te 13.44 uur belt [medeverdachte 1] opnieuw met [verdachte]. [verdachte] geeft aan dat deze er niet uit zien en zegt dat [medeverdachte 1] vrijdag gewoon nieuwe onderdelen krijgt.

Het observatieteam ziet op camerabeelden dat op 13 mei 2011 te 14.28 uur een auto, merk Renault, type Kangoo, met kenteken [kenteken], op naam van [medeverdachte 6], in de richting van het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1] rijdt. Om 14.56 uur verlaat de auto het terrein weer.

Op 13 mei 2011 te 16.24 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 7] en zegt dat hij die 90 dingetjes in zijn auto heeft staan en dat de sleutels erin zitten.

Op 11 januari 2012 omstreeks 08.05 uur wordt de woning van [medeverdachte 7] aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. In de woning wordt een hennepplantage aangetroffen, die kennelijk enkele dagen daarvoor was geoogst.

Op 11 januari 2012 te 12.56 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] die zegt dat de man van dat vloertje van 80m2 er voorlopig niet is.

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij een hennepkwekerij had en dat hij zelf de planten heeft geknipt en geoogst. Er stonden 80 planten in de hennepkwekerij.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012 samen met een ander hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier B03

Op 11 januari 2012 is de ruimte aan de [adres], [woonplaats] doorzocht. In dit pand wordt een hennepkwekerij met 72 moederplanten en 840 hennepstekken aangetroffen.

Op het moment van de doorzoeking zijn [verdachte] en [medeverdachte 6] aanwezig in het pand. [medeverdachte 6] staat met een schaar in haar handen tussen de hennepplanten.

[verdachte] heeft verklaard dat de kwekerij aan de [adres] van hem is en dat hij daar in september 2011 mee is begonnen.

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij wist van de hennepkwekerij aan de [adres] en dat zij [verdachte] geholpen heeft met water geven en knippen. Zij is er vanwege financiële problemen in mee gegaan, maar heeft ervoor gekozen om alleen de planten water te geven, te verzorgen en te knippen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat het klopt dat [verdachte] stekken aan hem leverde en dat hij ze aan [B] leverde.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 6] tezamen en in vereniging 72 moederplanten en 840 hennepstekken opzettelijk aanwezig hebben gehad. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 6] tezamen en in vereniging hennep hebben geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt in de periode van 1 september 2011 tot en met 11 januari 2012.

Zaaksdossier B05

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in gebruik bij [C] (roepnaam: [C]).

Op 18 november 2011 te 8.18 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “Mogge ben al even geweest, kom later nog even een bakkie doen”.

Op 21 november 2011 te 18.31 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “Weet niet of jij er bent wij zijn er tussen half acht en acht”.

Op 23 november 2011 te 16.19 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “heb je vanavond even tijd om wat te checken”.

Op 26 november 2011 te 17.00 stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “Oke thanks, ik check maandagmorgen vroeg nog, goed weekend”.

Op 2 december 2011 te 10.31 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “Draai jij hem vandaag nog om, dan maak ik hem morgenvroeg weer af”.

Op 2 december 2011 te 15.26 uur stuurt [C] een sms-bericht aan [verdachte] met de tekst “Komt goed man”.

Op 13 december 2012 te 15.58 uur wordt [verdachte] gebeld door [C]. [verdachte] vraagt naar de postcode [nummer]. [verdachte] zegt vervolgens “dan stuur ik even een zootje vrouwen naar je toe”.

Op 5 januari 2012 te 8.30 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “check jij het nog tot morgen kom er niet aan toe ivm voorbereidingen”.

Op 5 januari 2012 te 9.49 uur stuurt [C] een sms-bericht aan [verdachte] met de tekst “okedokie”.

Op 5 januari 2012 te 15.44 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [C] met de tekst “[telefoonnummer]”.

Op 6 januari 2012 te 8.03 uur stuurt [C] een sms-bericht aan [verdachte] met de tekst “Is al klaar dus”.

Op 11 januari 2012 wordt een ruimte aangetroffen die is ingericht als hennepkwekerij aan de [adres] te [woonplaats]. In de kwekerij staan 484 plantenpotten.

In het pand aan de [adres] te [woonplaats] wordt in de ruimte waar de hennepkwekerij zich bevindt een vuilniszak aangetroffen met daarop de duimafdruk van [verdachte].

In de woning van [verdachte] aan de [adres] te [woonplaats] worden niet ondertekende huurovereenkomsten aangetroffen tussen [D] en [C] betreffende het pand aan de [adres] te [woonplaats].

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 november 2011 tot en met 11 januari 2012 samen met een ander hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank weegt bij de bewezenverklaring van feit 2 bij alle ten laste gelegde zaaksdossiers mee dat [verdachte] heeft verklaard dat hij in hennepstekken heeft gehandeld. In onderling verband en samenhang bezien stelt de rechtbank vast dat de telefoongesprekken en sms-berichten die als bewijsmiddel zijn gebruikt over hennep gaan. De rechtbank overweegt dat het steeds soortgelijke feiten betreft met een soortgelijke handelswijze, waarbij in codetaal wordt gesproken.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] in hennep heeft gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, gelet op de hoeveelheid, de mate van professionaliteit en de duur waarin [verdachte] zich bezig heeft gehouden met hennep.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Op 30 januari 2012 is de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. Aangetroffen wordt onder meer een vershoudbus met verdovende middelen.

Uit onderzoek blijkt dat er 4,15 gram amfetamine en 58 xtc-pillen, welke MDMA bevatten, zijn aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij verblijft op de [adres] te [woonplaats] en heeft voorts verklaard dat de bus met verdovende middelen nog stamt uit zijn uitgaansperiode.

Feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Verdachte wordt deelname verweten aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 11 van de Opiumwet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een groep personen, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 5], [verdachte], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3], zich in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012 hebben bezig gehouden met de handel in hennep in de breedste zin van het woord. De rechtbank verwijst voor de bewijsmiddelen naar de zaaksdossiers Vogel 02, Vogel 03, Vogel 05, Vogel 07, Vogel 08, Vogel 09, B01, B02, B03, B05, B07 en B18.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een criminele organisatie op grond van het navolgende.

Volgens de huidige jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008, 72) moet onder een criminele organisatie worden verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon’. Om als deelnemer aangemerkt te worden, hoeft niet vast te komen staan dat de betreffende persoon bekend is/moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Wel moet vast komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Overigens is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (zie Hoge Raad 15 juni 2010, NJ 2010, 357). Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunen (zie onder andere Hoge Raad 3 juli 2012, LJN: BW5161). Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] deel hebben genomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd en hebben ieder een aandeel gehad in, dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank overweegt daartoe dat [medeverdachte 1] meermalen hennepstekken heeft afgenomen bij [verdachte]. [verdachte] leverde de hennepstekken en werkte samen met zijn vrouw [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] heeft [verdachte] meermalen geholpen met planten water geven en knippen. Ook is in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 6] handgeschreven administratie aangetroffen, waarvan [medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij die geschreven heeft. Uit deze administratie blijkt haar betrokkenheid bij meerdere hennepkwekerijen.

[medeverdachte 1] werkte voor wat betreft de hennephandel samen met zijn vrouw [medeverdachte 5]. Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte 5] contacten had met de afnemer dan wel leverancier van de hennepstekken en ook dat zij knippers regelde voor in een hennepkwekerij. [medeverdachte 3] heeft een aandeel gehad in het samenwerkingsverband door meermalen hennepstekken op te halen dan wel af te leveren voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5]. [medeverdachte 1] heeft hennepstekken geleverd aan [medeverdachte 7] die in zijn woning een hennepkwekerij aanwezig had en meermalen hennep heeft geteeld.

De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn met bovengenoemde overwegingen eveneens verworpen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 30 januari 2012 te Putten, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen

van categorie II, te weten een stroomstootwapen merk Defence Geisler Group,

voorhanden heeft gehad;

2.

op meer tijdstippen in de periode van 01 augustus 2010 tot en met 12 januari 2012, te Putten, en/of Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Utrecht en/of Barneveld en/of Hilversum en/of Soest, in elk geval in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf,

- (ZD VOG03) in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010, een aantal van ongeveer 80 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en

- (ZD VOG05) in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011, een aantal van ongeveer 540 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en geteeld, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en

- (ZD VOG07) in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011, een aantal van ongeveer 90 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD VOG09) in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011, een aantal van ongeveer 350 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD B02) in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012, een hoeveelheid hennep van meer dan 30 gram, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD B03) op 11 januari 2012, een aantal van ongeveer 72 moederplanten en 840 hennepstekken, in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD B03) in de periode van 01 september 2011 tot en met 11 januari 2012, meermalen een grote hoeveelheid hennepstekken en hennepplanten zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en

- (ZD B05) in de periode van 1 november 2011 tot en met 11 januari 2012 een grote hoeveelheid hennepplanten zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;

3.

ZAAKSDOSSIER B14

op 30 januari 2012 te Putten tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,2 gram van een materiaal bevattende amfetamine en een hoeveelheid bevattende MDMA (zijnde ongeveer 58 xtc-pillen), telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

ZAAKSDOSSIER B07

op meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012, te Putten, en/of Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Utrecht en/of Soest , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder meer hem zelf, verdachte en meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie;

Feit 2: Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 4: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, lid 3 en lid 5 van de Opiumwet.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden met aftrek van voorarrest.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS. De verdediging heeft tevens verzocht om een onvoorwaardelijke straf op te leggen die niet langer is dan de duur van het voorarrest met daarnaast eventueel een voorwaardelijke straf. De verdediging heeft daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een stroomstootwapen en harddrugs, aan hennephandel en aan het bewerken en verwerken van hennep. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met grootschalige hennepteelt- en handel. Het is een feit van algemene bekendheid dat het op de markt brengen van drugs schadelijk is voor de volksgezondheid en dat daarmee de verslavingsproblematiek met alle daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 december 2012.

De rechtbank is van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om hier van af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal daarom conform de eis aan verdachte 27 maanden gevangenisstraf met aftrek van de duur van het voorarrest opleggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie;

Feit 2: Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 4: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, lid 3 en lid 5 van de Opiumwet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 (zevenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2013.

Mr. Vanwersch is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 januari 2012 te Putten, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een wapen

van categorie II, te weten een stroomstootwapen merk Defence Geisler Group,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2010

tot en met 12 januari 2012, te Putten, en/of Stoutenburg Noord, en/of

Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Utrecht en/of Barneveld en/of Hilversum

en/of Soest, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en

in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, in de uitoefening van

zijn beroep of bedrijf,

- (ZD VOG03) in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010,

een aantal van ongeveer 80 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een

hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- (ZD VOG05) in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011, een

aantal van ongeveer 540, althans 360, althans 180, althans een of meer,

hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid,

zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- (ZD VOG07) in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011, een aantal

van ongeveer 90 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een hoeveelheid

van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- (ZD VOG09) in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011, een

aantal van ongeveer 350, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of

hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad, en/of

- (ZD B01) in de periode van 13 december 2011 tot en met 17 december 2011, een

aantal van ongeveer 500, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of

hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad,en/of

- (ZD B02) in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012, een

hoeveelheid van ongeveer 896 gram hennep, althans een grote hoeveelheid,

zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- (ZD B03) op of omstreeks 11 januari 2012, een aantal van ongeveer 72,

althans een of meer, moederplant(en) en/of 840, althans een of

meer, hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote

hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- (ZD B03) in de periode van 01 juni 2009 tot en met 11 januari 2012, althans

1 maart 2011 tot en met 11 januari 2012, (meermalen) een grote hoeveelheid

hennepstekken en/of hennepplanten zijnde hennep (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad,en/of

- (ZD B05) in de periode van 1 november 2011 tot en met 11 januari 2012

(meermalen) een grote hoeveelheid hennepplanten zijnde hennep (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

ZAAKSDOSSIER B14

hij op of omstreeks 30 januari 2012 te Putten, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 4,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid bevattende MDA en/of

MDMA en/of MDEA (zijnde ongeveer 58 xtc-pillen), in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende amfetamine, en/of MDA en/of MDMA en/of MDEA

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

4.

ZAAKSDOSSIER B07

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010

tot en met 30 januari 2012, te Putten, en/of Stoutenburg Noord, en/of

Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Utrecht en/of Soest , in elk geval in

Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf,

verdachte en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven,als

bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

art 11a lid 1 Opiumwet