Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ2062

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2013
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
16/804804-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mona Lisa. Veroordeling voor - onder meer - wapenhandel. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/804804-11 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 februari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2013, 16 januari 2013, 22 januari 2013 en 23 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaten, mr. C. Lammers en mr. L. de Leon, naar voren hebben gebracht.

De volgende zaken zijn op de terechtzitting gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld:

[medeverdachte 1] (16/804807-11), [medeverdachte 2] (16/800203-12), [medeverdachte 3] (16/800207-12), [medeverdachte 4] (16/800206-12), [medeverdachte 5] (16/800204-12), [medeverdachte 6] (16/800205-12), [medeverdachte 7] (16/800201-12).

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 29 juni 2011 samen met een ander of anderen vuurwapens heeft overgedragen terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt;

Feit 2: op 14 juli 2011 samen met een ander of anderen vuurwapens heeft overgedragen terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt;

Feit 3: op 30 januari 2012 samen met een ander of anderen een stroomstootwapen, een schietpen, een revolver en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 4: op 30 januari 2012 MDMA, amfetamine en cocaïne voorhanden heeft gehad;

Feit 5: in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 14 februari 2012 samen met een ander of anderen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf hennepstekken en/of hennepplanten heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad;

Feit 6: op 30 januari 2012 samen met een ander of anderen meerdere vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 7: in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012 deel heeft genomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had om misdrijven als bedoeld in artikel 11 van de Opiumwet te plegen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit op grond van onherstelbare vormverzuimen, te weten: het Talloncriterium is geschonden, er is sprake van infiltratie en niet van een pseudokoop en stelselmatige informatiewinning en de processen-verbaal van de begeleiding van de pseudokoper zijn onvoldoende betrouwbaar.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de start van het onderzoek rechtmatig is geweest. Het onderzoek is gestart op 7 juli 2010 op basis van CIE-informatie in combinatie met andere informatie over verdachte. Uit de systemen bleek dat er meer relevante informatie over verdachte bekend was, namelijk twee eerdere CIE-meldingen uit 2003 en antecedenten op het gebied van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. Deze informatie heeft geleid tot diverse machtigingen afluisteren telecommunicatie. Uit de telefoongesprekken volgen aanwijzingen dat verdachte zich schuldig maakt aan wapenhandel en aan het overtreden van de Opiumwet. Vervolgens is het middel van pseudokoop ingezet.

De rechtbank is van oordeel dat de inzet van de pseudokoper rechtmatig is geweest. Het bevel tot pseudokoop is gegeven op grond van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel vereist dat er sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering. Aan dit vereiste was naar het oordeel van de rechtbank op dat moment voldaan. Ook aan de andere vereisten van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering was voldaan.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er bij de uitvoering van de pseudokoop rechtmatig gehandeld is. De raadsman heeft gesteld dat de pseudokoper verdachte heeft gebracht tot strafbare feiten waarop zijn opzet niet reeds eerder was gericht. De raadsman heeft voorts gesteld dat de pseudokoper de grenzen van pseudokoop heeft overschreden, waardoor hij feitelijk geïnfiltreerd heeft, zoals bedoeld in artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering.

Infiltratie houdt in dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. De rechtbank overweegt dat daar in dit geval geen sprake van is. De pseudokoper heeft alleen contact gehad met verdachte en heeft geen medewerking verleend of deelgenomen aan een groep personen. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk geworden binnen welke groep geïnfiltreerd zou zijn volgens de raadsman. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

De rechtbank is voorts van oordeel dat artikel 126i lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, het zogenoemde Tallon criterium, niet is geschonden. De rechtbank overweegt daartoe dat reeds uit de CIE-informatie de verdenking ontstond dat verdachte betrokken is bij de handel in vuurwapens, maar dat ook uit de gesprekken die hij heeft gevoerd met de pseudokoper naar voren komt dat verdachte bezig is met de handel in wapens. Op een vraag van de pseudokoper of verdachte hem kan helpen, waarbij hij wijst naar een ketting van verdachte met een afbeelding van een vuurwapen zegt verdachte “that is my job. Ik weet wat je wilt en ik kan deze kamer vullen, je zou kunnen strijden in de oorlog in Afghanistan”. De rechtbank leidt hieruit af dat het opzet van verdachte reeds was gericht op het verkopen van wapens en ziet geen enkel aanknopingspunt in het dossier voor de veronderstelling dat de pseudokoper verdachte heeft gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds van tevoren was gericht. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer van de raadsman.

Ook het verweer van de raadsman dat de processen-verbaal van de begeleiders van de pseudokoper niet betrouwbaar zouden zijn, verwerpt de rechtbank. De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van deze processen-verbaal en ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de totstandkoming van de processen-verbaal onjuist zou zijn verlopen. Daarbij heeft verdachte ter zitting en bij de politie geen concrete voorbeelden gegeven van de door hem gestelde onbetrouwbaarheid van de processen-verbaal, terwijl deze processen-verbaal steeds verslagen over contacten met verdachte bevatten.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard worden, met uitzondering van het voorhanden hebben van een revolver onder feit 3.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, 2, 3, 6 en 7 vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 4 vrijspraak gevraagd voor de zaaksdossiers B12 en B13 en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van zaaksdossier B15.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zaaksdossier Vogel 02, vrijspraak gevraagd voor de zaaksdossiers Vogel 03, Vogel 05 en Vogel 07 en ten aanzien van Vogel 09, B01, B02 en B18 aangevoerd dat slechts het verstrekken van hennepstekken bewezen kan worden verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen - voor zover niet anders vermeld - naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van Politie Regio Utrecht, Onderzoek 094Vogel en het proces-verbaal van de Nationale Recherche, Onderzoek Vitruvius/Mona Lisa.

4.3.1 Vrijspraak

Feit 3

Partiële vrijspraak van het voorhanden hebben van een revolver

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet verdachte maar de vader van verdachte de revolver voorhanden heeft gehad en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Feit 4

Partiële vrijspraak van het aanwezig hebben van 130 gram cocaïne

In het dossier is niet vastgesteld dat het poeder dat is aangetroffen cocaïne bevat. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

4.3.2 Bewijsverweren

Feit 1 en feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat alle processen-verbaal die opgemaakt zijn door de begeleider van A-1952, B-1594, dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze niet betrouwbaar zijn. De raadsman heeft aangevoerd dat het niet valt uit te sluiten dat er fouten in de processen-verbaal terecht zijn gekomen, omdat deze op basis van notities in de Engelse taal zijn opgemaakt.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van deze processen-verbaal en ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de totstandkoming van de processen-verbaal onjuist zou zijn verlopen. Ook heeft verdachte ter zitting en bij de politie geen concrete voorbeelden gegeven van de door hem gestelde onbetrouwbaarheid van de processen-verbaal.

De rechtbank zal de processen-verbaal dan ook als bewijsmiddel gebruiken en komt tot een bewezenverklaring van zowel feit 1 als feit 2.

4.3.3 Het bewijs en de bewijsoverwegingen

Het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 (zaaksdossier Vogel 01)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

De levering op 29 juni 2011

Op 29 juni 2011 te Hoevelaken heeft [verdachte] vijf vuurwapens, scherpe patronen en een geluiddemper verkocht aan A-1952, in bijzijn van A-1972. Deze wapens bevonden zich in een laptoptas en zijn door verdachte aan A-1952 geleverd.

Uit forensisch onderzoek blijkt dat het de volgende goederen betreft:

- pistool, merk Bernadelli, kaliber 6,35 mm. Categorie III sub I van de Wet Wapens en Munitie;

- pistool, merk onbekend, automatic pistol cal. 6,35, kaliber 6,35 mm. Categorie III sub I van de Wet Wapens en Munitie;

- pistool, merk Reck, kaliber .22WMR. Categorie III sub I van de Wet Wapens en Munitie;

- pistool, merk Walther, kaliber 9mm. Categorie III sub I van de Wet Wapens en Munitie;

- pistool, merk BBM, model 315AUTO, kaliber 6,35 mm. Categorie III sub I van de Wet Wapens en Munitie;

- scherpe patronen. Categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- geluiddemper. Categorie I sub III van de Wet Wapens en Munitie.

De levering op 14 juli 2011

Op 14 juli 2011 omstreeks 19.50 uur te Hoevelaken heeft [verdachte] twee automatische vuurwapens, een patroonhouder en een patroongordel met munitie verkocht aan A-1952. Deze wapens bevonden zich in een canvas tas.

Uit forensisch onderzoek blijkt dat het de volgende goederen betreft:

- pistoolmitrailleur, model MP 40. Categorie II sub 2 (met klapkolf, Schmeiser) van de Wet Wapens en Munitie;

- pistoolmitrailleur, merk Auto-Ordnance. Categorie II sub 2. (Thompson submachine gun) van de Wet Wapens en Munitie;

- patroonhouder. Categorie III sub I van de Wet Wapens en Munitie;

- scherpe patronen, kaliber .303. Categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

[medeverdachte 4] (hierna te noemen: [medeverdachte 4]) heeft verklaard dat [verdachte] hem in de zomer enkele losse patroontjes heeft geleverd. [medeverdachte 4] heeft voorts verklaard dat hij op 14 juli 2011 mee is gegaan met [verdachte] naar een garage in Amersfoort, om te kijken of [verdachte] munitie voor hem had. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij daarover heeft gebeld met [verdachte]. [verdachte] haalde bij de garage tassen met wapens op. [verdachte] heeft twee tassen in de auto gezet en [verdachte] zei dat er een Tommy gun in de tas zat. Ook liet [verdachte] aan [medeverdachte 4] een Uzi zien. [medeverdachte 4] heeft voorts verklaard dat [verdachte] hem vertelde dat er die avond iemand voor de wapens zou komen en dat hij in de garage van alles had liggen. [verdachte] vertelde [medeverdachte 4] dat hij de garage beheerde voor de club. [medeverdachte 4] heeft gezien dat [verdachte] de sleutel had van de garage.

Een gewoonte maken van het verkopen van wapens

Op 14 april 2011 is A-1952 naar [verdachte] gegaan. A-1952 vertelde [verdachte] “ik was op je jas aan het kijken en wat er op stond en ook wat je om je nek hebt hangen en ik geloof dat dat mijn probleem oplost.” [verdachte] zei “ik begrijp wat je bedoelt, that is my job”. Vervolgens zei [verdachte] “ik weet wat je wilt en ik kan deze kamer vullen, je zou kunnen strijden in de oorlog in Afghanistan”. Vervolgens zei [verdachte] “maar het is op dit moment niet mogelijk, al mijn bikervrienden hebben mijn wapens afgepakt en verstopt.” Vervolgens legt [verdachte] aan A-1952 uit dat hij problemen heeft met zijn vrouw en dat hij belazerd is door een andere man. [verdachte] zegt “maar dingen veranderen mogelijk in 5 tot 8 uur. Als ik terug ga naar mijn vrouw en de dingen koelen af, dan retourneren ze naar mij en ik kan doorgaan met zaken doen. Ik heb je nummer en als je opgebeld wordt en ik zeg je Tony je auto is klaar, dat zal een code zijn voor ik heb iets voor je”.

Op 25 mei 2011 is A-1952 naar [verdachte] gegaan. [verdachte] vertelde A-1952 dat hij de prijzen niet weet en dat hij moet kijken. [verdachte] zei dat het afhangt waar ze vandaan komen, Rusland, Tsjechië of Hongarije, of ze nieuw zijn of gebruikt, of ze nummers hebben of niet en of ze schoon of gebruikt zijn. [verdachte] zei ook dat het van het aantal afhangt en noemde duizend als voorbeeld. Ook hangt het van het kaliber af zei [verdachte]. Tijdens het gesprek noemde [verdachte] dat alles beschikbaar is, vuurwapens, munitie en bodyprotectors. A-1952 zei vervolgens dat hij volgende week zal bellen en vroeg of hij naar auto’s, camera’s of nietmachines moet vragen. [verdachte] antwoordde dat het altijd goed is om over auto’s en auto-onderdelen te praten, omdat dat zijn handel is.

Op 29 juni 2011 is A-1952 opnieuw naar [verdachte] gegaan. Na de levering van de wapens, zoals hierboven vermeld, vroeg A-1952 aan [verdachte] of hij aan zwaardere wapens die snelvuur kunnen, kan komen. [verdachte] zei dat hij kan komen aan baby Uzi, Uzi, Mach10’s en Mauser.

Op 14 juli 2011 omstreeks 14.30 uur zijn A-1952 en A-1972 naar [verdachte] gegaan. [verdachte] zei dat hij om zes uur vanavond naar de plaats zou gaan waar ze zijn, om ze te bekijken. [verdachte] zei dat er een Tommygun is en hij denkt ook een Mauser uit de oorlog. [verdachte] zei dat hij volgende week iemand ging zien in Emmen die militaire wapens heeft met inklapbare kolf. [verdachte] zei dat hij vanavond zou bellen om te zeggen wat de staat en de prijs is. [verdachte] zei dat hij zou zeggen “Volvo” als het over de Tommygun gaat. [verdachte] zei vervolgens dat als er geen Tommygun zou zijn, hij iets over een Volkswagen of een Ford zou vertellen. [verdachte] zou om zes uur gaan kijken en weet dan om half zeven wat de prijs is.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde “terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt” het volgende. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte in ieder geval twee maal wapens heeft verkocht. Daarnaast blijkt uit de bewoordingen die [verdachte] heeft gebruikt in de gesprekken met A-1952 dat hij meerdere soorten wapens kon leveren, dat hij wapens in voorraad had, dat hij de prijs bepaalde en dat hij meerdere contacten had waar hij wapens haalde. Bovendien zegt [verdachte] tegen A-1952 dat het leveren van wapens zijn “job” is. De rechtbank stelt op grond van deze omstandigheden vast dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het overdragen van wapens.

Het bewijs ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier B13)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Op 30 januari 2012 wordt in de caravan van [verdachte] te [woonplaats] een stroomstootwapen, een schietpen en twee zakjes munitie aangetroffen.

Uit forensisch onderzoek blijkt dat het gaat om de volgende goederen:

- een stroomstootwapen, Categorie II van de Wet Wapens en Munitie;

- een schietpen, Categorie II van de Wet Wapens en Munitie;

- 37 scherpe kogelpatronen, Categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- één scherp 357 magnum hollownose kogelpatroon, Categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- 19 scherpe kogelpatronen, Categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

[verdachte] heeft verklaard dat de caravan die op 30 januari 2012 te [woonplaats]is doorzocht van hem is.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet wist dat de wapens en munitie in zijn caravan lagen en dat de mogelijkheid bestaat dat een ander deze daar heeft neergelegd. De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard dat de caravan van hem is. De wapens en munitie zijn in de caravan aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging dat misschien een ander in de caravan is geweest niet concreet is en daarmee niet geloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wist van de aanwezigheid van de wapens en acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het bewijs ten aanzien van feit 4 (zaaksdossiers B12 en B15)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Zaaksdossier B12

Op 30 januari 2012 wordt de woning van [verdachte] en [medeverdachte 5] (hierna te noemen: [medeverdachte 5]) aan het [adres] te [woonplaats] doorzocht.

In de woning wordt onder meer aangetroffen:

- 100 pillen;

- een zak met wit poeder.

Uit onderzoek blijkt dat de 100 pillen MDMA bevatten en dat de zak met wit poeder 250 gram amfetamine betreft.

Verdachte heeft verklaard dat de pillen van hem moeten zijn. Ook heeft verdachte verklaard dat de speed die is gevonden van hem moet zijn en dat hij verantwoordelijk is voor de aangetroffen drugs.

Zaaksdossier B15

Op 30 januari 2012 wordt de woning aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. Tijdens de zoeking wordt onder meer een plastic zak met versnijdingsmateriaal aangetroffen.

De woning aan de [adres] te [woonplaats] betreft de woning van de ouders van [verdachte].

Uit onderzoek van het NFI blijkt dat het poeder in de zak, 283 gram, positief is getest op ketamine en cocaïne bevat.

[verdachte] heeft verklaard dat als er bij zijn ouders nog drugs liggen, het van hem moet zijn.

Het bewijs ten aanzien van feit 5 (zaaksdossiers Vogel 02, Vogel 03, Vogel 05, Vogel 07, Vogel 09, B01, B02 en B18)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Algemene bewijsmiddelen

[verdachte] heeft verklaard dat hij in de wiethandel heeft gezeten.

[verdachte] heeft verklaard dat de telefoongesprekken in codetaal over hennep zouden kunnen gaan.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met tussenpozen bezig is geweest in de hennepteelt. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij wat aan tussenhandel heeft gepleegd met hennepstekken.

Vaststellen gebruikers telefoonnummers

Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] wisselend gebruik maakt van drie mobiele telefoonnummers, te weten [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is ook in gebruik bij [medeverdachte 5].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in gebruik bij [medeverdachte 3].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in gebruik bij [medeverdachte 7].

[medeverdachte 1] maakt gebruik van de telefoonnummers [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer].

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is van een onbekend gebleven gebruiker.

Zaaksdossier Vogel 02

Op 18 augustus 2010 te 12.17 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht van het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “ik heb een koper weet je al hoeveel je hebt en de prijs”.

Op 18 augustus 2010 te 21.09 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer], het mobiele nummer van [medeverdachte 5], een sms-bericht aan het nummer [telefoonnummer] met de tekst “1000 vrijdag edie”.

Op 19 augustus 2010 om 10.26 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht van het nummer [telefoonnummer] met de tekst “oke”.

Op 19 augustus 2010 te 10.55 uur belt [medeverdachte 5] naar [verdachte]. [medeverdachte 5] zegt dat die jongen waar [naam] voor had gebeld er is. [verdachte] spreekt vervolgens met de jongen zelf en zegt dat hij nog even zit te wachten en dat hij de jongen belt zodra hij er is.

Op 19 augustus 2010 te 12.30 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht van het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “Ik heb net overlegd je bestelling kan pas volgende week zaterdag”.

Op 21 augustus 2010 te 8.44 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “Laat even weten of die bestelling van zaterdag doorgaat gr [naam]”.

Op 25 augustus 2010 te 11.26 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “Nog 60 erby voor zaterdag gr e.a.”.

Op 27 augustus 2010 te 14.26 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “Levering morgen vroeg in de ochtend ik sms wel even een half uurtje van te voren”.

Op 27 augustus 2010 te 14.26 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan [medeverdachte 3] met de tekst “Levering morgen vroeg in de ochtend ik sms wel even een half uurtje van te voren”.

Door het observatieteam van de politie wordt op 28 augustus 2010 omstreeks 9.55 uur waargenomen dat [medeverdachte 3] in een Citroën met kenteken [kenteken] vanuit het woonwagenkamp aan het [adres] te [woonplaats] weg rijdt. [medeverdachte 3] stopt bij een parkeerplaats van sportpark Zielhorst, gelegen aan de Rondweg Oost te Amersfoort, ter hoogte van voetbalvereniging Cobu Boys. Omstreeks 10.12 uur komt een bestelauto, merk Mercedes Benz, type Vito, het sportpark oprijden. De Mercedes wordt naast de Citroën geparkeerd. De achterportieren van de laadruimte van de Mercedes en de Citroën zijn geopend en [medeverdachte 3] en de bestuurder van de Mercedes staan aan de achterzijde van beide voertuigen. Vier a vijf bruine dozen met een afmeting van 40 x 50 centimeter worden vanuit de Mercedes in de laadruimte van de Citroën geplaatst. De Citroën met daarin [medeverdachte 3] rijdt omstreeks 10.20 uur weg van het sportpark te Amersfoort. Omstreeks 10.26 uur rijdt de Citroën het woonwagenkamp aan het [adres] te [woonplaats] op.

Op 30 augustus 2010 te 10.59 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] aan [medeverdachte 3] een sms-bericht met de tekst “morgen 400 laat even weten of dat goed is”.

Op 30 augustus 2010 te 11.03 uur stuurt [medeverdachte 3] aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht met de tekst “is goed. Plus tweehonderd tachtig. Lukt dat!? Groetjes”.

Op 30 augustus 2010 stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht met de tekst “Nog een x 450 voor morgen gr e.a.”.

Op 31 augustus 2010 te 10.58 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “Half 12 levering op afgesproken plaats”.

Op 31 augustus 2010 te 11.07 uur stuurt [medeverdachte 3] een sms-bericht aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “Kan het bij de wagen in de blauwe bus? Ik ben wat later terug. [naam] is rond twaalf uur bij de wagen. Oke!? Gr.”.

Op 31 augustus 2010 te 11.09 uur belt het nummer eindigend op [telefoonnummer], op dat moment in gebruik bij [medeverdachte 5], met [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] zegt “Goedemorgen. Hee uh, [naam] zou om een uurtje of half twaalf bij de wagen zijn. Toen heb ik hem een berichtje gestuurd, uh dat je rond twaalf uur weer terug zou zijn zo’n beetje.” [medeverdachte 5] geeft vervolgens aan dat het goed is. [medeverdachte 3] vraagt of het allemaal goed gaat en [medeverdachte 5] antwoordt dat alles op schema ligt.

Op 31 augustus 2010 te 11.42 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan [medeverdachte 3] met de tekst “Staan in bus [naam] was er niet waar kan ik straks het geld halen”.

Op 31 augustus 2010 te 13.00 uur belt [medeverdachte 5] opnieuw met [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] zegt dat [naam] er om half twee is. [medeverdachte 5] zegt dat het goed is.

Op 31 augustus 2010 te 13.24 uur belt [verdachte] naar het nummer eindigend op [telefoonnummer], op naam van [medeverdachte 7]. [verdachte] zegt “jouw spullen zijn gearriveerd”.

Op 31 augustus 2010 te 13.26 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 5]. [verdachte] zegt dat hij waarschijnlijk al is geweest, want hij keek net in de bus. [medeverdachte 5] zegt dat [naam] onderweg is.

Op 31 augustus 2010 te 18.16 uur stuurt het nummer eindigend op [telefoonnummer] een sms-bericht aan het nummer eindigend op [telefoonnummer] met de tekst “oke dank je maandag staan die 450 in bestelling”.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij wel een paar keer hennepstekken heeft opgehaald voor [verdachte] en [medeverdachte 5].

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier Vogel 03

Op 12 november 2010 te 16.18 uur wordt [verdachte] gebeld door een man die [F] wordt genoemd. [verdachte] zegt “En maandag, en maandag is dat uh gereedschap er voor jou en [naam]. Wat ik zou regelen en die komt ie maandag uh, komt die dat gereedschap brengen.” [F] zegt dat het goed is.

Op 15 november 2010 te 13.51 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1] en vraagt [medeverdachte 1] of [verdachte] zit te wachten op onderdelen. [verdachte] bevestigt dit. [medeverdachte 1] zegt dat het die avond of de volgende dag wordt.

Op 16 november 2010 te 11.34 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht aan [verdachte] dat hij er zo aan komt voor de onderdelen.

Het observatieteam neemt waar dat er op 16 november 2010 te 17.09 uur een Volvo met kenteken [kenteken] op naam van [medeverdachte 7] op het bedrijfsterrein van [verdachte] staat geparkeerd. Omstreeks 17.20 uur neemt het observatieteam waar dat een man in de Volvo stapt, over het terrein rijdt en aan de zijkant van het autobedrijf [bedrijf] parkeert. Omstreeks 17.21 uur komt [verdachte] met een doos in zijn handen uit het autobedrijf [bedrijf] lopen in de richting van de Volvo. [verdachte] legt de doos in de kofferbak van de Volvo en loopt terug naar het autobedrijf. De doos heeft een afmeting van 20x30x50 centimeter. Omstreeks 17.23 uur komt [verdachte] opnieuw naar buiten en legt een pvc-buis in de Volvo. Omstreeks 17.24 uur rijdt de onbekende man het terrein af met de Volvo. [verdachte] rijdt achter de Volvo aan in een Ford Ka.

Tijdens het politieverhoor zijn de bevindingen van het observatieteam aan [verdachte] voorgehouden. [verdachte] heeft verklaard dat in een doos met de afmetingen 20x30x50 centimeter 80 tot 100 stekken gaan.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier Vogel 05

Op 17 januari 2011 te 14.04 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1]. [verdachte] vraagt of het een beetje wil lukken. [medeverdachte 1] zegt dat hij woensdag naar Steenwijk gaat en dan die [naam] bellen en dan halen ze hem maar op en dan laat [medeverdachte 1] het naar [verdachte] brengen. [verdachte] zegt dat het goed is. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] er maar vanuit moet gaan dat het donderdag op zijn terrein staat. Later in het gesprek vraagt [verdachte] of [medeverdachte 1] nog wat gehoord heeft van die jongen. [medeverdachte 1] zegt dat hij het morgenvroeg hoort. [verdachte] zegt dat hij anders wat anders moet gaan regelen.

Op 18 januari 2011 te 11.39 uur stuurt [medeverdachte 1] twee sms-berichten aan [verdachte] met de tekst “Gaat echt niet lukken zit op dit moment te laag met mijn productie” en de tekst “gr [medeverdachte 1]”.

Op 26 januari 2011 te 15.29 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte]. [verdachte] vraagt “(…) Dus ja.. eeh jij redt het jij redt het niet eventueel voor 360? Als je begrijpt wat ik bedoel”. [medeverdachte 1] zegt “Eeeehh even kijken ja ik begrijp heel goed wat je bedoelt eeh wanneer wil je ze hebben? Gisteren wil je het werk hebben zeker?”. [verdachte] zegt “Eeh ja, maar morgen mag ook”. [medeverdachte 1] zegt “Eeh nou ik kan je nu zeggen, het wordt morgen of vrijdag 100 procent 100 procent”. [medeverdachte 1] zegt later “100 procent vrijdag” en “dan wordt het vrijdag rond een uur of tien elf denk ik, wanneer jij daar open, wanneer wanneer ben je open daar?”. [verdachte] zegt dat hij er vrijdagmorgen al vroeg is.

Op 27 januari 2011 te 11.21 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte]. [verdachte] zegt dat de auto van [medeverdachte 1] klaar is. [medeverdachte 1] is er rond een uur of één. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 1] de aanhanger gelijk achter kan laten, zodat hij er gelijk naar kan kijken. [medeverdachte 1] zegt dat ie die gelijk meeneemt. [medeverdachte 1] zegt dat hij van de [verdachte] morgen wel ziet. [medeverdachte 1] beaamt dat alles voor elkaar is en komt morgen om tien elf uur.

Op 31 januari 2011 te 14.07 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat het zeker morgen vroeg wordt. [verdachte] vraagt “Ja eh 180 100 he?”. [medeverdachte 1] zegt “ja ja ja ja”.

Op 31 januari 2011 te 16.15 uur belt [verdachte] naar een onbekende man en zegt dat de spullen die hij besteld heeft er morgen rond een uur of elf zijn. De onbekende man zal [naam] vragen of hij ze oppikt.

Op 1 februari 2011 te 13.15 uur belt [verdachte] met een man die zich [naam] noemt. [naam] zegt dat hij gehoord heeft dat de auto-onderdelen binnen zijn gekomen. [verdachte] beaamt dat, de onderdelen liggen op de zaak. [naam] stuurt vanmiddag iemand om ze op te pikken.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011 samen met een ander hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier Vogel 07

Op 7 mei 2011 te 10.49 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij nog onderdelen voor [verdachte] heeft.

Op 10 mei 2011 te 13.44 uur belt [verdachte] opnieuw met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft aan dat deze er niet uit zien en zegt dat [verdachte] vrijdag gewoon nieuwe onderdelen krijgt.

Het observatieteam ziet op camerabeelden dat op 13 mei 2011 te 14.28 uur een auto, merk Renault, type Kangoo, met kenteken [kenteken], op naam van [medeverdachte 6], in de richting van het bedrijfsterrein van [verdachte] rijdt. Om 14.56 uur verlaat de auto het terrein weer.

[medeverdachte 1] is getrouwd met [medeverdachte 6] en zij wonen samen op de [adres] in [woonplaats].

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij in een zwarte Chrysler 300 rijdt en dat ze (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6]) ook een blauw/groene Renault Kangoo hebben.

Op 13 mei 2011 te 16.24 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 7] en zegt dat hij die 90 dingetjes in zijn auto heeft staan en dat de sleutels erin zitten. Dus die doosjes staat acht erin.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Vogel 09

[verdachte] belt op 22 maart 2011 te 13.04 uur met [G]. [G] bestelt LED verlichting, 350 stuks, voor de zijkant van zijn auto. Hij wil ze op 4 april hebben.

Op 22 maart 2011 te 13.57 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1] en zegt dat hij 350 borrels nodig heeft voor een feestje op 4 april.

Op 29 maart 2011 te 10.07 uur belt [verdachte] met [G] die vraagt wat de LED lampjes kosten, [verdachte] zegt gewoon een knaak en zegt dat dat andere allemaal rond is.

Op 12 mei 2011 omstreeks 10.00 uur wordt een onderzoek ingesteld in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In deze woning wordt een hennepkwekerij met 16 planten ontmanteld.

Op 12 mei 2011 te 10.26 uur belt [G] met [verdachte] en vertelt dat ze erbij zijn. [verdachte] zegt dat het maatje van [G] het bij zichzelf moet houden en [G] er niet bij moet lappen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier B01

Op 17 december 2011 is de woning aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. De bewoner van de woning is [A]. Hier wordt een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 560 hennepplanten.

In de woning worden [verdachte], [A], [B], [C], [D] en [E] aangetroffen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij [A] kent en dat hij op verzoek van [A] knippers voor de hennepkwekerij heeft geregeld. [verdachte] heeft voorts verklaard dat hij op 17 december 2011 met de vrouwen naar de woning is gereden, dat de vrouwen zijn gaan knippen en dat hij en [A] de planten hebben los getrokken.

[verdachte] heeft verklaard dat het klopt dat [medeverdachte 1] stekken aan hem leverde en dat hij ze aan [A] leverde.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 13 december 2011 tot en met 17 december 2011 samen met anderen hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier B02

Op 7 mei 2011 te 10.49 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij nog onderdelen voor [verdachte] heeft.

Op 10 mei 2011 te 13.44 uur belt [verdachte] opnieuw met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] geeft aan dat deze er niet uit zien en zegt dat [verdachte] vrijdag gewoon nieuwe onderdelen krijgt.

Het observatieteam ziet op camerabeelden dat op 13 mei 2011 te 14.28 uur een auto, merk Renault, type Kangoo, met kenteken [kenteken], op naam van [medeverdachte 6], in de richting van het bedrijfsterrein van [verdachte] rijdt. Om 14.56 uur verlaat de auto het terrein weer.

Op 13 mei 2011 te 16.24 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 7] en zegt dat hij die 90 dingetjes in zijn auto heeft staan en dat de sleutels erin zitten.

Op 11 januari 2012 omstreeks 08.05 uur wordt de woning van [medeverdachte 7] aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. In de woning wordt een hennepplantage aangetroffen, die kennelijk enkele dagen daarvoor was geoogst.

Op 11 januari 2012 te 12.56 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] die zegt dat de man van dat vloertje van 80m2 er voorlopig niet is.

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij een hennepkwekerij had en dat hij zelf de planten heeft geknipt en geoogst. Er stonden 80 planten in de hennepkwekerij.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012 samen met anderen hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Zaaksdossier B18

Op 14 februari 2012 wordt de woning aan de [adres] te [woonplaats] doorzocht. [F] is de bewoner van deze woning. In de woning wordt een hennepkwekerij aangetroffen met 16 planten.

Op 21 september 2011 te 14.55 uur belt [F] naar [verdachte]. [F] vraagt of [verdachte] nog boutjes heeft. [verdachte] zegt “ja ik zeg .. eeehh”. [F] zegt “Ja, ja, wat jij altijd heb in de in die flesjes”. [verdachte] geeft aan dat hij daar nog wel van heeft en [F] zegt dat hij morgen langs komt.

Op 21 september 2011 te 14.57 uur belt [F] naar [verdachte]. [F] zegt “ik zat effe te denken, moet die grote moet hebben, centimeter of 10, 15. Lange bouten had ik nodig”. [verdachte] zegt dat hij morgen maar even langs moet komen.

Op 14 november 2011 te 13.50 uur belt [F] naar [verdachte]. [F] zegt dat hij 15 rvs-boutjes nodig heeft om een bank in elkaar te schroeven. [verdachte] zegt dat hij die boutjes nog niet binnen heeft en daar voor moet bellen. [verdachte] zegt dat hij [F] wel een belletje geeft als de boutjes er zijn.

Op 23 november 2011 te 16.38 uur belt [F] naar [verdachte] en vraagt of hij al iets weet. [verdachte] zegt dat hij nog geen belletje terug heeft en dat hij zelf ook nog van die steeksleutels moet hebben. [verdachte] zegt dat hij het laat weten als hij wat hoort. Vervolgens zegt [verdachte] “als ie die 15… heb dan bel ik je gelijk op”.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 september 2011 tot en met 14 februari 2012 samen met een ander hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5

Bij de bewezenverklaring van de zaaksdossiers Vogel 02, Vogel 03, Vogel 05, Vogel 07, Vogel 09, B01, B02 en B18 heeft de rechtbank de omstandigheid in aanmerking genomen dat het soortgelijke feiten betreft, te weten de handel in hennep. In onderling verband en samenhang bezien stelt de rechtbank vast dat de telefoongesprekken en sms-berichten die als bewijsmiddel zijn gebruikt over hennep gaan. De rechtbank overweegt dat het steeds feiten betreft met een soortgelijke handelswijze, waarbij in codetaal over hennep wordt gesproken.

Voor de overtuiging dat [verdachte] alle onder feit 5 genoemde feiten heeft begaan, weegt de rechtbank mee dat hij heeft verklaard dat hij wel eens in hennep heeft gehandeld, maar dat hij niet meer precies weet welke gesprekken gaan over hennep en welke niet. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat hij wel eens hennepstekken heeft afgenomen bij [medeverdachte 1], welke hij weer geleverd heeft aan anderen. Ook weegt de rechtbank mee de verklaring van [medeverdachte 3], die heeft verklaard dat hij meerdere malen hennepstekken heeft opgehaald voor [verdachte] en [medeverdachte 5].

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] in hennep heeft gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, gelet op de hoeveelheid, de mate van professionaliteit en de duur waarin [verdachte] zich bezig heeft gehouden met hennep.

Het bewijs ten aanzien van feit 6 (zaaksdossier B10)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op grond van navolgende bewijsmiddelen.

Op 30 januari 2012 wordt de garagebox aan de [adres] te [woonplaats] (Amersfoort) doorzocht.

Aangetroffen wordt onder meer:

- revolver, merk Toschi Casteli, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- gaspistool, merk perfecta, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- twee pistolen, merk Walther P38, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- pistool, merk Mauser, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- pistool, merk BBM, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- twee grendelgeweren, kaliber 7.62, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;

- twaalf patroonmagazijnen;

- munitie: 5 gaspatronen en meer dan 40 kilo diverse kalibers, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

Op 14 juli 2011 omstreeks 17.52 uur wordt er door het observatieteam van de politie waargenomen dat [verdachte] een man ophaalt en dat zij rijden naar de garagebox aan de [adres] te [woonplaats]. Daar ontmoeten zij een derde man. Deze derde man komt aanlopen uit de richting van een auto, een Ford Fiesta met kenteken [kenteken]. Deze derde man rijdt later ook weg met deze auto.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat [verdachte] hem op 14 juli 2011 heeft opgehaald en dat hij samen met [verdachte] naar een garage is gegaan. [medeverdachte 4] heeft voorts verklaard dat [verdachte] hem vertelde dat hij in de garage van alles had liggen, dat hij de garage voor de club beheerde en dat [verdachte] een sleutel had van de garagebox.

De Ford Fiesta met kenteken [kenteken] staat op naam van [medeverdachte 2].

[naam] heeft verklaard dat hij de huurder is van de garagebox aan de [adres] te [woonplaats]. [naam] heeft voorts verklaard dat hij een sleutel heeft van de box en dat daar spullen van hem liggen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 6

De rechtbank overweegt dat op basis van de bewijsmiddelen is vast te stellen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [naam] de bovengenoemde wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Het verweer van de verdediging omtrent feit 6 is door de bewijsmiddelen reeds verworpen en behoeft geen verdere bespreking.

Het bewijs ten aanzien van feit 7 (zaaksdossier B07)

Verdachte wordt deelname verweten aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 11 van de Opiumwet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een groep personen, te weten [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3], zich in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012 hebben bezig gehouden met de handel in hennep in de breedste zin van het woord. De rechtbank verwijst voor de bewijsmiddelen naar de zaaksdossiers Vogel 02, Vogel 03, Vogel 05, Vogel 07, Vogel 08, Vogel 09, B01, B02, B03, B05, B07 en B18.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 7

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een criminele organisatie op grond van het navolgende.

Volgens de huidige jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008, 72) moet onder een criminele organisatie worden verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon’. Om als deelnemer aangemerkt te worden, hoeft niet vast te komen staan dat de betreffende persoon bekend is/moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Wel moet vast komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Overigens is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (zie Hoge Raad 15 juni 2010, NJ 2010, 357). Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunen (zie onder andere Hoge Raad 3 juli 2012, LJN: BW5161). Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] deel hebben genomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd en hebben ieder een aandeel gehad in, dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank overweegt daartoe dat [verdachte] meermalen hennepstekken heeft afgenomen bij [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] leverde de hennepstekken en werkte samen met zijn vrouw [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] heeft [medeverdachte 1] meermalen geholpen met planten water geven en knippen. Ook is in de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] handgeschreven administratie aangetroffen, waarvan [medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij die geschreven heeft. Uit deze administratie blijkt haar betrokkenheid bij meerdere hennepkwekerijen.

[verdachte] werkte voor wat betreft de hennephandel samen met zijn vrouw [medeverdachte 5]. Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte 5] contacten had met de afnemer dan wel leverancier van de hennepstekken en ook dat zij knippers regelde voor in een hennepkwekerij. [medeverdachte 3] heeft een aandeel gehad in het samenwerkingsverband door meermalen hennepstekken op te halen dan wel af te leveren voor [verdachte] en [medeverdachte 5]. [verdachte] heeft hennepstekken geleverd aan [medeverdachte 7] die in zijn woning een hennepkwekerij aanwezig had en meermalen hennep heeft geteeld.

De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn met bovengenoemde overwegingen eveneens verworpen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 29 juni 2011 in Nederland, vuurwapens van categorie III , te weten:

-een pistool, merk Bernadelli, kaliber 6,35mm en

-een pistool, merk onbekend, kaliber 6,35mm, en

-een pistool, merk Reck, kaliber .22WMR, en

-een pistool, merk Walther, kaliber 9mm, en

-een pistool, merk BBM, kaliber 6,35mm, en

munitie van categorie III, te weten:

-5 scherpe patronen (kaliber 6,35mm) en

-5 doosjes van 25 scherpe patronen van het kaliber 6,35mm en

-1 doosje van 13 scherpe patronen van het kaliber 6,35 mm en

-1 doosje van 25 scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger en

-3 scherpe patronen kaliber (6,35 mm),

heeft overgedragen en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte daar een gewoonte van heeft gemaakt;

2.

op 14 juli 2011 in Nederland, vuurwapens van categorie II en III, te weten:

-een pistoolmitrailleur, model MP 40 en

-een pistoolmitrailleur, merk Auto-Ordnance en

-een patroonhouder, en

munitie categorie III, te weten:

-50 scherpe patronen kaliber .303

heeft overgedragen en voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte daar een gewoonte van heeft gemaakt;

3.

ZAAKSDOSSIER B13

op 30 januari 2012 te Stoutenburg Noord en Amersfoort, wapens van categorie II en III, te

weten:

-een stroomstootwapen merk Titan, en

-een schietpen van het kaliber .22, en

en munitie categorie III, te weten:

-37 scherpe patronen kaliber .22 LR, en

-1 scherp patroon kaliber 357Magnum, en

-19 scherpe patronen kaliber 9x19,

voorhanden heeft gehad;

4.

ZAAKSDOSSIERS B12 EN B15

op 30 januari 2012, te Hoogland en/of Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (ZD B12) een hoeveelheid van ongeveer 100 pillen van een materiaal bevattende MDMA en een zak met wit poeder van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en

- (ZD B15) 280 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

5.

op meer tijdstippen in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 14 februari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht en/of Huizen, in elk geval in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf,

- (ZD VOG02) in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, een aantal van ongeveer 1680 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD VOG03) in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010, een aantal van ongeveer 80 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD VOG05) in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011, een aantal van ongeveer 540 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en geteeld, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD VOG07) in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011, een aantal van ongeveer 90 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD VOG09) in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011, een aantal van ongeveer 350 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD B01) in de periode van 13 december 2011 tot en met 17 december 2011, een aantal van ongeveer 500 hennepstekken, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD B02) in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012, een hoeveelheid hennep van meer dan 30 gram, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt

en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- (ZD B18) in de periode 1 september 2011 tot en met 14 februari 2012 een hoeveelheid van ongeveer 16 hennepplanten, zijnde hennep telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk anwezig heeft gehad;

6.

op 30 januari 2012, te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander,

vuurwapens van categorie III , te weten:

-een revolver, merk Toschi Casteli, kaliber 10.5mm, en

-een gaspistool, merk Perfecta, kaliber 8mm, en

-twee pistolen, merk Walther P38, kaliber 9mm, en

-een pistool, merk Mauser, kaliber 9mm, en

-een pistool, merk BBM, kaliber 6.35, en

-twee grendelgeweren, kaliber 7.62x51mm, en

-twaalf patroonmagazijnen, en

munitie van categorie III, te weten:

-vijf scherpe patronen, te weten CS gaspatronen kaliber 8mm, en

- een grote hoeveelheid (meer dan 40 kilo) scherpe patronen van diverse

kalibers,

voorhanden heeft gehad;

7.

op meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder meer hem zelf, verdachte en meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1 en feit 2: telkens: Handelen in strijd met artikel 31, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie;

Feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd;

Feit 4: Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 5: Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 6: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie;

Feit 7: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, lid 3 en lid 5 van de Opiumwet.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven dan wel geschorst en heeft verder geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overdragen en vervoeren van (automatische) vuurwapens en heeft daar naar het oordeel van de rechtbank een gewoonte van gemaakt. Ook heeft verdachte een grote hoeveelheid wapens en munitie voorhanden gehad.

Het voorhanden hebben en het overdragen van (automatische) vuurwapens levert gevaar op voor de maatschappij. De kans is zonder meer aanwezig dat van deze wapens op zeer gevaarzettende wijze gebruik zou worden gemaakt. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het gevaar van het ongecontroleerde bezit van wapens voor onze samenleving. Voorts heeft verdachte geen blijk gegeven van enig inzicht in de ernst van deze feiten en heeft hij geen verantwoordelijkheid willen nemen voor de mogelijke gevolgen.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs, het handelen in hennep en aan deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met grootschalige hennepteelt- en handel. De rechtbank ziet verdachte als de persoon die een centrale rol speelde in de criminele organisatie.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het op de markt brengen van drugs schadelijk is voor de volksgezondheid en dat daarmee de verslavingsproblematiek met alle daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. De drijfveer van verdachte lijkt enkel financieel gewin te zijn geweest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal daarom conform de eis aan verdachte 5 jaren gevangenisstraf met aftrek van de duur van het voorarrest opleggen.

9. Het beslag

Onttrekking aan het verkeer

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- een stroomstootwapen;

- munitie;

- een schietpen.

De rechtbank zal de onder verdachte in beslag genomen goederen onttrekken aan het verkeer, nu deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 en feit 2: telkens: Handelen in strijd met artikel 31, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie;

Feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd;

Feit 4: Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 5: Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 6: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet Wapens en Munitie;

Feit 7: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, lid 3 en lid 5 van de Opiumwet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een stroomstootwapen;

- munitie;

- een schietpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2013.

Mr. Vanwersch is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2011 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in

elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging

met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van

categorie II , te weten:

-een pistool, merk Bernadelli, kaliber 6,35mm en/of

-een pistool, merk onbekend, kaliber 6,35mm, en/of

-een pistool, merk Reck, kaliber .22WMR, en/of

-een pistool, merk Walther, kaliber 9mm, en/of

-een pistool, merk BBM, kaliber 6,35mm,

en/of munitie van categorie II, te weten:

-5, althans een of meer, scherpe patronen (kaliber 6,35mm) en/of

-5 doosjes van 25 scherpe patronen,althans een of meer, van het kaliber 6,35mm

en/of

-1 doosje van 13 scherpe patronen,althans een of meer, van het kaliber 6,35 mm

en/of

-1 doosje van 25 scherpe patronen,althans een of meer, van het kaliber 9mm

Luger en/of

-3, althans een of meer, scherpe patronen kaliber (6,35 mm),

heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en/of

die ander(en) daar een gewoonte van heeft/hebben gemaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven;

Artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 jo 55 lid 4 WWM

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

2.

hij op of omstreeks 14 juli 2011 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in

elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging

met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van

categorie III, te weten:

-een pistoolmitrailleur, model MP 40 en/of

-een pistoolmitrailleur, merk Auto-Ordnance en/of

-een patroonhouder,

en/of munitie categorie III, te weten:

-50, althans een of meer, scherpe patronen kaliber .303

heeft/hebben overgedragen en/of voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij,

verdachte en/of die ander(en) daar een gewoonte van heeft/hebben gemaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven;

Artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 WWM

art 31 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

ZAAKSDOSSIER B13 EN B15

hij op of omstreeks 30 januari 2012 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, een of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en/of III, te

weten:

-een stroomstootwapen merk Titan, en/of

-een schietpen van het kaliber .22,en/of

- een revolver (B15)

en/of munitie categorie III, te weten:

-37, althans een of meer, scherpe patronen kaliber .22 LR, en/of

-1 scherp patroon kaliber 357Magnum, en/of

-19, althans een of meer, scherpe patronen kaliber 9x19,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven

art 9 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

ZAAKSDOSSIERS B12, B13 EN B15

hij op of omstreeks 30 januari 2012, te Hoogland en/of Stoutenburg Noord en/of

Amersfoort, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (ZD B12) een hoeveelheid van ongeveer 100 tabletten/pillen en/of een zak met

wit poeder (in totaal ongeveer 250 gram), in elk geval een hoeveelheid, van

een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen

krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en/of

- (ZD B13) een zakje met wit poeder (in totaal ongeveer 130 gram), in elk

geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen

krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en/of

- (ZD B15) 280 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van

artikel 2 van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 augustus

2010 tot en met 14 februari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of

Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht en/of Huizen, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), althans alleen,in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf,

- (ZD VOG02) in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010,

een aantal van ongeveer 1680, althans 1000, althans een of meer,

hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid,

zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,en/of

- (ZD VOG03) in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010,

een aantal van ongeveer 80 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een

hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid

en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben

gehad, en/of

- (ZD VOG05) in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011, een

aantal van ongeveer 540, althans 360, althans 180, althans een of meer,

hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid,

zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- (ZD VOG07) in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011, een aantal

van ongeveer 90 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een hoeveelheid

van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,

en/of

- (ZD VOG09) in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011, een

aantal van ongeveer 350, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of

hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk

heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- (ZD B01) in de periode van 13 december 2011 tot en met 17 december 2011, een

aantal van ongeveer 500, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of

hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens)

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk

heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft/hebben

gehad,en/of

- (ZD B02) in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012, een

hoeveelheid van ongeveer 896 gram hennep, althans een grote hoeveelheid,

zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- (ZD B18) in de periode 1 september 2011 tot en met 14 februari 2012 een

hoeveelheid van ongeveer 16 hennepplanten, zijnde hennep (telkens) een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft/hebben

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft/hebben gehad,

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 30 januari 2012, te Amersfoort, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),

althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III , te weten:

-een revolver, merk Toschi Casteli, kaliber 10.5mm, en/of

-een gaspistool, merk Perfecta, kaliber 8mm, en/of

-twee pistolen, merk Walther P38, kaliber 9mm, en/of

-een pistool, merk Mauser, kaliber 9mm, en/of

-een pistool, merk BBM, kaliber 6.35, en/of

-twee grendelgeweren, kaliber 7.62x51mm, en/of

-twaalf patroonmagazijnen, en/of

munitie van categorie III, te weten:

-vijf, althans een of meer, scherpe patronen, te weten CS gaspatronen kaliber

8mm, en/of

-een grote hoeveelheid (meer dan 40 kilo) scherpe patronen van diverse

kalibers, en/of;

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

7.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010

tot en met 30 januari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of

Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft

deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf,

verdachte en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven,als

bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

artikel 11a Opiumwet

art 11a lid 1 Opiumwet