Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1018

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
828170 AC EXPL 12-5216 4091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 828170 AC EXPL 12-5216 4091

vonnis van 30 januari 2012

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [gedaagden c.s.],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. O. Planten.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 10 oktober 2012.

[eiseres] heeft voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht.

[gedaagden c.s.] heeft voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht.

De comparitie is gehouden op 30 november 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1.1.

Tussen partijen staat vast omdat het is erkend althans niet of onvoldoende weersproken en mede op grond van de overgelegde producties waarvan de inhoud in zoverre niet wordt betwist dat [eiseres] is geboren op [1960] en op 1 oktober 1997 voor onbepaalde tijd in dienst is getreden bij [gedaagden c.s.] in de functie van administratief medewerkster. Laatstelijk vervulde zij de rol van administratief ondersteuner tegen een laatstelijk verdiend salaris van € 1.792,39 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag. De afdeling administratieve ondersteuning is opgeheven en bestond uit drie medewerkers, onder wie [eiseres]. De afdeling financial planners bestond tot 1 mei 2012 uit vier medewerkers. Daarnaast is er nog een medewerker voor financiële zaken, organisatie en pensioen en een adviseur binnendienst schadeverzekeringen. Ten slotte is een receptioniste/telefoniste in dienst.

1.2.

Op 12 oktober 2011 heeft [gedaagden c.s.] een verzoek tot toestemming om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen ingediend bij UWVWerkbedrijf. Deze heeft op 7 december 2011 toestemming verleend. De arbeidsovereenkomst is opgezegd per 1 maart 2012.

1.3.

[gedaagden c.s.] is een vennootschap onder firma, opgericht in 1995, vanaf 1997 uitgegroeid tot een bedrijf met 10 werknemers, onder wie niet de directie. Belangrijkste bron van inkomsten is het verzorgen van hypotheken en het verstrekken van hypotheekadvies en op beperktere schaal het genereren van provisie-inkomsten uit beleggingenverzekeringen.

2.

[eiseres] vordert dat bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt verklaard voor recht dat het door [gedaagden c.s.] aan [eiseres]es gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en dat [gedaagden c.s.] veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag van € 22.009,22 bruto ter zake van kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente over € 22.009,22 met ingang van 16 december 2011 althans een latere datum. Voorts vordert [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.190,- en veroordeling van [gedaagden c.s.] in de proceskosten.

Aan deze vordering wordt ten grondslag gelegd dat het ontslag kennelijk onredelijk is zowel ten gevolge van een voorgewende of valse reden, als wel omdat de gevolgen van de opzegging voor [eiseres] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Ook wordt gevorderd dat een schadevergoeding door [gedaagden c.s.] wordt betaald.

3.

[gedaagden c.s.] voert verweer waarop de kantonrechter indien nodig hieronder terugkomt.

Sinds 2008 is de woningmarkt zo goed als gestagneerd. Door verscherpte regelgeving ziet deze er in 2012 zeer somber uit. De concurrentie in een krappere markt wordt groter en de marges komen verder onder druk te staan. Vanaf 2013 wordt provisie op complexe financiële producten waaronder hypotheken, inkomensverzekeringen en pensioenen, wettelijk helemaal verboden. Door een samenloop van de dalende woningmarkt en de terugloop van hypotheekinkomsten ziet [gedaagden c.s.] haar grootste inkomensbron al veel langer drastisch teruglopen. Bovendien leidt het verscherpte toezicht van AFM tot hogere kosten. Vanaf 2011 is de omzet helemaal ingestort.

Maatregelen die genomen zijn houden in dat de gehele afdeling administratieve ondersteuning is opgeheven. De afdeling financiële planning heeft in de loop der jaren door de vermindering van werkzaamheden meer tijd beschikbaar gekregen om administratieve werkzaamheden op zich te nemen die tot dan toe door de afdeling administratieve ondersteuning werden gedaan.

Ter onderbouwing zijn - ook bij UWV Werkbedrijf - overgelegd een personeelsoverzicht, de verwachte omzet van 2011, omzetgegevens over 2010 en 2011, liquiditeitsprognose met en zonder ingrijpen, jaarrekeningen 2008, 2009 en 2010, informatie inzake de ontwikkeling van de woningmarkt en de financiële cijfers tot en met oktober 2008, 2009, 2010 en 2011.

Betwist wordt dat er sprake is van een voorgewende reden. De functie van [eiseres] kan niet onderling uitwisselbaar worden beschouwd met de functie van receptioniste/telefoniste. [eiseres] heeft niet gesteld en evenmin aannemelijk gemaakt dat ze in het geheel geen betaald werk kan vinden. Betwist wordt dat het gezien de leeftijd en de huidige arbeidsmarktpositie lastig voor haar is om een nieuwe dienstbetrekking te vinden. Er zijn onvoldoende financiële middelen voor een voorziening, anders dan een uit coulance al betaalde maand loon. Teleurstelling is geen grond voor het toekennen van enig bedrag aan schade.

4.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Voorgewende of valse reden.

Door eisende partij is aangevoerd dat [gedaagden c.s.] doelbewust valse althans onvolledige informatie heeft verstrekt aan het UWV zodat de toepassing van het afspiegelingsbeginsel omzeild zou worden. Als gevolg van het verstrekken van deze valse althans onvolledige informatie heeft het UWV onterecht geoordeeld dat niet in strijd met het afspiegelingbeginsel zou zijn gehandeld.

De kantonrechter is van oordeel dat het afspiegelingbeginsel door de werkgever goed is toegepast. Immers de functie van administratief ondersteuner is terecht niet onderling uitwisselbaar verklaard met die van telefoniste/receptioniste, welke functie door [A] werd uitgeoefend. Weliswaar helpt de telefoniste/receptioniste af en toe als administratief ondersteuner, maar door [eiseres] is onweersproken gebleven dat [A] de onregelmatige verleende administratief ondersteunende werkzaamheden verrichtte op aansturing van [eiseres], zodat alleen al daarom niet gesproken kan worden van een uitwisselbare functie tussen administratief ondersteuner en telefoniste/receptioniste.

Onvoldoende is derhalve komen vast te staan dat sprake is van een voorgewende of valse reden voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.2.

Gevolgen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 7:681 lid 2 onder b BW, te weten dat de gevolgen van de beëindiging voor [eiseres], mede in aanmerking genomen de voor de haar getroffen voorzieningen en gelet op de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, ernstiger zijn dan voor de werkgever.

Door [eiseres] is erop gewezen dat zij tevergeefs vele sollicitaties heeft verricht. Door [gedaagden c.s.] is erop gewezen dat aan [eiseres] het aanbod is gedaan gebruik te maken van [gedaagden c.s.]’s netwerk alsmede dat zij gedurende twee maanden vrijgesteld is van arbeid voor het verrichten van sollicitaties.

De kantonrechter is van oordeel dat, ook al was [eiseres] teleurgesteld dat aan haar ontslag werd aangezegd, zij desondanks had moeten ingaan op een aanbod om aan andere passende arbeid te komen. Dit is met name hier het geval omdat veel persoonlijk contact met de werkgever niet had behoeven plaats te vinden, nu immers ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voldoende is gebleken dat een aanmelding bij de relaties en een positieve verklaring over de capaciteiten van de [eiseres] ook kan plaatsvinden zonder intensief persoonlijk contact. Dit wil evenwel nog niet zeggen dat, wanneer [eiseres] wel gebruik had gemaakt van het netwerk van [gedaagden c.s.], zij sneller aan een baan zou zijn gekomen. Immers, ook uit de onvoldoende door de werkgever besproken voorbeelden van het gevonden werk door de andere ontslagen werknemers blijkt niet dat deze dat werk direct aan het netwerk van [gedaagden c.s.] hebben te danken, danwel blijkt dat zij kort na gebruik van het netwerk toch niet aangenomen zijn bij de werkgever bij wie ze hebben gesolliciteerd.

Verder blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat het [eiseres] veel moeite kost om aan andere passende arbeid komen, getuige de vele sollicitaties die zij, zonder resultaat, heeft verricht en waarvan de vele tientallen voorbeelden zijn overgelegd.

De kantonrechter komt dan tot de conclusie dat de getroffen voorzieningen voor [eiseres], mede gelet op de lengte van het dienstverband en de leeftijd van [eiseres], te mager zijn en dat er een onevenredigheid gelegen is in de belangen van de werkgever en [eiseres], in het nadeel van de [eiseres]. Derhalve is de opzegging kennelijk onredelijk.

4.3.

Schadevergoeding.

De volgende vraag luidt of een schadevergoeding moet worden toegekend. Uitgangspunt bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van schade ten gevolge van kennelijk onredelijke opzegging die veroorzaakt wordt door een onevenredigheid in de belangen van beide partijen, in het nadeel van [eiseres], is dat deze vorm van niet-goed- werkgeverschap van een minder zwaar kaliber is dan wanneer de opzegging zou zijn geschied vanwege een valse of voorgewende reden. In het laatste geval zal uitgangspunt kunnen zijn de beoordeling van schade ten gevolge van het verlies van de baan. Bij een onevenredigheid daarentegen is het uitgangspunt de lengte van de naar verwachting bestaande werkloosheid die is ontstaan na de opzegging.

[eiseres] partij heeft aangevoerd dat zij naar verwachting de hele periode waarin werkloosheidsuitkering wordt aangeboden, te weten 38 maanden, werkloos zal zijn. Indien de door het Hugo Sinzheimer Instituut (HSI) in gebruik gegeven - en van algemene bekendheid zijnde - site ”hoelangwerkloos.nl” wordt geraadpleegd, blijkt dat betrokkene 386 dagen werkloos zal blijven en dat er een kans van 52% is op uitstroom naar de arbeidsmarkt. De werkgever heeft zelf over de kans op werkloosheid niets relevants aangevoerd. over deze aanname niets aangevoerd en er geen verweer tegen gevoerd. Voldoende blijkt dat [eiseres] naar alle waarschijnlijkheid langer dan een jaar werkloos zal blijven.

De hoogte van de door [eiseres] geleden schade kan derhalve in beginsel worden gesteld op de te verwachten duur van de werkloosheid van een jaar, zodat de schade in beginsel kan worden gesteld op het loon van een jaar onder aftrek van de WW-uitkering gedurende een jaar hetgeen neerkomt op een bedrag van - € 1.792,39 - € 1.213,20 x 12 = afgerond € 7.000,- bruto. [eiseres] heeft naast de hoogte van het loon en het recht op vakantiebijslag nog aangevoerd dat zij beschikt over andere relevante emolumenten. Het betreft de bonus, voor 2010 bepaald op € 597,46 en in 2008 ook toegekend, maar niet in 2009 zodat van loon vermeerderd met vakantiebijslag zal worden uitgegaan.

4.4.

Toerekening

In het kader van de door de kantonrechter te beoordelen toerekening van de schade is door de werkgever aangevoerd dat zij geen enkele ruimte heeft om een vergoeding te betalen. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Uit de bijlage die vóór de comparitie is overgelegd, op 26 november 2012, blijkt dat de omzet minus de kosten in het jaar 2012 hoger was dan in 2011 (respectievelijk afgerond € 232.000,- ten opzichte van € 204.000,-) en dat zulks mede is veroorzaakt doordat de kosten aanzienlijk zijn gedaald (van € 664.000,- naar € 486.000). Er is dus wel degelijk enige ruimte om een vergoeding te betalen en onvoldoende is door de werkgever weersproken dat de ruimte die blijkt uit cijfers van oktober 2012 niet ook redelijkerwijs had kunnen worden verwacht, nu kennelijk de verlaging van de personeelskosten door het ontslag van vier medewerkers deze ruimte zou gaan opleveren.

4.5.

De kantonrechter acht op grond van het bovenstaande een schadevergoeding van 13 maanden aanvulling op het laatst verdiende loon geïndiceerd. Dat bedrag staat gelijk aan een schadevergoeding ter hoogte van afgerond 4 maanden laatstgenoten salaris.

Nu door de werkgever al een maand salaris was aangeboden als getroffen voorziening, dient dit bedrag te worden afgetrokken van het hierboven voor een redelijke schadevergoeding bereikte bedrag, zodat nog 3 maanden loon en vakantiebijslag aan schadevergoeding verschuldigd is.

[gedaagden c.s.] heeft niet bekend gemaakt wie als werkgever moet worden beschouwd, zodat [gedaagden c.s.]n hoofdelijk zullen worden veroordeeld dit bedrag aan [eiseres] te voldoen.

Voldoende is komen vast te staan dat aan de dubbele redelijkheidstoets ingevolge artikel 6: 96 BW is voldaan voor wat betreft de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten. Onvoldoende is ervan gebleken dat de kosten enkel zijn gemaakt ter voorbereiding (en instructie) van deze zaak.

4.6.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagden c.s.] in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat het door [gedaagden c.s.] aan [eiseres]es gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7: 681 BW;

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen

€ 5.810,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.810,- vanaf 16 december 2011 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagden c.s.] om aan [eiseres] te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 833,- incl. BTW.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.338,63, waarin begrepen € 800,- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.