Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1014

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
16/994018-08 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:9858, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hypotheekfraude. Valsheid in geschrifte en doen van onjuiste opgave in authentieke akte. Vrijspraak voor witwassen. Het verkrijgen van hypotheken voor de aankoop van panden dient gezien te worden als een feitelijke handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/994018-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 februari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1965] te[geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. R. Zilver, advocaat te [woonplaats].

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 januari 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met anderen in authentieke akten valse opgaven heeft doen opnemen.

Feit 2: al dan niet samen met anderen gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte documenten.

Feit 3, primair: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd.

Feit 3, subsidiair: al dan niet samen met anderen gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte documenten.

Feit 4: al dan niet samen met anderen onroerend goed heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder feit 1, 2, 3 primair en feit 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het medeplegen van gewoontewitwassen van het pand [adres] te [woonplaats]. Er is geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) wist dat dit pand van misdrijf afkomstig was. Verdachte dient ten aanzien van dit pand dan ook als pleger te worden aangemerkt, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft op advies van [naam] (hierna: [naam]) gehandeld, omdat hij zelf geen verstand heeft van verzekeringen en hypotheken. [naam] daarentegen heeft een opleiding gevolgd tot hypotheekadviseur en beschikt over jarenlange ervaring als hypotheekadviseur. Het was [naam] die verdachte voorlichtte en adviseerde omtrent de aankoop van de verschillende panden. [naam] had hierover zelfs informatie ingewonnen bij de NHG en verdachte daarover ingelicht. Bij de aankoop van de panden is verdachte afgegaan op het advies van [naam] die terzake deskundig was, over ruime ervaring beschikte en navraag had gedaan bij de NHG. Van opzet aan de zijde van verdachte is geen sprake. Verdachte dient van het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit dan ook te worden vrijgesproken. De verdediging voert in dit verband verder aan dat verdachte een beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld (hierna: a.v.a.s.) toekomt nu hij heeft gedwaald in de juridische toelaatbaarheid van zijn handelen door af te gaan op het advies van [naam].

Subsidiair dient verdachte vrij te worden gesproken van de valsheid in authentieke akte betreffende de [adres] te [woonplaats], [adres] te [woonplaats] en [adres] te [woonplaats]. Het besluit tot het passeren van deze akten is voornamelijk genomen door medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [naam], aldus de verklaring van [naam] afgelegd bij de rechter-commissaris.

Ten aanzien van feit 2

[medeverdachte 2] is de boekhouder van verdachte en heeft de jaarrekeningen voor de handelsonderneming van verdachte over de jaren 2004 tot en met 2006 opgemaakt. Verdachte vertrouwde [medeverdachte 2] volledig voor wat betreft de juistheid van de inhoud van de jaarstukken.

Van de door [medeverdachte 2] opgemaakte jaarcijfers kan achteraf vastgesteld worden dat deze onjuist waren. Bij de desbetreffende hypotheekverstrekkers zijn zodoende onjuiste jaarcijfers ingediend. Echter, niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] bij het opstellen van deze jaarcijfers zo bewust en nauw met verdachte samen heeft gewerkt dat gesproken kan worden van medeplegen. Verdachte heeft geen enkele rol gespeeld bij het indienen van de betreffende jaarrekeningen bij de hypotheekverstrekkers. Verdachte dient dan ook van het aan hem onder feit 2 tenlastegelegde vrij te worden gesproken. Verder doet de verdediging ook in dit verband een beroep op de schulduitsluitingsgrond a.v.a.s. maar dan in de vorm van feitelijke dwaling.

Ten aanzien van feit 4

Niet kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de onroerende zaken heeft witgewassen. Verdachte heeft niet meer gedaan dan deze onroerende zaken voorhanden hebben. Het enkele voorhanden hebben door verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, kan niet als witwassen gekwalificeerd worden. Voor een bewezenverklaring van witwassen moet er sprake zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst gericht karakter heeft. Daarvan is geen sprake. Verdachte dient van hetgeen aan hem onder feit 4 ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.

Subsidiair dient verdachte vrij te worden gesproken van het gewoonte maken van witwassen, nu hierop het opzet ontbreekt.

Ten aanzien van feit 3 op de tenlastelegging heeft de raadsman zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen – voor zover niet anders vermeld – naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Amsterdam, dossiernummer 41067, opgemaakt door verbalisant [verbalisant].

4.3.1 De vrijspraak ten aanzien van feit 4

De rechtbank is, evenals de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om verdachte te veroordelen wegens het witwassen van onroerend goed.

Door de Hoge Raad (zie Hoge Raad 26 oktober 2010, LJN: BM4440) is beslist dat wanneer witwassen een voorwerp betreft dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het voorhanden hebben daarvan verweten wordt, in beginsel van de witwasser een handeling gevergd wordt die erop gericht is zijn criminele opbrengst veilig te stellen. Hieraan is op 8 januari 2013 door de Hoge Raad (Hoge Raad 8 januari 2013, LJN: BM4449) toegevoegd dat in dergelijke gevallen sprake moet zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

Verdachte heeft hypotheken, voor de aankoop van panden zoals opgesomd in de tenlastelegging, verkregen door het plegen van valsheid in geschrift dan wel het doen van onjuiste opgaven in authentieke akten. De hypotheken zijn derhalve verkregen door het plegen van misdrijven, maar zijn onmiskenbaar verbonden aan het verkrijgen van de diverse panden. Het verkrijgen van de hypotheken en het aankopen van de panden dient dan ook gezien te worden als één feitelijke handeling. Van een specifieke gedraging gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de diverse panden is echter in onderhavige zaak geen sprake. Gelet op het hiervoor geschetste criterium van de Hoge Raad, kan dan ook niet gesproken worden van witwassen van de diverse panden nu deze zijn verkregen door misdrijven die verdachte zelf heeft begaan.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen aan hem onder feit 4 ten laste is gelegd.

4.3.2 Het bewijs

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) zijn de volgende panden gekocht:

- [adres] te [woonplaats], volgens de leveringsakte aangekocht op 2 januari 2006, welke leveringsakte is opgemaakt door notaris [A] te [woonplaats], en waarin is opgenomen dat het verkochte door koper is te gebruiken als woonhuis.

- [adres] te [woonplaats], volgens de leveringsakte aangekocht op 5 januari 2006, welke leveringsakte is opgemaakt door notaris [B] te [woonplaats], en waarin is opgenomen dat het verkochte door koper is te gebruiken als woonhuis. Voorts is in de hypotheekakte van de [adres] te [woonplaats], welke eveneens is opgemaakt door notaris [B] te [woonplaats], opgenomen dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] er jegens schuldeisers voor in staan dat het registergoed geheel voor zelfbewoning wordt gebruikt casu quo gebruikt gaat worden.

- [adres] te [woonplaats], volgens de leveringsakte aangekocht op 16 januari 2006, welke leveringsakte is opgemaakt door notaris [C] te [woonplaats], en waarin is opgenomen dat koper het registergoed zal gebruiken voor eigen bewoning. Voorts is in de hypotheekakte betreffende [adres] te [woonplaats], welke eveneens is opgemaakt door notaris [C] te [woonplaats], opgenomen dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] er jegens de hypotheekbank voor in staan dat het onderpand niet is verhuurd noch anderszins aan derden in gebruik of genot is afgestaan en dat het dient voor zelfbewoning.

- [adres] te [woonplaats], volgens de leveringsakte aangekocht op 20 januari 2006, welke leveringsakte is opgemaakt door notaris [D] te [woonplaats], en waarin is opgenomen dat kopers voornemens zijn het gekochte zelf te gaan bewonen en dat het verkochte door kopers is te gebruiken als woonhuis. Voorts is in de hypotheekakte betreffende de [adres] te [woonplaats], welke eveneens is opgemaakt door notaris [D] te [woonplaats], opgenomen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verklaren dat het registergoed uitsluitend is en blijft bestemd voor eigen bewoning.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de woningen aan de [adres] te [woonplaats], de [adres] te [woonplaats], de [adres] te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats] werden aangekocht als beleggingen. De panden waren niet bedoeld voor eigen bewoning, maar dienden voor de verhuur. Bij het passeren van de panden bij de notaris heeft verdachte, naar eigen zeggen, gezegd dat hij zelf in de woningen ging wonen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op haar beurt verklaard dat de reden om het pand [adres] te [woonplaats] te kopen was om er huurders in te zetten. Dit was eveneens de reden om de panden [adres] te [woonplaats], [adres] te [woonplaats] en [adres] te [woonplaats] te kopen. Zij wilde samen met verdachte van de huuropbrengsten gaan leven. Verdachte vroeg medeverdachte [medeverdachte] mee te tekenen voor de aankoop van deze panden, omdat zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.

Uit vorenstaande bewijsmiddelen volgt dat er van opzet op het opnemen van onjuiste informatie in de aktes bij verdachte sprake was, zodat het verweer van de verdediging op dat punt geen verdere bespreking behoeft.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

Op naam van de handelsonderneming van verdachte, genaamd ‘Handelsonderneming [verdachte]’, zijn in de tenlastegelegde periode jaarstukken aangaande de handelsonderneming opgemaakt. Het betreft de volgende jaarstukken:

- Jaarrekening 2004, waarin een bedrijfsresultaat van € 40.457,00 is opgenomen en een omzet van € 46.286,00.

- Jaarrekening 2005, waarin een bedrijfsresultaat van € 64.414,00 is opgenomen en een bruto winst van € 68.825,00.

- Jaarrekening 2006, waarin een bedrijfsresultaat van € 57.208,00 is opgenomen en een bruto winst van € 66.840,00.

De jaarstukken van de Handelsonderneming [verdachte] over jaar 2004 zijn aangetroffen in het hypotheekdossier betreffende de hypotheekaanvraag d.d. 22 maart 2006 voor het pand [adres] te [woonplaats] en de hypotheekaanvraag van 22 januari 2007 voor de [adres] te [woonplaats].

De jaarstukken van de Handelsonderneming [verdachte] over jaar 2005 zijn aangetroffen in de hypotheekdossiers betreffende de hypotheekaanvraag d.d. 22 maart 2006 voor het pand [adres] te [woonplaats], de hypotheekaanvraag van 22 januari 2007 voor de [adres] te [woonplaats], de hypotheekaanvraag d.d. 10 juli 2007 voor [adres] te [woonplaats] en de hypotheekaanvraag d.d. 29 augustus 2007 voor de [adres] te [woonplaats], alsmede de hypotheekaanvraag d.d. 10 juli 2007 en [adres] te [woonplaats].

De jaarstukken van de Handelsonderneming [verdachte] over jaar 2006 zijn aangetroffen in de hypotheekdossiers betreffende de hypotheekaanvraag d.d. 10 juli 2007 voor [adres] te [woonplaats] en de hypotheekaanvraag d.d. 29 augustus 2007 voor de [adres] te [woonplaats], alsmede de hypotheekaanvraag d.d. 10 juli 2007 en [adres] te [woonplaats].

Medeverdachte [medeverdachte 2] is de boekhouder van verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in dit verband verklaard dat hij de jaarstukken van Handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2004 heeft opgemaakt aan de hand van gegevens die hij van verdachte had gekregen. De omzet die hierin is opgenomen is € 20.000,00 hoger dan de winstaangifte 2004 die bij de Belastingdienst is ingediend. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de cijfers beter heeft voorgesteld om de hypotheek te verkrijgen.

De jaarstukken van Handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2005 zijn eveneens door medeverdachte [medeverdachte 2] opgemaakt. De cijfers zijn door [medeverdachte 2] ingevuld op voorspraak van verdachte. Verdachte belde de cijfers door. [medeverdachte 2] beschikte niet over onderliggende administratie voor het opmaken van deze jaarstukken. De omzet die hierin is opgenomen is € 68.825,00 hoger dan de omzet die is opgenomen in de aangifte omzetbelasting over 2005. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de cijfers in de jaarstukken zijn gefingeerd om een hypotheek te verkrijgen.

Ook de jaarstukken van Handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2006 zijn door [medeverdachte 2] opgemaakt, waarbij [medeverdachte 2] zich bij het opstellen van de jaarstukken heeft gebaseerd op de gefingeerde jaarstukken over het jaar 2005. De omzet die hierin is opgenomen is € 57.005,00 hoger dan de omzet die is vermeld in de aangifte inkomstenbelasting over 2006. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de cijfers over 2006 eveneens gefingeerd zijn.

[medeverdachte 2] heeft over het opmaken van deze jaarstukken verklaard dat [verdachte] hem de omzetcijfers aanleverde welke moesten worden vermeld in de stukken en dat [verdachte] op de hoogte van het gebruik van gefingeerde cijfers. [verdachte] heeft hem bij de aankoop van hun tweede pand gevraagd of hij wederom gefingeerde jaarstukken kon maken, gebaseerd op gegevens uit eerdere jaren.

Uit vorenstaande bewijsmiddelen volgt dat het verweer van de verdediging dat verdachte geen enkele rol heeft gespeeld bij het indienen van de jaarstukken, geen verdere bespreking behoeft.

Het bewijs ten aanzien van feit 3 primair:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen:

- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 januari 2013.

- Het geschrift, te weten een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen verdachte en Oris Project Support BA.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 2 januari 2006 tot en met 20 januari 2006 te [woonplaats] en [woonplaats] en [woonplaats] en [woonplaats], tezamen en in vereniging met ander, in nader te noemen authentieke aktes, te weten leveringsakten en hypotheekakten, een valse opgave hebben doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid die aktes moeten doen blijken, met het oogmerk om die aktes te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware deze opgave in overeenstemming met de waarheid, hebbende hij, verdachte en zijn mededader, toen

en daar, met voornoemd oogmerk in de volgende authentieke aktes valselijk en

in strijd met de waarheid, doen opnemen:

-in de akte van levering inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [A]s dat het verkochte door verdachte en mevrouw [medeverdachte] is te gebruiken als woonhuis en

-in de akte van levering inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [B] dat het verkochte door verdachte en mevrouw [medeverdachte] is te gebruiken als woonhuis en

-in de akte van hypotheek inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [B] dat verdachte en mevrouw [medeverdachte] er jegens schuldeisers voor in staan dat zij voormeld registergoed geheel voor zelfbewoning gebruikten casu quo gaan gebruiken en

-in de akte van levering inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [C] dat verdachte en mevrouw [medeverdachte] voormeld registergoed zullen gebruiken voor eigen bewoning en

-in de akte van hypotheek inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [C] dat verdachte en mevrouw [medeverdachte] verklaarden er jegens de hypotheekbank voor in te staan dat het onderpand niet is verhuurd noch anderszins aan derden in gebruik of genot is afgestaan en dat het dient voor zelfbewoning en

-in de akte van levering inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [D] dat verdachte en mevrouw [medeverdachte] voornemens zijn het gekochte zelf te gaan bewonen;

en het verkochte door verdachte en mevrouw [medeverdachte] is te

gebruiken als woonhuis en

-in de akte van hypotheek inzake de [adres] te [woonplaats] opgemaakt door notaris mr. [D] dat verdachte en mevrouw [medeverdachte] verklaren dat het registergoed uitsluitend bestemd is en blijft voor eigen gebruik.

2.

hij, op tijdstip omstreeks de periode van 22 maart 2006 tot en met 14 november 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk gebruik heeft doen maken van valse geschriften, als ware deze echt en onvervalst, te weten:

-een jaarrekening van de handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2004 en

-een jaarrekening van de handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2005 en

-een jaarrekening van de handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2006,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin dat valselijk en in strijd met de waarheid in de hierboven genoemde jaarrekeningen is opgenomen dat:

-de handelsonderneming [verdachte] in het jaar 2004 een bedrijfsresultaat van 40.457,- euro en een omzet van 46.286,- euro heeft gehad, terwijl in werkelijkheid de omzet lager was, en

-de handelsonderneming [verdachte] in het jaar 2005 een bedrijfsresultaat van 64.414,- euro en een "bruto winst" van 68.825,- euro heeft gehad, terwijl in werkelijkheid de omzet lager was, en

-de handelsonderneming [verdachte] in het jaar 2006 een bedrijfsresultaat van 57.208,- euro en een "bruto winst" van 66.840,- euro heeft gehad, terwijl in werkelijkheid de omzet lager was,

en bestaande dit gebruik hieruit dat de volgende geschriften zijn overlegd bij de aanvraag van hypothecaire financiering van de volgende panden:

-de jaarrekening van de handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2004 bij de aanvraag van hypothecaire financiering van:

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats], en

-de jaarrekening van de handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2005 bij de aanvraag van hypothecaire financiering van:

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats], en;

-de jaarrekening van de handelsonderneming [verdachte] over het jaar 2006 bij de aanvraag van hypothecaire financiering van:

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats], en

- [adres] te [woonplaats].

3.

Primair

op 30 september 2005, in de gemeente Amsterdam een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [bedrijf] en [verdachte], zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft hij,

-valselijk en in strijd met de waarheid in voornoemd geschrift opgenomen dat [bedrijf] en [verdachte] een arbeidsovereenkomst voor de vernoemde periode waren aangegaan, terwijl in werkelijkheid er geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en het in werkelijkheid niet de bedoeling is geweest om een arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen,

en

-valselijk en in strijd met de waarheid in voornoemd geschrift opgenomen dat de werkzaamheden "het t.b.v. bovenstaande regio [Utrecht] uitdiepen van relaties en plegen van acquisitie" betreffen, terwijl verdachte in werkelijkheid deze werkzaamheden niet heeft verricht en het in werkelijkheid ook niet de bedoeling is geweest dat verdachte deze

werkzaamheden zou gaan verrichten, een en ander met het oogmerk dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit, van welks waarheid die akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware haar opgave in overeenstemming met de waarheid, meermalen gepleegd.

Feit 2: Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Feit 3 primair: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd verontschuldigbaar heeft gedwaald. Verdachte is afgegaan op het advies van [naam], aan wie zodanig gezag valt toe te kennen, dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht vertrouwen, aldus de raadsman.

Ook heeft de raadsman bepleit dat verdachte ten aanzien van hetgeen aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd heeft verontschuldigbaar heeft gedwaald, vanwege de onwetendheid van verdachte ten aanzien van de onjuistheid van de jaarrekeningen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [naam] hem had gezegd bij de notaris met ‘ja’ te antwoorden wanneer de notaris zou vragen of verdachte zelf in het aan te kopen pand zou gaan wonen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij van meet af aan niet voornemens was in de aan te kopen panden te gaan wonen. Verdachte wist zodoende dat hij door met ‘ja’ te antwoorden een onjuiste voorstelling van zaken gaf. Of verdachte deze onjuiste voorstelling van zaken al dan niet op aanraden van [naam] heeft gegeven doet hieraan niets af. Verdachte had immers niet mogen vertrouwen op een advies waarvan hij wist dat het een leugen betrof.

Voor wat betreft hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen die hiervoor onder feit 2 zijn opgenomen. Daaruit volgt dat [verdachte] weldegelijk op de hoogte was van de onjuistheid van de inhoud van de jaarrekeningen. Van verontschuldigbare dwaling kan dan ook geen sprake zijn.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1, 2 en 4 aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsman de volgende punten aangevoerd, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen straf:

- verdachte is er niet beter op geworden. De vijf panden die verdachte bezit zijn allen verliesgevend. Voor drie van deze vijf panden dient een omzettingsvergunning aangevraagd te worden, waarvan de kosten € 20.000,00 à € 25.000,00 per pand bedragen;

- de overschrijding van de redelijke termijn. Vier jaar na het eerste verhoor van verdachte is de zaak inhoudelijk behandeld. Deze lange duur kan niet aan de verdediging worden toegerekend;

- de zaak tegen [naam] is geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. [naam] is echter de persoon die alles bedacht heeft en voor het overgrote deel alles geregeld heeft. Daarbij is [naam] eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en hij heeft op meerdere punten gelogen tijdens zijn verhoren. Gelet hierop is het uitermate wrang dat verdachte wel vervolgd wordt. Het voorgaande dient strafmatigend te werken.

Gelet op bovenstaande omstandigheden heeft de raadsman bepleit een taakstraf aan verdachte op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het valselijk doen opmaken van authentieke akten om zo hypotheken te verkrijgen voor het aankopen van diverse woningen als beleggingspanden. Door op een dergelijke wijze te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming, alsmede in authentieke akten. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ten voordele van verdachte laat de rechtbank meewegen dat de strafbare feiten lange tijd geleden zijn begaan.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdacht rekening gehouden met het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 december 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Verdachte heeft ter terechtzitting geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Door de verdediging is aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat vier jaren zijn verstreken tussen de het eerste verhoor van verdachte en de start van de inhoudelijke behandeling. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is hierdoor overschreden, aldus de verdediging.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank ziet in de concrete omstandigheden van deze zaak aanleiding te bepalen dat de termijn een aanvang heeft genomen op het eerste moment waarop verdachte door de opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD is gehoord, te weten 21 januari 2009. Daarom kan met de verdediging worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen, de vervolging van verdachte meer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De rechtbank acht deze duur onredelijk. Zij neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat alhoewel de omvang van het door de FIOD-ECD verrichte onderzoek groot is, het onderzoek zich voor het overgrote deel heeft afgespeeld voorafgaand aan het eerste verhoor van verdachte. Het eindproces-verbaal was op 14 december 2009 al gereed. Hierna heeft het onderzoek, om voor de rechtbank onduidelijke redenen, kennelijk lange tijd stilgelegen. Pas op 10 april 2012 heeft een eerste regiezitting plaatsgevonden, waarbij diverse verzoeken van de verdediging zijn toegewezen. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat de zaak inhoudelijk behandeld kon worden op 21 januari 2013. Er zijn zodoende exact vier jaren verstreken sinds het eerste verhoor van verdachte en de start van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, welke lange duur met name gelegen is in de periode tussen het indienen van het eindproces-verbaal en het op zitting aanbrengen van de strafzaak. Dit kan niet aan de verdediging worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee dan ook in strafmatigende zin rekening houden.

Hoewel de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, een gevangenisstraf een passende straf acht, zal zij tot het opleggen daarvan niet overgaan. De gedateerdheid van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn maakt het opleggen van een gevangenisstraf niet langer opportuun. Om die reden zal de rechtbank overgaan tot het opleggen van een forse geldboete, hetgeen de rechtbank gelet op de ernst van de feiten passend en geboden vindt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 57, 63, 225 en 227 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit, van welks waarheid die akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware haar opgave in overeenstemming met de waarheid, meermalen gepleegd.

Feit 2: Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Feit 3 primair: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 35.000, = (zegge vijfendertigduizend euro);

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 210 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete naar rato van € 50, = per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 februari 2013.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.