Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0914

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
16/700765-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak in verkrachtingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/700765-12 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. Y. Quint, advocaat te ‘s-Hertogenbosch

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door de raadsman voornoemd.

Aangeefster werd op zitting vertegenwoordigd door haar raadsvrouw mr. M.A.J. Kubatsch.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De -ter zitting gewijzigde- tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair op 5 februari 2012 [slachtoffer ] heeft verkracht;

Subsidiair handelingen met [slachtoffer ] heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, terwijl zij geestelijk of lichamelijk weerloos was;

Meer subsidiair [slachtoffer ] heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen;

Meest subsidiair met [slachtoffer ] ontuchtige handelingen heeft gepleegd, terwijl verdachte wist

dat zij geestelijk of lichamelijk weerloos was;

.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, het anaal oppervlakkig aantreffen van DNA van verdachte bij aangeefster, het anaal en vaginaal diep aantreffen van mannelijk chromosaal DNA-materiaal, de sms-berichten in de telefoon van aangeefster en verdachte, de facebookberichten van aangeefster en de verklaring van getuige [getuige].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor het primair tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat, indien er al sprake was van binnendringen, er geen sprake was van dwang, geweld of een andere feitelijkheid, die zo bedreigend was voor aangeefster, dat zij hierdoor gedwongen werd de handelingen te ondergaan. Subsidiair is de verdediging van mening dat bij aangeefster geen sprake was van een staat van verminderd bewustzijn. Zij sliep immers niet, maar hield zich slapende.

Ten aanzien van het meer subsidiaire, de aanranding, heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De verklaring van aangeefster.

Aangeefster [slachtoffer ] en verdachte waren circa 4 jaar collega’s van elkaar en gingen ook buiten hun werk met elkaar om. Ze gingen samen uit, kwamen bij elkaar over de vloer, kookten samen en verdachte bleef regelmatig bij aangeefster slapen. Aangeefster had gedurende ruim 3 jaar een relatie met een jongen, maar die relatie was kort voor 5 februari 2012 (de datum van het tenlastegelegde) verbroken, mede omdat aangeefster twijfelde over haar seksuele geaardheid. Ze had hierover ook meermalen gesprekken gevoerd met verdachte.

In december 2011 bleef verdachte bij aangeefster slapen en ze lagen hierbij, zoals bij hen kennelijk gebruikelijk, in één bed. Verdachte zocht toen seksuele toenadering tot aangeefster. Hij wreef haar over haar bovenbenen en ging met zijn hand richting haar vagina. Aangeefster duwde zijn hand toen weg en gaf hem te kennen dat ze dat niet wilde. Op een later moment hebben verdachte en aangeefster dit incident besproken en verdachte gaf aan spijt te hebben. Dit leidde tot een korte vertrouwensbreuk, maar na een aantal weken was de relatie weer als vanouds.

In de avond van 4 februari 2012 kwam verdachte, op verzoek van aangeefster, bij haar op bezoek. Ze hadden het samen gezellig, dronken wat en verdachte bleef bij aangeefster slapen. Ze lagen hierbij weer in de twijfelaar van aangeefster, waarbij aangeefster alleen een hipster droeg en verdachte alleen een onderbroek. ’s Nachts werd aangeefster wakker omdat ze voelde dat verdachte haar over haar rug, billen en benen wreef. Ze schrok hiervan en hield zich slapende. Ze lag op haar zij, met haar rug naar verdachte toe en voelde dat verdachte met (meerdere) vingers haar vagina in ging. Ook maakte hij met speeksel haar anus nat, duwde haar billen uit elkaar en penetreerde haar, zoals ze zelf aangeeft heel voorzichtig, anaal. Aangeefster bewoog wel wat, maar hield zich nog steeds slapende. Ze hoorde dat verdachte met zijn mobiele telefoon foto’s maakte.

Ze was,naar zij later verklaart, zo bang voor verdachte dat ze niet durfde aangeven dat ze geen seks wilde. Nadat verdachte gestopt was, stapte aangeefster uit bed en zocht ze via facebook contact met een vriend, waarbij ze deze vriend berichtte dat ze verkracht was. Daarna sloot ze zich op in het toilet en stuurde ze verdachte sms-jes waarin ze hem sommeerde te vertrekken. Verdachte reageerde hier niet op. Aangeefster is toen naar hem toe gegaan, heeft hem wakker gemaakt door de muziek heel hard te zetten, heeft hem gezegd weg te gaan, heeft zich weer op het toilet opgesloten en heeft opnieuw een sms aan verdachte gestuurd met de mededeling dat hij binnen 5 à 10 minuten weg moest zijn.

Verdachte gaf, na enige tijd, gevolg aan dit verzoek, maar sms-te aangeefster ‘ik ben weg, maar snap het niet helemaal’.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij die nacht inderdaad bij aangeefster was blijven slapen en dat hij ’s nachts wakker werd, dat hij toen zijn onderbroek uit had en met zijn hand in de onderbroek van aangeefster zat en aan haar vagina zat. Hij heeft haar ook over haar rug gewreven, maar kan zich niet meer herinneren dat hij foto’s gemaakt zou hebben, en haar met vingers en penis vaginaal respectievelijk anaal gepenetreerd zou hebben.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen over de vraag of verdachte de in de aangifte beschreven handelingen heeft begaan, nu DNA van verdachte oppervlakkig anaal bij aangeefster is aangetroffen en er mannelijk DNA-materiaal zowel diep anaal als diep vaginaal is aangetroffen. Hierbij is van belang dat aangeefster heeft verklaard de periode voorafgaand aan dit feit geen seksueel contact te hebben gehad. Ook de gememoreerde sms-berichten zijn op de mobiele telefoons van verdachte en aangeefster aangetroffen.

Echter, om tot een bewezenverklaring te komen van verkrachting dient vast te staan dat sprake is van dwang en derhalve opzet op het tegen de wil van aangeefster verrichten van seksuele handelingen. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster heeft na een eerdere toenadering van verdachte aangegeven dat zij van die toenadering niet gediend was. In het gesprek hierover heeft verdachte haar gezegd dat hij dacht dat hij haar een plezier deed en dat hij moeite had om diepgaande vriendschap van “meer” te onderscheiden. Toch heeft ze de avond/nacht van 4 op 5 februari 2012 verdachte weer bij haar in bed uitgenodigd, terwijl ze slechts een slip droeg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij hiermee, juist na die eerdere avances van verdachte, een dubbelzinnige boodschap afgegeven. Er was immers geen dringende noodzaak dat verdachte bij haar bleef slapen; hij woonde in dezelfde stad. Ook het standpunt van aangeefster dat zij alleen op vrouwen viel, was niet echt eenduidig, nu ze tot kort voor 5 februari een drie jaar durende relatie met een man had gehad.

De twijfel van de rechtbank over de vraag of sprake was van dwang, van opzet bij [verdachte] om seksuele handelingen te verrichten tegen de wil van aangeefster wordt mede gevoed door de omstandigheid dat verdachte aangeefster kusjes op de rug gaf, over de rug wreef en heel voorzichtig deed. Daarbij is de door aangeefster gestelde angst niet goed voorstelbaar, nu verdachte immers een goede vriend was en zij hem bij de eerdere avances wel direct haar afwijzing duidelijk had gemaakt en verdachte hierbij op geen enkele manier boos of gewelddadig was geworden. Ook overigens is, naar zij bij de rechter-commisaris verklaart, [verdachte] nooit agressief of bedreigend naar haar geweest, hij heeft haar nooit onheus bejegend.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Zij zal verdachte hiervan vrijspreken.

Opmerking verdient nog dat het feit dat [verdachte] later blijk heeft gegeven van schuldbewustzijn omdat hij tegen de wil van aangeefster zou hebben gehandeld, niet betekent dat dit handelen tegen de wil hem op het moment van handelen duidelijk moet zijn geweest. Dit schuldbewustzijn achteraf kan ook gelegen zijn in de neiging van verdachte zich te voegen naar een ander en nauwelijks voor zichzelf op te komen, zoals daarvan blijkt uit de Pro Justitiarapportage.

Subsidiair wordt aan verdachte verweten dat hij handelingen met aangeefster heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen, terwijl zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde.

Aangeefster heeft verklaard dat zij wakker werd doordat verdachte over haar rug, benen en billen wreef/streelde. De handelingen van verdachte daarna heeft ze goed waargenomen en ook bewust ondergaan, zodat naar het oordeel van de rechtbank hieromtrent niet kan worden gesproken van verminderd bewustzijn, omdat van een sluimertoestand tussen slapen en ontwaken, zoals door de officier van justitie is aangevoerd, geen sprake is.

Onduidelijk is of en welke handelingen zijn verricht terwijl aangeefster (half) sliep.

Aannemelijk is dat sprake was van voorzichtig wrijven en kusjes terwijl aangeefster nog (half) sliep, omdat aangeefster daarvan wakker werd. Wanneer dergelijke handelingen plaatsvinden met wederzijdse instemming is er van ontucht geen sprake.

In deze zaak is onvoldoende komen vast te staan dat sprake was van opzet gericht op het ontuchtig karakter van die handelingen.

De rechtbank verwijst voor de motivering van haar oordeel dat ook hier de opzet onvoldoende bewezen is, naar hetgeen hiervoor is overwogen over het ontbreken van opzet om handelingen te verrichten tegen de wil van aangeefster.

Van lichamelijke onmacht blijkt niet.

De rechtbank acht daarom evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiaire feit heeft begaan en zal hem ook daarvan vrijspreken.

Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de dwang en de psychische of lichamelijke onmacht geldt mutatis mutandis eveneens voor het meer subsidiair en meest subsidiaire tenlastegelegde, zodat verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is [slachtoffer ] in haar vordering niet-ontvankelijk.

5. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primaire, subsidiaire, meer subsidiair en meest subsidiaire tenlastegelegde feit;

Benadeelde partij

Verklaart [slachtoffer ] niet-ontvankelijk in de vordering;

Compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs. I.P.H.M. Severeijns en A.M.M.E. Doekes, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 januari 2013.